27.12.11

Ad Zuiderent. We konden alle kanten op. Amsterdam: Querido, 2011.

Ligt het aan mij, ligt het aan het klimaat in de vaderlandse dichtkunst, of ligt het aan de Poëzieclub? Alle mogelijkheden zijn open, maar ik houd het op de middelste mogelijkheid. De Poëzieclub werkt als een boekenclub: een paar keer per jaar sturen ze alle leden een recente dichtbundel die door een deskundige jury uitgekozen is. Dit is nu de tweede bundel in korte tijd die geschreven is door een zestiger en die terug lijkt te grijpen op klassiek vormen - klassiek in de zin van de oudheid. (De vorige was de bundel van Allard Schröder vorige maand.)

Die zestigers, die waren in poeticis de generatie van de ironie: als her rijmde en als het metrisch was, dan was dat grappig. Daar is geen sprake van in We konden alle kanten op. Er wordt trouwens ook niet echt gerijmd en er worden geen sonnetten geschreven. Maar de meeste gedichten zijn wel metrisch, of kun je in ieder geval lezen met een regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, en evenveel voeten in elke regel. Af en toe verwijst de dichter ook expliciet naar de oudheid;

Zing mij, ma, muze, het zeil van de overkant, zing
het landschap dat enkel gezongen uiteenwijkt, zing
als een zaag de wind van de zee, zing het zeilen,
zing de man van de zang die je zong in de geest;

Zuiderents thematiek in deze bundel is eerder Horatiaans kalm dan Homerisch schuimend. Het leven van een Nederlandse gepensioneerde intellectueel wordt geschetst: met je vrouw de krant delen en praten over het leed op de wereld. Op vakantie naar een beschaafd buitenland waar je wijn kan drinken. En fietsen, heel veel fietsen. onprettig is dat allemaal niet, en ook niet onprettig om over te lezen; die klassieke vorm past er goed bij.

Veel gedichten zijn bovendien geschreven in terzetten, groepjes van steeds drie dichtregels. Of het de bedoeling is, weet ik niet, maar ik denk bij die vorm aan Dante, de Goddelikke Komedie: In het midden van mijn levenspad gekomen, konden we alle kanten op. Sympathieke bundel.

26.12.11

Philip Roth. Zuckerman unbound. Audible, 2010 (1981)

Zuckerman bound is al minstens het vijftiende boek van Philip Roth dat ik las. Dat is een beetle vreemd, gezien het feit dat Portnoy's complaint niet alleen nog steeds waarschijnlijk Roths beroemdste roman is, maar ook een roman waarop hij vaak teruggrijpt — en dat ik uitgerekend Portnoy's Complaint weinig boeiendvind, een enorme verongelukte scheldpartij op mensen die er ook niets aan kunnen doen door een personage met wie ik niet veel te maken heb.

Zuckerman bound gaat over de jonge joodse schrijver Nathan Zuckerman, die zojuist een boek geschreven heeft dat Carmovsky heet en dat nogal lijkt op Portnoy's Complaint: een boek over een aan seks verslaafde New Arkse joodse jongeman en diens gecompliceerde relatie met zijn jeugd. En Zuckerman bound is prachtig.

Wat heb ik te maken met de problemen van een Amerikaanse schrijver die ineens een uiterst succesvol boek geschreven heeft? Ik deel niet eens zijn mensenhaat en zijn wantrouwen. Roth slaagt er desalniettemin in me zijn wereld in te trekken, waarin het lot van zijn schrijver op het eerste gezicht nog vooral komisch is: wat een luxeproblemen als je niet weet wat je met je geld aanmoet, en de krankjorumste lezer die je tegenkomt iemand is die in de jaren vijftig meedeed aan een tv-quiz en daarbij steeds alle antwoorden goed had tot de makers van het programma hem voorschreven dat hij nu eens van een niet-jood moest verliezen. Maar gaandeweg en heel geleidelijk wordt de komedie steeds grimmiger: een man dreigt Zuckermans moeder te kidnappen en even later overlijdt zijn vader, met het woord bastaard op zijn lippen. Met andere woorden, gaandeweg ontdekt de schrijver hoeveel echt leed hij zijn lezers en vooral ook zijn familie met zijn komedie heeft aangedaan — en hij beseft dat die mensen er ook niets aan kunnen doen. Om zich aan het eind van het boek in een taxi te laten rondrijden door New Ark en te ontdekken dat de wijk waarin hij is opgegroeid geheel verloederd is.

