31.7.15

Jan Assmann. The Price of Monotheism. Stanford: Stanford University Press, 2010

Vertaling: Robert Savage

Wat deed het monotheïsme van Mozes en de joden en christenen (en moslims) onderscheiden van de 'kosmotheïstische' godsdiensten die ervoor kwamen? Volgens de Duitse egyptoloog Jan Assmann is het belangrijkste verschil niet: één god tegenover meerdere goden. Ook het Christendom heeft in zekere zin meerdere goden, ook de Egyptenaren en de Grieken dachten soms dat alle goden 'eigenlijk' verschijningsvormen waren van de Ene. Het ware verschil is: volgens het monotheïsme zijn er verkeerde, foute goden, zaken waarin je niet moet geloven, terwijl in kosmotheïstische godsdiensten je iedere vreemde god kunt accepteren.

Het is dat verschil dat zo'n enorme aversie over en weer heeft afgeroepen, volgens Assmann. Het monotheïsme is inherent intolerant tegenover andere goden, omdat die immers verkeerd zijn. Het kosmotheïsme voelt zich daar op zijn manier door bedreigd.

The Price of Monotheism is opgezet als een reactie op felle kritiek die Assmann kennelijk heeft gekregen op een eerder boek dat hij schreef over Mozes de Egyptenaar en waarin hij een soortgelijke stelling uiteenzette. Een beetje zoeken op internet leert dat die kritiek inderdaad niet mals was, ook niet op dit vervolg trouwens: zijn tegenstanders verweten hem bijvoorbeeld dat hij zegt dat de joden het antisemitisme zelf hebben opgeroepen. Mij lijkt dat een volkomen absurde kritiek: dat het eengodendom incompatibel is met meergodendom is evident, dat de 'uitvinders' van dat eengodendom dus in conflict komen met de meergodendommers ook, maar dat betekent natuurlijk nog niet dat ze duizenden jaren vervolging over zich afroepen. En ik zie ook niet dat Assmann dat beweert.

Met veel instemming las ik het hoofdstuk waarin Assmann het boek van Sigmund Freud, De man Mozes en het monotheïsme aanhaalt: dat boek is ook mij altijd bijgebleven als een in ieder geval heel vernuftige analyse van de uitvinding van het monotheïsme. Een bijgevolg van deze uitvinding was, volgens Freud én Assmann, dat het goddelijke en het wereldlijke uit elkaar getrokken werden. De goden zijn overal in de wereld, maar de Ene is in veel opzichten gescheiden van de wereld, Iets waar je als mens alleen naar kunt streven. Volgens Freud had dit – en bijvoorbeeld ook het verbod op het maken van afbeeldingen – enorm gunstige gevolgen voor het intellectuele leven, waarin de Joden voortrekkers waren.

Assmann is het daarmee eens, en ziet de opkomst van het monotheïsme als een stap die zelfs als we zouden willen niet meer kan worden teruggezet, maar het is interessant dat hij daarbij ook de nadelen van dat monotheïsme – de onverdraagzaamheid – naar voren brengt. Net zoals het interessant is dat we duizenden jaren na Exodus het onderliggende conflict nog steeds niet hebben opgelost.


30.7.15

Albert Schaffer. Mens dier ding. Amsterdam: De Bezige Bij, 2014.

Mens dier ding is een klassieker van de moderne Nederlandse letterkunde. Het is vorig jaar verschenen; ik hoop dat het de komende decennia verplichte kost wordt op de middelbare scholen. Ik hoop dat misschien tegen beter weten in (een epos! verplichte kost!), maar ik hoop het wel.

Ze zouden er bijvoorbeeld aandacht kunnen besteden aan de vergelijking, want dat is hét stijlmiddel van deze bundel. Op iedere pagina worden er wel een paar gemaakt, heel vaak expliciet, met als. Hier zijn wat willekeurige voorbeelden:

Er zou een hond zijn losgebroken
van een zeldzaam ras, gitzwart als een donderpreek (p. 26)

het prisma van mijn huid was als een flakkerende droom (p. 26)

Sjaka als een straathond als verlosser. (p. 28)

Wat is het stil vandaag. 
Zo stil als een bos in de winter. 
Zo stil als een vogel, hoog in de lucht. 

