22.10.12

Philip Roth. Deception. Brilliance Audio, 2009 (1990).

Als Philip Roth ooit een boek heeft geschreven dat een luisterboek moest worden, dan was het Deception: het boek bestaat geheel en al uit dialogen van een Amerikaanse schrijver (Philip) die in Londen woont. Meestal spreekt hij met zijn minnares tijdens hun geheime afspraakjes, maar er zijn ook wat gesprekken met andere minnaressen, met zijn vrouw en met een jaloerse man die hem ervan verdenkt iets met zijn vrouw te hebben.

Die dialogen worden hier prachtig uitgesproken door twee acteurs, een man en een vrouw. Het boek is niet erg dik, het is een van de kortere werken, uit een periode vlak voordat Roth zich met enkele grote en beroemde boeken definitief als een heel belangrijke schrijver zou leren kennen. Deception stamt uit een periode waarvan ik dacht dat ik niet zoveel hield.

Ik had het mis: wat een mooie, melancholische studie van het menselijk bedrog en uiteindelijk toch ook van de liefde is dit boek.

In recensies op het internet wordt wel gezegd dat een sterk punt van het boek is dat je soms niet meer weet of nu de man of de vrouw aan het woord is. Wanneer dat een kracht is van de geschreven tekst, gaat het verloren in deze audio-versie. Daar staat tegenover dat in deze audioversie de Amerikaanse actrice erg nadrukkelijk de Britse, Tsjechische en Poolse accenten van de verschillende minnaressen imiteert. In het begin was dat irritant, maar gaandeweg ontdek je dat je zo niet vergeet dat het misschien wel één vrouw is die met één man praat en met hem speelt – er wordt een nieuw niveau van menselijk bedrog gesuggereerd.

Wij mensen kunnen niet veel meer doen dan elkaar bedriegen – om iets te doen te hebben, om te spelen en om de gevolgen van dat spel niet al te hard te laten zijn.

21.10.12

Guus Kuijer. De bijbel voor ongelovigen. Het begin. Genesis. Amsterdam: Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2012.

Is het nodig, dat er een aparte bijbel komt voor ongelovigen? Natuurlijk niet. Er zijn al zoveel bijbels, en je hoeft niet eerst gedoopt te zijn om die te kunnen kopen en lezen. Sterker nog, er zullen in Nederland niet heel veel mensen zijn die nog letterlijk geloven wat er in Genesis wordt verteld.

Maar tegelijkertijd kan de bijbel niet vaak genoeg worden naverteld – vooral als dat met het vertelplezier en de schwung van Guus Kuijer gebeurt. Iedere verteller voegt weer iets nieuws toe, buigt het verhaal weer naar zichzelf toe, zoals Kuijer ook verschillende van zijn vertellers laat benadrukken.

Kuijer heeft vertellers gekozen die over het algemeen wat buiten de grote lijnen stonden (Sara, de vrouw van Abraham; Benjamin, de zoon van Jakob; de eeuwige outsider Isaak). In zijn versie zijn het ook degenen die het geloof van de echt drijvende krachten van wat afstand bezien. Zo vertelt Cham, de zoon van Noach, het verhaal van zijn vader als het verhaal van een halve godsdienstwaanzinnige die bijna even wreed is als de wrede God die hij geprojecteerd heeft. "Het drong tot me door dat de mensen willoos aan de goden waren overgeleverd, dat ze bezeten waren, dat ze niet in staat waren zich te verweren."

Tegelijkertijd is De bijbel geen atheïstisch traktaat geworden. Daarvoor zijn de verwondering over en zelfs een soort bewondering voor die onbegrijpelijke menselijke eigenschap – het geloof – te groot. De kern van Kuijers interpretatie is misschien wel de scene waarin Jakob een nacht lang worstelt met God. Dat gevecht, dat harde, bittere, maar gelijke gevecht tussen mens en God, wordt in groot detail en met smaak beschreven.

En tegelijk is er ook nog de humor. Zo herhaalt Kuijer af en toe de lijstjes van namen die je in de bijbel zo vaak tegenkomt (die van 'X gewon Y en Y gewon Z en Z gewon...' of van de broers van die en de kleinkinderen van die). Kuijer laat zijn vertellers dan zo'n lijstje geven en opmerken: "Ik zou het op prijs stellen wanneer u deze namen uit uw hoofd leerde opzeggen, ook in omgekeerde volgorde."

15.10.12

Florian Zeller. La jouissance. Paris: Gallimard, 2012.

Zie hier de ingrediënten voor een Franse moderne roman: de hoofdrolspelers bewonen een appartement in het centrum van Parijs. Ze hebben een semi-artistiek beroep. Ze klagen over de stand van de moderne Franse literatuur. Zodra je ze alleen laat, geven ze zich over aan orale seks.