Wat heb ik daar mee te maken? Ik ben geen succesvolle Amerikaanse romanauteur, maar wel een moderne westerse man die zich rond de kersttijd afvraagt wat hij aan alledaags geluk heeft laten liggen in de jacht naar succes — zoiets?

Misschien. Maar ik ben ook een lezer, en een die enorm houdt van komedie die omslaat om tragedie, misschien wel het mooiste wat er in een boek kan gebeuren: een lach en een traan, in die volgorde. Zuckerman unbound is het boek dat rechtvaardigt dat Philip Roth Portnoy's Complaint schreef.

23.12.11

Karl Popper. The open society and its enemies. Princeton UniversityPress, 1971.

Boeken kun je om allerlei redenen lezen. Om de tijd te verdrijven. Om je blikveld te verbreden. Om ontroerd te raken. Maar het mooiste wat een boek kan bereiken is vast: dat het je wereld blijvend verandert.

The open society is wat mij betreft zo'n boek. Met een heleboel was ik het bij voorbaat al eens - bijvoorbeeld met de gedachte dat wetenschappelijke theorieën nooit meer kunnen zijn dan voorlopige benaderingen van de werkelijkheid - maar dat ik het ermee eens was komt misschien door de heilzame invloed die Popper op mijn eigen leraren gehad heeft.

Maar er waren ook een aantal punten waarop ik me door Popper heb laten overtuigen. Ik had bijvoorbeeld nog nooit eerder zo'n heldere uiteenzetting gelezen over waarom we wat er in de samenleving gebeurt, niet zonder meer kunt reduceren tot de psychologie van de individuele leden van die samenleving (net zo min als je per ze die psychologie kunt reduceren tot de neuronen van het individu).

Een ander punt waarop ik me heb laten overtuigen is dat je eigenlijk geen hooggestemde idealen moet hebben, in de politiek noch in bijvoorbeeld het onderwijs. In het eerste geval is het beter om te proberen zoveel mogelijk leed en ellende op te lossen en te voorkomen. En ook in het tweede geval is het al moeilijk genoeg om zo min mogelijk leed aan te richten bij de jonge eisen die onder je hoede zijn om een en ander ook nog eens te laten verpesten door de wens om hun 'persoonlijkheid volledig te ontplooien'.

Ik wil niet zeggen dat ik het tot vorige week met deze stellingen oneens ben geweest. Ik wil alleen zeggen dat ik ze voortaan in discussies actief zal verdedigen.

Het meest heb ik geleerd en genoten van de toon van het book: het persistent insisteren op rationaliteit, het voortdurend proberen om andermans én je eigen argumentatie zo veel mogelijk aan de oppervlakte te brengen en kritisch te bezien, het gevoel dat je krijgt dat je nergens voor moet terugdeinzen, al is het maar omdat je als individu toch nooit de waarheid in pacht kunt hebben, omdat de waarheid altijd alleen maar in samenspraak en kritisch debat aan de oppervlakte benaderd kan worden.

Ik heb het idee dat Popper langzaam maar zeker in de vergetelheid raakt. Dat komt misschien door zijn radicale afkeer van alle charisma. Hij is nog wel bekend om zijn wetenschapsopvatting, al wordt ook deze geloof ik door sommigen als 'achterhaald' beschouwd (zonder dat duidelijk wordt waardoor het dan precies achterhaald zou zijn). Mij lijkt hij ook als politiek denker, en zelfs als denker over moraliteit, nog altijd van groot belang.

18.12.11

Rob Wilson en Rhena Branch. Cognitive Behavioural Therapy for Dummies. Sussex: John Wiley and Son, 2006.