Zo stil als een walvis die slaapt. (p. 115)

In al deze voorbeelden stapelen de vergelijkingen zich al op elkaar. Mijn huid is een prisma én dat prisma is als een flakkerende droom. Sjaka is een straathond en een verlosser. De hond uit de eerste regels is er in het gedicht ook maar van horen zeggen, en daarmee ook een soort vergelijking.

Er zijn ook andere manieren om de vergelijking expliciet te maken zonder als:

Precies zijn vader, al zijn kleren elke avond vol met bloed. (p. 40)

'Precies zijn vader' wordt doorgaans niet tot de literaire vergelijkingen gerekend, die gelijkenis is veel te concreet, maar daar is het Albert Schaffer nu juist om te doen: zijn wereld, de wereld van mens dier ding is een grote aaneenschakeling van vergelijkingen:

'Welke vraag wordt jou het meest gesteld?'

'Of ik in werkelijkheid precies zo ben.'

'En?'

'Hangt ervan af wat je verstaat onder Voltooid Verleden Tijd
maar ik kan moeilijk álles gaan ontkennen, nee
een kern van waarheid zit er zeker in.' (p. 49)

Het laatste voorbeeld is genomen uit een gedicht dat is opgezet als een tv-interview. Want dat is een andere dimensie van vergelijkingen: de media, de film, de tv, computerspelletjes, het internet. De werkelijkheden lopen voortdurend in elkaar over, zodat je niet kunt vaststellen of de grote Zoeloekoning nu wordt vergeleken met een jongen in een Nederlandse nieuwbouwwijk, of dat die jongen er bij het zien van allerlei films ervan droomt om Shaka ('Sjaka') te zijn. 

en zo ontwaakt hij elke ochtend in een wereld
die hij stuurs van ondertiteling voorziet (p. 22)

Jammer dat dit plaatsvindt in de dagen
voor de uitvinding van het geluid  (p. 25)

Op film ziet dat er eigenaardig uit. (p. 59)


Daaroverheen een krakende voice-over. (p. 108)

De hele wereld loopt door mekaar: het heden van de mobieltjes en het verleden van Sjaka, het Nederland van de filmkijker en het Zuid-Afrika in de film. En als al die media er niet zijn, kun je ook nog dromen:

In zijn slaap praat hij hardop
soms rent hij van me weg (p. 41)

zeiknat van het dromen over regen ging ik aan de slag. (p120)

Samen geven al die vergelijkingen, en dromen en de heftige media-consumptie aanleiding tot één kolkende, grote spiegel – van onze tijd en de vorige, van Nederland en van de wereld, van de dichter en van zijn publiek. Wat een gedicht! Het kan zich gemakkelijk, meer dan gemakkelijk meten, wat mij betreft, met de klassieke lange gedichten uit de Nederlands zoals Awater of Mei. Het tilt de dichtkunst op een hoger plan:

Bloeddorst is dorst van de allerhoogste orde. 
Een tol, die niet begint te wankelen
en wegrolt onder de servieskast maar
steeds 
sneller draait steeds sneller tot hij zich 
onstoffelijk tolt. 

Maar dat kan in werkelijkheid helemaal niet!
Precies, vandaar. (p. 122)





29.7.15

Carlo Rovelli. Sette brevi lezioni di fisica. Milano: Adelphi, 2014.

Het hoogtepunt van de theoretische natuurkunde ligt misschien alweer een eeuw achter ons. Ook in dit boekje kan de Italiaanse (maar in Frankrijk werkzame) natuurkundige Carlo Rovelli dat niet verhelen. De grote ontdekkingen – de algemene relativiteitstheorie, de kwantummechanica – werden toen gedaan, en sindsdien zijn er vooral op een heel knappe manier, heel veel details ingevuld, en is bijvoorbeeld het idioot goed werkende (en tegelijkertijd behoorlijk lelijke) standaardmodel uitgevist. Maar de grote problemen van toen zijn nog altijd niet opgelost.

Rovelli legt het allemaal heel kort en helder uit, met af en toe een mooie vergelijking of een aardig grapje zonder dat het teveel wordt – Sette breve lezioni is een voorbeeld van hoe je moet populariseren. Tegen het eind stopt hij er ook wat van zijn eigen ideeën in, de loop-theorie waarmee hij en collega's proberen de incompatibiliteit van kwantummechanica en relativiteitstheorie te lijf proberen te gaan.