La jouissance van Florian Zeller voldoet precies aan alle eisen. De ingrediënten komen er keurig in voor. Het boek gaat over de tot mislukking gedoemde relatie tussen twee dertigers – tot mislukking gedoemd omdat ze niet echt van elkaar houden. Er wordt een parallel geschetst met Europa: de relatie tussen Frankrijk en Duitsland is ook zo (ik weet niet precies wat de parallel van de orale seks is). Op die manier wordt dan in ieder geval de illusie geschapen van iets meer diepte – het boek gaat ook nog echt over 'onze tijd'. De baas van de vrouwelijke hoofdpersoon zegt zelfs ergens dat Europa binnenkort tot de derde wereld gaat horen, dus er ligt zelfs verdoemenis over het boek.

Ik geloof dat Zeller in Frankrijk bekend is van de tv. Ik hoop het maar, dat zou in ieder geval iets verklaren over waarom Gallimard het heeft willen uitgeven. Er zit kraak nog smaak aan zijn proza, er gebeurt weinig. Er is één running gag, namelijk dat van iedere persoon wordt gezegd waar hij vandaan komt. Picasso (Spanje) – dat werk.

13.10.12

Julian Barnes. Flaubert's Parrot. Knopf, 1985.

Wat is het toch fijn om een lezer te zijn! Af en toe ontdek je ineens een heel nieuwe schrijver: zo een die al een groot oeuvre geschreven heeft en nog vorig jaar een intrigerend nieuw boek geschreven heeft.

Julian Barnes bijvoorbeeld. Vorige week las ik zijn intrigerende The sense of an ending. Ik geloof dat ik aan zijn beroemdste boek Flaubert's parrot begonnen ben om nog iets meer te kunnen begrijpen van The sense. Maar dankzij de papagaai ben ik meteen begrepen.

Hoe kun je een biografie schrijven van Gustave Flaubert, de schrijver die het werk ver voor de persoonlijkheid stelde? Hoe kun je zelfs in zo iemand geïnteresseerd zijn? Dat kun je eigenlijk niet, althans niet als persoon van vlees en bloed. De enige die in zo iemand geïnteresseerd mag zijn is een verzonnen personage. Zoals Geoffrey Braithwaite, de 'hoofdpersoon' van Flaubert's Parrot, wanneer je dat boek tenminste als een roman wil lezen.

Braithwaite denkt veel over de naam van Flaubert na, bijvoorbeeld over het feit dat de naam eindigt op het Engelse bear. Is het daarom overdreven om te denken dat Geoffrey ook kan worden geschreven als Jeffrey. In welk geval de initialen van deze knorrige dokter JB zijn? Terwijl je Julian zou kunnen lezen als Giulian – in welk geval de jonge auteur de initialen GB zou hebben gehad? Gustave Bear?

Nou ja, dat is een spelletje waarvan je kunt begrijpen dat Barnes het niet zo aan de oppervlakte gebracht heeft – leuk genoeg voor in het hoofd van de lezer, maar niet als het expliciet gemaakt wordt.

Waar Flaubert's parrot voor gezorgd heeft: dat ik niet alleen nóg meer van Julian Barnes weer wil lezen, maar dat ik ook weer eens wat wil lezen van de grote negentiende-eeuwse Franse beer.

9.10.12

Howard Jacobson. Zoo Time.

Guy Ableman is een schrijver in een tijd waarin uitgevers al in paniek raken als ze een schrijver zien aankomen – bang dat hij misschien wel eens een goed boek geschreven zou kunnen hebben. Dat ze dan moeten uitgeven, terwijl niemand het meer wil hebben.

Het is niet zijn enige probleem. Een ander is dat hij verliefd is op, of in ieder geval verlangt naar, zijn schoonmoeder, Polly, die nooit een boek gelezen heeft.

Zoo Time is een satire op de moderne letterkundige wereld, waarin er veel te veel schrijvers zijn, en eigenlijk nauwelijks nog lezers. De paar lezers die Ableman tegenkomt, lijken alleen maar te lezen om de schrijver tijdens een literaire avond onder de neus te kunnen drukken wat een hekel ze eigenlijk aan zijn schrijfstijl en zijn onderwerpen hebben. Bijna iedereen in het vak gaat eraan onderdoor, verschillende agenten plegen op een krankjoreme manier zelfmoord en worden vervangen door jonge dingen die nog bij Ableman op schoot gezeten hebben. Zijn vrouw schrijft vervolgens een boek over haar relatie met haar moeder, en loopt dan bij hem weg. Uiteindelijk overleeft ook Ableman alleen maar door onder de naam Guido Cretino zoetsappige boeken te schrijven over geweldige, prachtige, sterke vrouwen – kortom, boeken waarover de lezeressen zich verbazen: hoe kan een man zich zo inleven in een vrouw?