Wat is de mens toch een wonderlijk wezen. Hoe moet je gelukkig worden? Je moet gezond eten, voldoende bewegen, vrienden maken, creatief zijn, zorgen dat je huis aan kant is, jezelf doelen stellen die ambitieus én haalbaar zijn. En er moet genoeg te lachen zijn.

Dat zijn enkele van de lessen van de cognitieve gedragstherapie, een populaire moderne psychologische therapievorm. Althans volgens het boek 'voor domoren' dat ik erover gelezen heb, of om nog preciezer te zijn: volgens de cheatsheet die er voorin zit.

Ligt dat allemaal voor de hand? Natuurlijk. Is het moeilijk om te doen? Natuurlijk niet. Waarom is dan niet iedereen gelukkig, of in ieder geval gelukkiger? Dat is een van de raadsels van het menselijke bestaan.

Ik heb mijn levenlang een grote afkeer gehad van psychologen — mensen die pretenderen dat ze de menselijke geest kunnen repareren alsof het een apparaatje is. Die weten dat er achter iedere neurose een problematische relatie met je ouders zit, en dat je daar dan a raison van 150 euro per uur voor een paar honderd uur aan moet werken.

Cognitieve gedragstherapie (of CBT) lijkt dan veel sympathieker, bijvoorbeeld omdat het veel nuchterder is: cognitieve gedragstherapeuten pretenderen niet dat ze alles weten of begrijpen, maar reiken een aantal beproefde technieken aan die meestal werken. Wat dat betreft lijken ze dus meer op gewone artsen, die ook helemaal niet per se pretenderen dat ze het menselijk lichaam doorgronden — ze weten alleen wat voor medicijnen er door het wetenschappelijk onderzoek heengekomen zijn.

De methode van CBT is bovendien zelf ook sterk empirisch: je wordt uitgenodigd op een rijtje te zetten waarom je, bijvoorbeeld, onredelijk boos wordt, of angstig, of geagiteerd. CBT gaat ervanuit dat die emoties mede veroorzaakt worden door een bepaald geloof over jezelf of over anderen dat je hebt (laten we zeggen: 'ik doe alles altijd verkeerd') en degene die de therapie doet wordt uitgenodigd om experimenten te bedenken om dat geloof in de praktijk te testen.

Dat het zo nuchter is, is natuurlijk heel prettig. Als therapie lijkt het me prettig — mocht ik me de komende jaren onder behandeling stellen, dan zal ik zeker naar CBT vragen. Als theorie is het minder bevredigend (er is eigenlijk geen theorie, alles wat werkt wordt aangeroepen), al roept het wel allerlei interessante vragen op. Wat zegt het over de mens dat hij gemiddeld genomen gelukkiger wordt als hij actief en creatief is? Hoe kan het toch dat een mens zijn eigen gevoelens kan beïnvloeden, als hij er maar zin in heeft? En: als dit allemaal echt werkt, moet CBT dan niet onverwijld een verplicht schoolvak worden?

11.12.11

Graham Greene. The end of the affair. Random House, 2010 (1951).

The end of the affair is doortrokken van nostalgie naar jaren die in bijna alle opzichten de erschrikkelijkste waren die Europa ooit heeft meegemaakt: de vroege jaren veertig. Je zal in die jaren maar verliefd zijn geweest op een getrouwd vrouw, je zal in die jaren maar een Londense getrouwde vrouw zijn geweest, verliefd op een ander en zoekend naar God. En je zal bij dat alles, man of vrouw, dan ook nog eens zo tekort schieten dat je wel liefde wil, maar deze niet echt kunt bereiken? Dat je als man een privé-detective achter je ex-minnares moet sturen, zogenaamd om haar man te helpen, maar eigenlijk omdat dit de enige manier is om haar te bereiken? Dat je als vrouw via een prediker van het atheïsme je achter God moet verschuilen omdat je de echte mannen niet aankunt?