Het is vooral een heel elegant boekje, een bijna ouderwets soort elegant boekje, dat de lezer serieus neemt zonder hem te over- of te onderschatten; een fijn boekje dat iedere lezer met enig gevoel weer laat merken wat dat eigenlijk is, physics envy.

Peter Sloterdijk. Die schreckliche Kinder der Neuzeit. Berlin: Suhrkamp, 2014.

De mensheid, althans om te beginnen de westerse mens, maar in zijn navolging steeds grotere delen van de mensheid, raakt steeds meer ontworteld. De prototypische mens is een bastaard, iemand die uit een buitenechtelijke of op zijn minst onduidelijke relatie voorkomt, en alleen al daardoor niet goed op zijn plaats is in de samenleving zoals hij deze is, en die samenleving daarom wil veranderen.

Die bastaardisering neemt bovendien een steeds sneller tempo aan, zodat ongeveer het enige wat nu nog van generatie op generatie wordt doorgegeven de wens tot almaar revolutionaire veranderingen is.

Dit alles laat Peter Sloterdijk zien in wederom een heel dik boek met een gigantisch vuurwerk van eruditie: we hebben nog geen beschouwing over Madame de Pompadour ('na ons de zondvloed') achter de rug, of we buitelen al weer in een nieuwe interpretatie van het leven van Jezus (een van de eerste bastaards in de westerse cultuur, als we even afzien van Oidipous: want waarom deed hij altijd zo onaardig tegen zijn echte familie en sprak hij God aan met het kinderlijke abba?)

Het is plezierig om te lezen omdat het zulk erudiet vuurwerk is. Maar klopt er ook wat van? Dat is een vraag die je je in de loop van deze bijna 500 pagina's toch wel af. Je zou bijvoorbeeld willen weten waarmee we een en ander dan moeten vergelijken. Sloterdijk doet daar nogal onduidelijk over, al noemt hij soms 'primitieve' culturen, en een keer de joodse en de Chinese cultuur. Maar van geen van die culturen laat hij zien dat bastaards daar geen rol in spelen. Ik denk bij de joodse cultuur onwillekeurig toch aan Mozes, ik kan er niets aan doen, en de herkomst van Mozes was toch minstens even dubieus als die van Jezus. Bovendien: zo stabiel is die joodse cultuur in de afgelopen 3000 jaar nu ook weer geweest, zoals je kunt leren uit bijvoorbeeld het recente boek van Simon Schama over de eerste 2000 jaar (of zo) van die cultuur. Er is eigenlijk maar weinig hetzelfde gebleven.

Misschien is het dus wel een kenmerk van iedere menselijke cultuur dat er een spanning bestaat tussen behoudzucht aan de ene kant en de opstand van de bastaards aan de andere kant. Ook onze huidige tijd beschrijf je geloof ik wel erg eenzijdig als je hem ziet als een alomtegenwoordige permanente veranderzucht.

Bovendien vraagt de lezer zich – vraag ik me – gaandeweg toch ook wel af: en nu?

Ik moest tijdens het lezen denken aan Mystiek lichaam van Kellendonk, in zekere zin een uitwerking van een soortgelijk thema in de vorm van een roman, zij het dat het meer op het heden is gericht en daardoor ongemakkelijkere onderwerpen aansnijdt. Zoals homoseksualiteit – een van dé manieren om de continuïteit tussen de generaties op te heffen bij uitstek.

Gezien dit alles zou je je – zou Sloterdijk zich – toch de vraag moeten stellen hoe we moeten denken over de doorbraak van het homohuwelijk in steeds meer landen op deze wereld. Is dat nu ook een slecht fenomeen? Dat zou eigenlijk wel moeten volgen uit zijn redenering, als ik die goed begrijp. Maar is er ook niet iets prettigs aan?

Hoe dan ookis dit een provocatief boek dat je in ieder geval aan het denken zet, en waar je van alles uit leert over vooral de politieke geschiedenis van de mensheid (kunst komt slechts een paar keer en dan slechts zijdelings ter sprake helaas). Daar heeft al dat gewoel om verandering toch maar toe geleid.