Ik was Zoo Time vooral gaan lezen omdat ik op de radio Nausicaa Marbe zeer enthousiast over het boek had horen vertellen. Ze struikelde over haar woorden, zo prachtig vond ze het allemaal. Welnu, ik zou niet zo over mijn woorden struikelen. Het is best een aardig boek, Zoo Time, maar heel grappig is het niet – en hoewel ik geloof ik nog nooit een boek heb gelezen over de instortende literaire wereld, had ik tegelijk het gevoel dat ik het allemaal weleens gehoord had. Jawel, niemand leest meer. En wat dan nog?

8.10.12

Richard Millet. Langue fantôme. Suivie d'Éloge litteraire de Anders Breivik. Pierre-Guillaume de Roux Éditions, 2012

De uitgever Richard Millet heeft in Frankrijk voor enorme ophef gezorgd met zijn pamflet Langue fantôme. Suivie d'Éloge litteraire de Anders Breivik. Dat komt vooral door het tweede deel, een stuk van een pagina of tien waarin hij Anders Breivik verdedigt als een soort kunstenaar, die weliswaar iets vreselijks gedaan heeft, maar dat wel op een perfecte manier heeft uitgevoerd. Inmiddels heeft Millet moeten opstappen bij zijn werkgever, Gallimard, en is hij ook anderszins van alle kanten aangevallen.

Ik moet zeggen dat het mij wel terecht lijkt dat Millet bij Gallimard moest opstappen. Hoe kan iemand zulk verward hysterisch gekrijs op papier brengt ooit een goed boek herkennen als hij het moet uitgeven?

En dan heb ik het nog niet eens over die verdediging van Breivik, want die staat achterin het boek, en toen toeterden mijn oren al behoorlijk van al het geroep over de vreselijk treurige, derdewereldstaat waar het Frans in is geraakt, door toedoen van allerlei buitenlanders die Franse romans zijn gaan schrijven en Franse schrijvers die trouwens ook niet veel soeps zijn.

Die gedachte dat een taal eigenlijk gemaakt wordt door de schrijvers in die taal, is nog wel interessant. Hij is heel erg Frans – geen Nederlandse schrijver zou dat serieus zeggen en geen Engelse of Duitse schrijver ook – en vooral in dit geval, waarin het gaat om het verval van een taal, niet erg productief. Bovendien kan ik me bij de klacht over de moderne Franse literatuur nog wel iets voorstellen. Ik lees misschien maar twee of drie moderne Franse boeken per jaar, maar dat komt onder andere toch ook wel doordat wat ik wel lees me maar matig bevalt: vaak is het vooral veel geneuzel over vreselijk ingewikkelde relaties. En soms is het dus hysterisch geschreeuw.

Ook Millet toont zich dus een soort achterlijk halfbroertje van Céline, dat vooral kan krijsen waar de grote broer nog weleens machtig brulde (en misschien toch ook nog wel wat misdadiger was dan het kleine krijsende broertje).

Richard Millet, een naam om even snel weer te vergeten als de mensen die hij aanvalt.

7.10.12

Julian Barnes. The Sense of an Ending. Audiobooks, 2011.

Wat veel lezers van The sense of an ending lijkt te overkomen: nadat ik het boek uitgelezen had, begon ik meteen opnieuw. Ik heb nog nooit een boek tweemaal onmiddellijk achter elkaar gelezen (of beluisterd, maar dat maakt geen verschil).

Wat gebeurt daar op het eind? Wat is dat voor een eind? Had je die niet veel eerder zien aankomen? En is die laatste draai wel echt de laatste? Zit er niet ergens in het verhaal een heel andere draai verstopt?

Het is nog sterker. Nu ik The sense of an ending uitheb, en het nog steeds niet weet (een beetje googlen brengt je op allerlei theorieën, maar er lijkt niemand te zijn die het echt allemaal sluitend weet te krijgen, er blijven altijd nog wel wat intrigerende draadjes hangen), ben ik zelfs andere boeken van Barnes gaan lezen. Om te beginnen zijn bekendste, Flaubert's Parrot – ook heel lezenswaard, ik zal er binnenkort wel  over schrijven, hier. In ieder geval staat er een beschouwing in over einden van romans, over hoe onnatuurlijk die zijn, en hoe het ook niet helpt om een boek te eindigen met twee verschillende eindes omdat het echte leven ook niet zo is: er zijn weliswaar allerlei mogelijke einden, maar je krijgt er toch maar een. Dus dat je eigenlijk de lezer moet dwingen om maar één einde te kiezen.

Mijn idee is dat het Barnes gelukt is om met The sense of an ending het perfecte einde te scheppen: er is maar één einde, maar je weet als lezer niet precies wat het is. Je moet meteen weer terug naar het begin om er beter achter te komen wat het einde nu precies is.

De stijl van het boek is ook prachtig, het staat vol zinnen die je niet snel vergeet en het wordt heel goed voorgelezen door Richard Morant: ik heb geloof ik één keer een raar accent gehoord, maar verder vertelt Morant het allemaal alsof het zo uit zijn eigen hoofd komt. Zou hij wel weten hoe The sense of an ending precies afloopt?