Op het internet staat een mooie psychologische analyse van het roman, door twee Nederlandse psychiaters (van wie er een ook Nederlands gestudeerd heeft). Ze maken vooral veel duidelijk over Sarah, de vrouw. Haar moeder heeft na de dood van vader een lange rij minnaars versleten en Sarah heeft zich daardoor nooit aan een echte vader kunnen hechten. Vandaar dat ze zich nu ook niet aan een eigen minnaar hechten kan, terwijl ze wel naar een vader, nee, een Vader blijft hechten.

Wat de psychiaters over Bendrix, de minnaar, te zeggen hebben, vind ik minder overtuigend, maar anderzijds: terwijl ik The end of the affair las, verplaatste ik me veel meer in Bendrix en zag Sarah eigenlijk alleen als het object van liefde en verlangen en nostalgie en woede. Zoals er ook over Henry, de echtgenoot, die het allemaal maar laat gebeuren en na Sarahs dood zelfs Bendrix in huis neemt, vast psychologisch nog veel meer te spitten valt. Waarom verstopt hij zich in het werk? Waarom wil hij ook na haar dood nooit meer een nieuwe vrouw?

Dat is het prachtige van The end of the affair: niet de stijl, niet de religieuze boodschap, maar de psychologie, de enorme kluwen menselijke gevoelens en menselijke verhoudingen die Greene in een betrekkelijk kort bestek presenteert. Waarbij het mooiste misschien nog wel is: dat de katholieke schrijver zelf een conclusie lijkt te trekken (hoe je ook worstelt, je komt om God niet heen) die je als lezer helemaal niet hoeft te delen. Dan raak je volgens mij aan de waarheid: iedereen kan er op zijn eigen manier tegenaan kijken, er is niet één juiste interpretatie van de voorgestelde scènes.

9.12.11

Ramsey Nasr. Mijn nieuwe vaderland. Gedichten van crisis en angst. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011.

Ramsey Nasr is sinds een paar jaar de Dichter des Vaderlands. Ik heb hem weleens voor horen dragen en af en toe een gedicht in de NRC gelezen, maar deze bundel was de eerste van hem waar ik me in verdiept heb. Hij blijkt in zijn titel vooral het stuk 'Vaderland' heel serieus te nemen.

De vraag is of dat wel echt kan bestaan, een Dichter des Vaderlands. Toen Gerrit Komrij de waardigheid als eerste Nederlander bekleedde, in januari 2000, kon je de naam nog makkelijk als ironisch begrijpen: we leefden nog in een tijd van groot optimisme en een daarmee samenhangende distantie van kwesties als de nationale identiteit.

Dat kan kennelijk inmiddels niet meer. Die nationale identiteit is inmiddels een van de belangrijkste zaken die er zijn, als je de moderne politici mag geloven. Het Vaderland is weer uiterst gewichtig geworden.

Tegelijkertijd trekt dat Vaderland zich maar weinig aan van de dichters, bundels worden niet meer gekocht en tijdschriften worden afgeschaft. Omgekeerd laten de dichters zich ook nog steeds niet veel aan dat vaderland gelegen liggen, wat zouden ze ook, ze zijn toch zeker Horatius niet! Die had nog de dichterlijke taal om dit soort openbare zaken te bezingen, daar is de dichtkunst eigenlijk al eeuwenlang van afgedreven.

Nasr is maatschappelijk betrokken en verontrust door wat er in deze jaren allemaal overal om ons heen gebeurd. Dat is niet zo gek, dat is te prijzen. Het levert misschien vooral gelegenheidsgedichten op, maar je kunt zeggen dat dit ook precies is wat we verwachten van onze Dichter des Vaderlands. Het vreemde vind ik echter dat hij het allemaal zo nationaal ziet, zo als een crisis die zich speciaal binnen de landsgrenzen van Nederland afspeelt. "ik leef in en land / waar de dierenvriend besluit / uit goedheid een andere mens neer te knallen" schrijft hij dan, en: "ik leef in een land / waar de vrome gelovige besluit / uit eerbied het mes in de ketter te planten". Dat zijn allebei naar mijn smaak tamelijk zouteloze beschrijvingen van wat er met Fortuyn en Van Gogh gebeurd is, maar vooral: er wordt net gedaan alsof dit alles iets vreselijk naars is van Nederland, dat speciaal ons land onderscheidt van andere landen. Dat geklaag, dat oprechte gekanker op het eigen land, is volgens mij net zo oud en belegen als het nationalisme zelf.