27.7.15

Kalle Kniivilä. Krimeo estas nia. Reveno de la imperio. Nov-Jorko: Mondial, 2015.

Het is alweer ruim een jaar geleden dat Rusland nauwelijks verhuld Oekraïne binnenviel en een deel ervan bezette – de Krim. Sindsdien lees je niet veel meer over dat gebied: wat gebeurt er? Wat vinden de mensen daar er zelf eigenlijk van? Hoe staan de verschillende groepen – de Oekraïners, de Russen, de Tataren – eigenlijk tegenover elkaar.

De Zweedse journalist Kalle Kniivilä zocht het uit, vooral door in het najaar van 2014 enige tijd ter plekke te verblijven en met allerlei mensen te spreken. Het is prettig om een en ander nu eens niet in een krantenartikel maar met de adem van een boek te kunnen lezen, en Kniivillä sprak een breed palet van mensen: van de journalisten voor de Tataarse zender die zich gedwongen hebben gevoeld om alles achter te laten en naar Kiev te vertrekken, ook al moeten ze daar ook helemaal opnieuw beginnen, tot de hoogleraar van het anatomisch instituut die ongeveer in extase raakt als ze over de onvoorstelbare eerlijkheid en daadkracht van Poetin spreekt, die eigenhandig aan alle misverstanden een einde zal maken.

In september vorig jaar waren er betrekkelijk veel mensen vóór de aansluiting; misschien omdat ze terugverlangden naar de Sovjetunie, misschien omdat ze deel wilden uitmaken van de winning team, misschien omdat ze het anders ook niet wisten. Inmiddels is het waarschijnlijk al anders, zegt Kniivilä, nu de waarde van de roebel zo gezakt is, het regime niet vriendelijker is geworden, en het zo moeilijk is om contact te hebben met de buitenwereld (je kunt alleen in Silferopol komen via Moskou).

Sowieso: Kniivilä laat iedereen aan het woord, en zo krijg je een breed palet aan meningen voorgeschoteld, maar hij verhult daarbij niet dat hij zelf maar weinig sympathie heeft voor de propaganda van Poetin. Degene die deze propaganda herhaalt, wordt (in de tekst van het boek) af en toe onderbroken om de feiten te geven. Voor mij was dat minder nodig geweest, die verhalen spreken allemaal wel voor zichzelf. Of eventueel hadden de feiten ergens anders genoemd kunnen worden.

Maar dat is ook de enige kritiek die ik heb, want verder is Kniivilä een correspondent zoals deze horen te zijn: hij is een buitenstaander maar weet zich snel binnen te werken en bovendien weet hij met een paar details – een afgebladderd naambordje, een duik in veel te koud water in een badplaats – de sfeer van grijze uitzichtloosheid goed neer te zetten. Mooi boek, nu wil ik zijn boek over Russische Poetin-aanhangers ook snel lezen.

26.7.15

Mirjam van Hengel. Hoe mooi alles. Leo en Tineke Vroman, een liefde in oorlogstijd. Amsterdam: Querido, 2014

Als hij twee jaar geleden niet overleden was, hadden we een van de bijzonderste mensen uit de twintigste eeuw nog onder ons gehad – Leo Vroman. Aan zijn vitaliteit leek geen einde te komen, dus dat hij wél overleden is, en nog wel enkele decennia voor zijn 120e verjaardag vind ik nog steeds vreemd. Zijn werk zat zo vol leven, zijn leven zo vol werk. Ik las hem graag, en hij was denk ik mijn favoriete geïnterviewde uit de Nederlandse literatuur (als Gerard Reve even hors catégorie wordt geplaatst).

Mirjam van Hengel schreef een boek over een van de belangrijkste episodes uit Leo's leven én dat van Tineke, zijn eeuwige geliefde: hoe ze elkaar ontmoetten vlak voor de oorlog, hoe ze door die oorlog zeven jaar lang gescheiden waren (Leo was Joods en ontvluchtte ons land in de nacht na de capitulatie op een spectactulaire manier, maar eindigde uiteindelijk in Nederlands Indië, waar hij in allerlei kampen terecht kwam), maar naar elkaar bleven verlangen. Hoe het uiteindelijk allemaal goed kwam, voor altijd, of in ieder geval tot twee jaar geleden, in een almaar voortdurende symbiose van liefde.