Ik voel me geloof ik te weinig verbonden met 'het eigen land' om me over dit soort kwesties meer op te winden dan over de Noor Breivik.

Het best is Nasr als hij dat getob over het Vaderland laat voor wat het is en durf om gewoon en alleen maar Dichter te zijn. In zijn cyclus over het schilderij De dame met de weegschaal van Vermeer bijvoorbeeld:

Enkel de bezoekers veranderen. Zij verplaatsen nu en dan de organen
staan stil in hun gesloten systeem van verf en marterharen
openen het raam, spelen luit of gitaar, lezen brieven, scheken melk
of staan bijna levendbarend in de Hollandse kamer.
Zoals deze dame.

S.J. Watson. Voor ik ga slapen. Amsterdam: Anthos, 2011.

Vertaling: Caecile de Hoog

Ik heb geen principes als ik lees. Zojuist heb ik zojuist voor het eerst het label 'thriller' aangemaakt voor dit bericht op mijn weblog. Omdat ik al jarenlang nauwkeurig ieder boek dat ik uitgelezen heb hier beschrijf, kan ik toch wel concluderen dat ik zelden thrillers lees. Maar dat is niet omdat ik een principieel bezwaar heb tegen zulke boeken: ze interesseren me alleen kennelijk niet genoeg om er vaak naar één te grijpen.

Met Voor ik ga slapen was dat om twee redenen anders. In de eerste plaats: het werd een paar weken geleden om niet helemaal duidelijke redenen (reclame? menslievendheid?) gratis aangeboden op de website van de NRC. In de tweede plaats gaat het over een onderwerp dat mij enorm interesseert: het geheugen.

Het verhaal is voor een deel geïnspireerd door het lot van Clive Wearing, de Britse musicus die geen enkele herinnering meer opslaat en daardoor voortdurend het gevoel heeft dat hij nu net wakker geworden is en eindelijk weer echt leeft. Christine, de hoofdpersoon van dit verhaal, is ook ooit door een dergelijke fase heengegaan, maar heeft inmiddels een iets andere vorm van die conditie: haar herinneringen blijven de hele dag bestaan, maar 's ochtends wordt ze weer wakker en is ze alles van de voorafgaande twintig jaar vergeten. Is de man naast wie ze wakker wordt, echt haar echtgenoot, zoals ze beweert? En heeft ze een zoon, die ze vervolgens zonder het te weten in Afghanistan verloren heeft? Waarom laat haar beste vriendin nooit meer iets van haar horen? En de arts die haar in het geheim behandelt en haar uiteindelijk aanraadt om een dagboek bij te houden, is die wel te vertrouwen? Gaandeweg komt Christine er door haar geheime dagboek achter dat niet iedereen de waarheid tegen haar zegt.

Ik ben al decennia geïnteresseerd in het lod van Clive Wearing: hoe is het om zonder geheugen te leven? En sowieso vind ik dat hele fenomeen geheugen waanzinnig interessant: hoe is dat toch mogelijk, dat je je ogen sluit en ineens weer met je eerste vriendinnetje door de polder wandelt (of nou ja, zo is het eigenlijk ook weer niet precies, maar dat je in ieder geval allerlei details weer weet). Het aardige van deze verhaalvorm is bovendien dat je als lezer echt letterlijk precies zoveel weet als de hoofdpersoon — je krijgt alles te weten uit het dagboek van Christine, net zoals zijzelf iedere dag weer leert wat er eerder gebeurd is uit datzelfde dagboek. In zekere zin gaat Voor ik ga slapen dus ook over lezen, over hoe je een werkelijkheid opbouwt uit de woorden die er voor je staan — op zich ook alweer zo'n wonderlijk verschijnsel, als je erover nadenkt.