Van Hengel heeft daarvoor goed journalistiek werk gedaan. Ze maakt het niet mooier dan het is, probeert onder het romantische verhaal ook het échte te laten zien – in de beginjaren was Tineke in sommige opzichten meer onder de indruk van de dichter Max de Jong dan van Leo –, maar juist daardoor begint het feitelijke, ontroerende verhaal natuurlijk alleen maar te fonkelen. Het was weliswaar bijna volmaakt, een bijna volmaakte liefde. Maar het was ook echt.

Je raakt ook jaloers op al het materiaal dat ze heeft mogen inzien: al die dagboeken, al die brieven. Ze klaagt er zelf weliswaar over dat het haar soms teveel werd, zoveel intimiteit die duidelijk niet voor haar bedoeld was. Maar zij had toch maar de luxe om in al dat mooie materiaal het teveel te kunnen zien.

Ze schrijft het zelf ook niet eens zo heel goed op, de toon is soms die van uitgewerkte aantekeningen, en de korte passages waarin ze beschrijft hoe ze zelf de huizen bezoekt waar een en ander is gebeurd, of overeenkomsten beschrijft met haar eigen familie, voegen voor mij weinig toe. Het boek was denk ik iets sterker geweest als Van Hengel helemaal zakelijk was gebleven, er niet tussen was gaan staan; het doet vooral verlangen naar een mooie selectie uit al dat materiaal, met goed commentaar, zodat het door de geliefden zélf verteld kan worden.

Maar dat doet niets af aan hoe indrukwekkend dat verhaal is; en hoe fijn het is dat iemand dat allemaal bij elkaar heeft gezet.


Philip Roth. The Anatomy Lesson. Farrar, Straus & Giroux, 1983

Nathan Zuckerman heeft, zoals iedere lezer van Philip Roth weet, een boek geschreven, Carnovsky, dat een rauwe en humoristische tirade is tegen het burgerlijke joodse leven in New York. Zijn vader is niet lang daarna gestorven – volgens zijn broer omdat hij de schande van Carnovsky niet kon verdragen – en op zeker moment sterft ook zijn moeder.

Daarna stort Zuckerman in elkaar, en anderhalf jaar later begint The Anatomy Lesson. De schrijver kan nauwelijks nog bewegen en zeker niet meer schrijven door de pijn in zijn schouder, hij brengt zijn dagen liggend door op een matje op de grond. Er zijn weliswaar vier vrouwen die zich om hem op de een of andere manier om hem bekommeren, zijn 'harem', maar met die vrouwen is ook allemaal wat mis. Hij neemt bovendien gaandeweg steeds meer drugs en drank om de pijn te onderdrukken.

Dan ontstaat ineens een zweterig, koortsachtig plan bij hem op: hij gaat arts worden! Hij is weliswaar net veertig geworden, en zal dus tegen de vijftig zijn voor hij kan gaan werken, maar zo neemt zijn leven een andere wending! Niet meer de eenzaamheid van de schrijfkamer! Niet meer het steeds verkeerd begrepen worden! Hij gaat terug naar Chicago, waar hij ook als jonge man gestudeerd heeft. Daar begint hij zich onder invloed van de pijn en de drugs steeds vreemder te gedragen, maakt zijn chauffeuse wijs dat hij de eigenaar is van een pornoblaadje, gaat met de vader van een schoolvriend naar een kerkhof en belandt daar uiteindelijk met zijn kaak op een grafsteen.

Ik heb al tweeëneenhalf jaar geen Roth meer gelezen, het was even net alsof het feit dat de grootmeester er zelf mee opgehouden was ook voor mij een teken was om me uit zijn wereld terug te trekken. Maar dat is onzin – ik heb nog lang niet alles gelezen, ik verveel me nooit bij een Roth-boek, en zou zelfs inmiddels sommige boeken weleens willen herlezen. Zoals mijn favorieten, ook weer Zuckerman-boeken, maar latere Zuckerman-boeken, die laten zien wat een belangrijke schrijver de would be-anatoom toch nog werd, zoals American Pastoral en The Human Stain.

25.7.15

Papa Francesco. Laudato si'. Sulla cura della casa comune. Bologna, Edizioni Dehoniane: 2015

Eerder heb ik nooit een encycliek gelezen, maar eerder verscheen er ook nooit een encycliek die expliciet voor de hele wereld geschreven is, en die trouwens ook een onderwerp behandelt dat ons inderdaad allemaal aangaat.

Laudato si' is een aanhef die genomen is uit een gedicht van de Heilige Franciscus, naar wie de huidige paus zich genoemd heeft. In deze encycliek, die op sommige plaatsen eerder lijkt op een persoonlijk, erudiet, geëngageerd essay dan op een bericht ex cathedra, laat Franciscus zien waarom: het is ons aller plicht om zorg te dragen voor 'ons gezamelijke huis', de planeet Aarde waarop we met ons allen rondtollen.

Een belangrijk inzicht van de paus is dat het milieuprobleem voor een belangrijk deel ook een sociaal probleem is. En dat het grootste sociale probleem van deze wereld, het lot van de allerarmsten, voor een belangrijk en steeds belangrijker deel ook een milieuprobleem is. Hoe de grote problemen van deze tijd zo steeds meer worden afgeschoven op die allerarmsten – en hoe we dat, met alle onderlinge verschillen, niet kunnen toestaan.

Voor een niet-christen (voor mij) rijst als een christen aan het woord komt over deze problemen automatisch de vraag: waarom zou de mens zich verantwoordelijk moeten voelen voor deze kwesties. Kan God niet ingrijpen? Ook de paus kan deze vraag niet echt beantwoorden, hij doet er ook niet echt een poging toe, maar hij laat wel zien hoe je de vraag voorbij kunt gaan: je hebt als mens een verantwoordelijkheid, voor de natuur en voor je naaste.

En ook de niet-christen (ik) heeft natuurlijk niet echt een antwoord: waarom zou je je met het milieu bemoeien? Waarom niet alles op zijn beloop laten? Het komt vanzelf toch wel goed, of dat 'goed' nu het voortbestaan van de mens omsluit of niet.

Je moet dus eigenlijk iets geloven om je echt te bekommeren om het milieu: geloven dat er iets moet gebeuren, dat er iets aan kan gebeuren, dat ook jouw eigen kleine handelingen – ook de handelingen die "niemand ziet", zoals de paus zegt – er daarbij toe doen. Er is van iedereen een 'ecologische bekering' nodig, zegt de paus – ook van de christenen.

Het is, vind ik, een zeldzaam helder geschrift; niet iets om het per se mee eens te zijn, maar een uitnodiging om in gesprek te gaan – en samen de zorg voor ons 'gemeenschappelijke huis' ter hand te nemen.

24.7.15

Thomas Mann. Doktor Faustus. Frankfurt am Main: S. Fischer Verlag, 2010 (1947)

Soms moet je rijp zijn voor een boek, moeten alle omstandigheden er zijn: je moet zelf genoeg hebben meegemaakt en genoeg hebben gelezen, je moet de tijd hebben, je stemming moet net ontvankelijk zijn, ontvankelijk genoeg ook om vol te houden.

Dat ik ooi Doktor Faustus zou lezen, weet ik op zijn minst sinds ik het boek bijna 25 jaar geleden van mijn grootvader leende. Voor ik het terug kon geven zou hij overlijden, maar jarenlang kwam ik nooit verder dan pagina 60 of zo, ook niet nadat ik een paar jaar geleden een e-boekversie kocht. Wel las ik ondertussen Die Zauberberg, Buddenbrooks, Tod in Venedig.

Maar nu is het er toch van gekomen en las ik ineens, in tweeëneenhalve dag dit boek en nu ik dit schrijf ben ik er nog van onder de indruk, wat een rijk, wat een machtig, wat een diep melancholisch, wat een diepzinnig, wat een prachtig boek. Wat ben ik blij dat ik dit nog tijdens mijn leven mocht meemaken, deze leeservaring. Geen enkel ander boek van Mann, en weinig andere boeken überhaupt, hebben zo'n indruk op me gemaakt.