Over lezen gesproken: Voor ik ga slapen was voor mij een echte pageturner. Ik zat de afgelopen dagen heel veel achterin taxis en in vliegtuigen, en heb het boek op mijn iPhone gelezen, omdat ik in de eerste taxi vergeten was om iets anders te lezen uit mijn tas in de kofferbak te halen. Het boek had op de iPhone bijna 2000 'bladzijden', in het letterformaat dat ik gekozen had. Ik heb ze allemaal ademloos omgeslagen. Het kan dus wel, met thrillers.

5.12.11

Jeroen Brouwers. Mijn Vlaamse jaren. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1978.

Deze week bestaat het Vlaamse tijdschrift Over taal vijftig jaar en ik ga daarom in Gent iets vertellen over hoe er in Nederland vijftig jaar lang naar de taal in Vlaanderen gekeken is. Ter voorbereiding daarop las ik Jeroen Brouwers.

Dat viel niet mee.

In de jaren zestig en zeventig bestond er nog geen internet. Wat moest men toen met de sentimenten die je nu overal in het commentaar-doosje onder willekeurig welk artikel kwijt kan? Men noemde die polemiek en publiceerde hem in kranten of bij De Arbeiderspers. Zowel schrijver als lezer kregen dan het prettige gevoel dat er iemand eens even flink de waarheid werd gezegd, zonder dat de aanleiding nu verder zo vreselijk belangrijk was. Bovendien: het was 'mooi' opgeschreven, en dus diende je ook nog een hoger cultureel doel met je leedvermaak.

De eerste twee delen van Mijn Vlaamse jaren ('Groetjes uit Brussel' en 'Zonder trommels en trompetten') zijn nog saai, al bieden ze een aardig inkijkje in de geest van de polemist: iemand die in de jaren zestig in Brussel rondloopt en helemaal gedrenkt is in de literatuur: kijk, op deze hoek rookte Elschot een sigaretje, en daar haalde Greshoff zijn neus op, en Siegfried van Praag woont hier om de hoek, al heb ik hem nog nooit ontmoet. Wat is dat voor geestesgesteldheid - dat je van literatuur houdt, maar alleen van Nederlandse literatuur? Over een schrijver in enige buitenlandse taal hoor je hem niet, vol als hij is van Ter Braak en Du Perron en Hermans en Mulisch.

Wie in zo'n klein wereldje leeft, moet het op zeker moment ook wel benauwd krijgen. Dat gebeurt dan ook tien jaar later, als Brouwers flink om zich heen begint te meppen in een 'pamflet' tegen Julius Weverbergh, uitgever en schrijver. Brouwers werkte jarenlang voor hem; zijn werk was kennelijk om het Nederlands van Vlaamse schrijvers te corrigeren. Dit is ook meteen zo'n beetje de polemische strekking van het geschrift: dat Vlaamse schrijvers kennelijk gecorrigeerd moeten worden.

Waarom dit zo vreselijk erg is, wordt niet toegelicht. Zelfs als Brouwers niet overdrijft, en hele stukken door redacteuren herschreven moeten worden, is niet meteen duidelijk wie daar dan precies het slachtoffer van is. De lezers hebben een mooi boek, dat ze lekker kunnen lezen. Als dit mooie boeken opleverde, wie maalt daar dan om? Hooguit kan degene die herschreven heeft, zich miskend voelen omdat zijn naam niet op de kaft staat. Als ik het goed zie was dat voor Brouwers ook het grote probleem, dat Jos Vandeloo bejubeld werd, en hij niet.

Maar als ik ook even gemeen mag zijn: volgens mij had Brouwers beter herschrijver kunnen blijven. Voor zover ik zijn werk ken, is hij typisch iemand voor zo'n positie: veel inhoud heeft hij niet, maar hij kan wel alles wat er gezegd moet worden op twintig verschillende manieren opschrijven. Dat laat hij onder andere in dit boek zijn: het zijn allemaal stijloefeningen, dan weer eens een passage van Multatuli, dan weer een van Hermans. Dat gecombineerd met de inhoud van, pakweg, Jos Vandeloo, had heel veel mooie boeken moeten opleveren. Helaas heeft Brouwers zijn talent vermorst doordat hij zijn eigen naam zo graag ook op de kaft van boeken wilde zien verschijnen.

Had het internet in de jaren zeventig al bestaan, dan had Brouwers gewoon voor Weverbergh kunnen blijven werken, om zich 's avonds anoniem uit te leven op zijn eigen weblog, of dat van iemand anders.

4.12.11

Peter d'Hamecourt. Vladimir Poetin. Het koningsdrama. Schoorl: Conserve, 2011.

Wie is de man toch die in Rusland nu al bijna twaalf jaar aan de macht is, en zich opmaakt om vandaag (met de verkiezingen voor de Doema) een nieuwe periode van nog eens twaalf jaar in te luiden die dan volgend jaar zou moeten beginnen? Wat drijft hem? Je weet het niet, en je komt er ook niet echt achter als je Peter d'Hamecourts informatieve boek Vladimir Poetin. Het koningsdrama leest.

D'Hamecourt heeft, zonder overdrijving, geen goed woord over voor Poetin, maar eigenlijk ook niet heel veel slechte woorden. Ja, 'onbeschaafd' en 'meedogenloos', en vooral dat laatste is natuurlijk al erg genoeg voor de leider van een land. Verder duikt het beeld op van een man die weinig opheeft met het gedoe van democratie, die gemakkelijk is in de dagelijkse omgang, die van mooie kleren houdt. Maar wat drijft hem dan? Waarom wil hij zo graag zo absurd veel macht hebben? Ik krijg niet de indruk dat hij nu persoonlijk enorm bloeddorstig is - hij is toch vooral enigszins nietszeggend, eerder een pion in iemand anders' schaakspel.

Maar misschien is dat wel zijn grootste talent. D'Hamecourt beschrijft bijvoorbeeld hoe Poetin vorig jaar bij de grote bosbranden op zeker moment op de tv verschijnt om zogenaamd achter de stuurknuppel van een blusvliegtuigje plaats te nemen — iets wat hij officieel niet eens mag, omdat hij geen vliegbrevet heeft. Naast hem zit de echte piloot net te doen of hij vol bewondering is voor de heldenmoed van de premier. Je denkt dan: zo gaat het in de rest van Poetins leven ook wel, hij is de onbenul die door de piloten naar voren wordt geschoven om in beeld aan het stuur te gaan zitten. Maar de échte Macchiavelliaanse machthebber is natuurlijk degene die zichzelf op die manier naar voren schuift als degene die de macht alleen maar in handen lijkt te hebben, terwijl hij dat in werkelijkheid ook echt heeft.

Bitter is D'Hamecourt, bitter en woedend, zoals waarschijnlijk iedereen zou worden die de situatie in dat prachtige land al zo lang van nabij bekijkt. Zijn woede stijgt gaandeweg in het boek, dat min of meer chronologisch de opkomst van Poetin beschrijft, en dat komt zijn stijl eerlijk gezegd ten goede. In het begin is het af en toe nog wat rommelig, en moeilijk om precies te volgen, maar na een paar hoofdstukken wordt het allemaal strakker en begin je te delen in de verontwaardiging.

Wat mij betreft mag die ook nog worden uitgestrekt naar de vele politieke vrienden die Poetin in het Westen gemaakt heeft: Berlusconi, Bush, maar vooraan op het lijstje vooral: Gerhard Schröder, de voormalige Duitse bondskanselier die volgens d'Hamecourt zakelijk betrokken is bij het Poetin-concern. Daar had ik graag wel meer over willen lezen, want op zo'n moment komt het voor mij - als erg Westerse lezer - wel heel erg dichtbij en begint mijn bloed bijna net zo wild te koken als wanneer ik lees over de schandalige manier waarop Poetin de gijzeling in Beslan oploste en daarbij duidelijker het belang van de Russische staat voor ogen had dan die van de schoolkindertjes die gevangen zaten.