Dit is het grote Duitslandboek, geschreven in precies de jaren dat ieder ideaal dat je over Duitsland kon hebben volkomen in elkaar stortte – de jaren dat Duitsland ieder beetje eer en goede naam verloor, de jaren van de oorlog. Het gaat daarover op een tegelijkertijd directe en indirecte manier, doordat het 't verhaal vertelt van een Duitse kunstenaar die in de jaren 10 en 20 gek wordt en/of zijn ziel aan de duivel verkoopt én tegelijkertijd verteld wordt door een vriend van die kunstenaar die in het nu leeft, het nu van de laatste oorlogsjaren.

De structuur van een meesterwerk is vaak zo dat je je eerst door een paar honderd bladzijden heen moet werken en het boek gaandeweg toegankelijker wordt. Die eerste paar honderd bladzijden hebben in dit geval wel erg veel theoretische beschouwingen (vooral het politieke gepraat van studenten van meer dan honderd jaar geleden), maar gaandeweg neemt het verhaal het daarvan over. En natuurlijk vallen ook die politieke en andere verhalen daarin uiteindelijk in hun plaats.

Doktor Faustus is een onmogelijk boek, een boek over de onmogelijkheid om nog kunst te maken, en al helemaal niet in het Duits, een boek over hoe verschrikkelijk het leven is, een intens treurig boek, een waanzinnig boek. Een boek dat tientallen jaren op je kan wachten en je dan ineens bij de kladden grijpt.

22.7.15

Tjitske Jansen. Voor altijd voor het laatst. Amsterdam: Querido, 2015.

Op het omslag van Voor altijd voor het laatst is sprake van de 'vorige bundels' van Tjitske Jansen, en op de een of andere manier raak je daar toch door beïnvloed: het ziet er wel uit als proza, het lijkt ook bovendien een weliswaar ietwat brokkelig – maar lang niet zo brokkelig als het proza van Gerrit Krol – verhaal te vertellen, een autobiografisch verhaal bovendien, over een klein meisje –, maar kennelijk is het als poëzie bedoeld, of als vervolg op de poëzie.

En dat irriteert mij dan even. Want het proza is proza, zo heel veel meer zorg lijkt er niet aan besteed dan een andere prozaschrijver besteedt aan zijn proza, wat denkt die Jansen wel?

Maar gaandeweg raakte ik meegesleept en overtuigd. Het zijn niet alleen maar persoonlijke beslommeringen over een jeugd in de nieuwbouwwijk: hier wordt een heel leven tot nu toe (Jansen is een paar jaar jonger dan ik) verteld, een leven met een aantal ingrijpende gebeurtenissen (niet overdreven veel, maar ook niet niks), maar de toon is op de een of andere manier heel zuiver. Ze zegt de dingen wel degelijk mooi en helder, ze observeert goed. Ze vertelt bijvoorbeeld dat ze haar vader een keer een verjaardagscadeau bracht en toen merkte dat hij dat cadeau niet wilde hebben. Dat ze toen onmiddellijk samen met hem een ander cadeau is gaan kopen, en daarna nog een tijd bij hem thuis heeft gezeten" "Ik haalde het er meteen weer uit," schrijft ze dan, "omdat ik aan mijn vader zag dat hij het jammer vond als ik het cadeau weer mee naar huis nam. Ik heb onthouden dat ik eerst heb gezien dat mijn vader niet blij was met zijn cadeau. Ik heb onthouden dat ik een paar uur later zag dat hij was begonnen zich eraan te hechten. Maar wát ik heb gezien, uit welke observaties ik mijn conclusies trok, heb ik niet onthouden."

(Het volkomen door elkaar gebruiken van voltooid tegenwoordige en onvoltooid verleden tijd hoort trouwens op de een of andere manier heel erg bij de stijl van Jansen.)

21.7.15

Harry Mulisch. Voer voor psychologen. Amsterdam: Bezige Bij, 2014 (1961)

"Leven zoals het gedrukt staat." Het wordt volgens Google slechts twee keer geciteerd op het gehele wereldwijde netwerk van computers, maar het lijkt mij een sleutelcitaat in het oeuvre en werk van Harry Mulisch.

De schrijver legt zelfs omstandig uit wat hij ermee bedoelt. Het leven buiten papier is een chaos, een baaierd van allerlei mogelijkheden en onbelangrijke details. Dat is dus eigenlijk geen leven. Pas op papier ontstaat er ordening (dat is wel vaker opgemerkt), maar vooral ook: selectie. De gebeurtenissen krijgen zin doordat ze niet verdrinken in een eindeloze brei van allerlei gedoe en gebazel. Er komt een lijn in, en precies daardoor kan de schrijver zeggen dat hij alleen echt leeft terwijl hij schrijft.

Dit boek heeft dan de ambitie om na de min of meer verzonnen romans als Archibald Strohalm en De Diamant nu ook wat autobiografische details te nemen, een aantal verhalen te smeden die als onderwerp hebben: Harry Mulisch. Om ook die Harry nu eens echt tot leven te brengen, namelijk op papier.

Er is een verhaal dat echt over Harry gaat (en niet over ik) en dat is meteen een fremdkörper in het werk, een soort uitgesponnen grap over een jongetje dat door een vriendje wordt uitgedaagd om te gaan neuken, maar niet durft toe te geven wat dit woord betekent en dan in zijn zoektocht naar de betekenis van het woord een aantal keren zonder het te beseffen – de schrijver weet het, de lezer weet het, Harry komt het nooit te weten – rakelings langs geneuk te scheren. Harry en het woord heet het – wat er echt gebeurd doet er ook in dit verhaal niet toe, het is het woord dat telt en dat in de loop van de geschiedenis allerlei betekenissen krijgt toebedeeld.

Ik hoorde onlangs een reeks colleges van Marita Mathijsen over Harry Mulisch, en in het biografische gedeelte ervan (in ieder geval over de eerste 33 jaar) leunde ze daarbij nogal zwaar op Voer. Dat lijkt me niet helemaal terecht, of althans dat lijkt me niet onze taak als nabestaanden, achterblijvers, overlevenden: wij moeten op zoek, denk ik, naar nieuwe details. Niet om Harry weer tot leven te wekken, maar om zelf tot leven te komen – tijdens het schrijven.

19.7.15

Hugo Claus. Het verdriet van België. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1983).

Misschien gaat ieder boek wel over taal, maar het ligt er niet altijd zo dik bovenop als in Het verdriet van België. Dat verdriet wordt natuurlijk ook al gevormd door taalproblemen die het land zolang het bestaat verscheurd hebben.

In deze roman laat Claus zien dat die problemen nog veel subtieler liggen dan alleen het verschil tussen Vlaams en Frans. Dat Vlaams bestaat uit allerlei schakeringen: van 'Schoon-Vlaams' via het dialect van de buren tot onbegrijpelijk West-Vlaams. De meeste personages in Het verdriet van België zijn heel gevoelig voor zelfs de subtielste van die verschillen; regelmatig maakt er iemand een opmerking over hoe iemand anders iets uitdrukt – dat gebeurt zelden op de juiste manier. En dan komt op zeker moment ook het Duits van de bezetter er nog in. Het verdriet van België is zo een boek over taalvariatie.

Tegelijkertijd is taal voor de hoofdpersoon Louis Seynaeve manier om greep te krijgen op de wereld en op het leven. Het boek begint al met een scene waarin hij met een paar vriendjes een geheime club heeft opgericht waarin ze elkaar 'Apostel' noemen en ook verder iedere snipper papier waarvan je maar zou kunnen vermoeden dat de nonnen er wantrouwend tegenover staan, magische kwaliteiten krijgt. Het eindigt met Louis' ontwikkeling tot schrijver.

Natuurlijk gaat Het verdriet van België ook nog over allerlei andere zaken, maar heel veel ervan kun je ook weer relateren aan taal. De bedompte bekrompen sfeer van het boek komt natuurlijk óók voort uit het feit dat mensen zitten opgesloten in hun eigen kleine gebied.

Ik houd normaliter niet zo van boeken met kinderen of adolescenten in de hoofdrol, ik heb dan het idee dat de schrijver teveel een kunstmatig sluier over de werkelijkheid legt, die hoofdpersoon die allerlei dingen nog niet ziet met onze volwassen blik. En aan teruggaan naar mijn eigen kinderlijke blik heb ik geen behoefte. Maar juist in Het verdriet van België werkt het allemaal wel, juist omdat het een boek is over taal en taalverschillen, en over een jongen die zich daarin een weg moet zien te vinden.

Het verdriet is dé grote roman over taalvariatie.