Het grote probleem in Rusland is, volgens d'Hamecourt, het ontbreken van een burgerlijke maatschappij. De gemiddelde Rus kan het te weinig schelen, of is te weinig georganiseerd, of in het algemeen te wanhopig, om zich teweer te stellen tegen de boevenbende die hem regeert. Tegelijkertijd: wie weet wat die bende gaat doen als het niet langer voldoende blijkt om een schijndemocratie op te houden en zwaarder middelen nodig blijken? Als je Een koningsdrama gelezen hebt, kun je alleen maar hopen dat de beschaving dan toch wint.

2.12.11

Robert Alter. The Five Books of Moses. New York / London: W.H. Norton, 2004.

Van de 'vijf boeken van Mozes' — het begin van de bijbel, de Pentateuch, de Torah — had ik alleen Genesis ooit helemaal gelezen. En dat dan meteen een paar keer, want Genesis, dat is voor mij het oude testament: vol wonderlijke verhalen over een tijd dat de gehele mensheid nog één familie is, die opgroeit in een wonderlijk verbond met een God die zij niet hebben uitgekozen maar die hen omgekeerd 'verkoren' heeft. De andere vier boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, had ik nooit helemaal uitgelezen: te taai, met al die regels, die eindeloze beschouwing over hoe het Tabernakel volgens God gemaakt moet worden en daarna hoe het door de Joden wordt gemaakt (precies zoals God zei dat het moest).

Wel kocht ik een jaar of zes geleden via internet deze Amerikaanse vertaling, die toen net verschenen was, omdat hij me ideaal leek: gemaakt door een echte geleerde, iemand die uitstekend Hebreeuws lijkt te kennen en tegelijkertijd een letterkundige is.

En dan nog heeft het boek zeven jaar in de kast gestaan.

Af en toe keek ik ernaar en dacht: ooit haal ik jou uit je luxe-cassette. Tot het vorige maand ineens zover was. Ik kan niet eens goed zeggen waarom, maar ik zag The Five Books of Moses staan en heb nu de ruim duizend pagina's doorgelezen.

Deze editie bestaat vooral uit voetnoten: over het algemeen nemen die meer dan de helft van iedere bladzijde in beslag. In zekere zin bestaat hij zelfs helemaal uit voetnoten, want de vertaling is ook een soort voetnoot. Alter is zo verrukt over het oorspronkelijke Hebreeuws, dat hij er nooit te ver van wil afwijken. Als de bijbel verschillende woorden gebruikt voor seksuele gemeenschap met een slavin dan met een vrouw of met iemand met wie een man het voor het eerst doet, zoekt Alter ook naar dat soort woorden. Als er een woordspeling wordt gemaakt, wat zonder humoristische intenties nogal vaak gebeurt, probeert Alter die woordspeling ook te maken. Dat zorgt ervoor dat het Engels soms tamelijk vreemd wordt, een soort Hebreeuws met Engelse woorden.

Maar dat is eigenlijk wel zo prettig. De wereld van Mozes en zijn boeken is ons in de eenentwintigste eeuw onherroepelijk vreemd. Wat al die wetten en geboden nou moeten, ik geloof dat we daar nooit meer achter zullen komen. Waarom God gaandeweg in deze boeken verandert van iemand die nog tamelijk goedmoedig de mens schept tot een woedend en naijverig heerser over het volk dat hij veertig jaar in een betrekkelijk kleine woestijn laat rondzwerven — het zal wel voor altijd in duisternis gehuld zijn. Een zogenaamd toegankelijke vertaling helpt daarbij niets; de taal is zeker niet de enige belemmering, en misschien niet eens de grootste, bij het benaderen van dit document uit lang lang vervlogen tijden.

Heeft het me verrijkt dat ik de vijf boeken van Mozes nu gelezen heb (waarbij ik eerlijk gezegd sommige van die gedetailleerde passages toch tamelijk snel ben doorgevlogen)? Wie zal het weten? Ik geloof dat ik in ieder geval het monotheïstische geloof wat beter begrijp, het Joodse vooral, de wanhopige worsteling met een God die helemaal niet onvoorwaardelijk van je houdt, maar eisen stelt, je voortdurend beproeft met af en toe zeer wreed lijkende eisen. En door de vertaling van Alter heb ik bijna Hebreeuws kunnen lezen, dat had ik ook niet willen missen.