24.3.07

Lee Smolin. The trouble with physics. The rise of string theory, the fall of a science, and what comes next. London: Allen Lane, 2006.

De theoretische natuurkunde is in de loop van de twintigste eeuw het model voor alle andere wetenschappen geworden: geen enkele andere wetenschap is zo diep, zo precies, zo rijk, en staat zo dicht bij de uiteindelijke oplossing. Iedere zichzelf serieus nemende wetenschap heeft methoden van de natuurkunde geleend, of wil zichzelf uiteindelijk tot de natuurkunde reduceren.

Maar de natuurkunde is nog lang niet af, en Lee Smolin is bang dat dit ook nog wel even zal duren. Volgens hem is het vak in de afgelopen dertig jaar niet vooruitgekomen: de grote problemen van toen zijn de grote problemen van nu. Er is eigenlijk niets opgelost, anders dan in de tweehonderd jaar ervoor.

Zelden zijn me zoveel dingen duidelijk geworden uit een boek: hoe de natuurkunde zich in de loop van tweehonderd jaar ontwikkeld heeft, wat de problemen zijn van de snaartheorie, wat voor alternatieven er mogelijk zijn, en vooral, wat er eigenlijk mis is met de natuurkunde en misschien wel met alle wetenschap: er is op de (Amerikaanse) universiteit eigenlijk alleen nog maar ruimte voor mensen die 'normal science' doen — mensen die technisch vaardig zijn, waanzinnig goed kunnen rekenen, zonder dat ze al te origineel hoeven zijn. De snaartheorie houdt die mensen gevangen, en heeft daarmee het hele debat over de fundamenten van de natuurkunde gekaapt. De echte doorbraken zijn daardoor uitgebleven.

Veel mensen die in de academische wereld werken kunnen daarmee waarschijnlijk instemmen: het onderzoek wordt steeds meer aan regels en prestatiecriteria gebonden, en dat levert ongetwijfeld allemaal keurig werk op, maar er is meer nodig dan keurig werk: we hebben doorbraken nodig.

18.3.07

Erwin Mortier. Avonden op het Landgoed. Op reis met Gerard Reve Amsterdam: De Bezige Bij, 2007

'Op reis gaan met Gerard Reve doe je niet voor je plezier', zegt de oude Reve tegen de jonge schrijver Erwin Mortier. In dit boekje laat Mortier zien hoe waar dat was in 1997, als hij met zijn vriend een tijdje met Reve meegaat naar diens Geheime Landgoed. Dat Landgoed blijkt al geen pretje, een onherbergzame bunker, en de schrijver is vrijwel de hele tijd dronken, onaangenaam, handtastelijk en vervelend.

Het boek is, ondanks alle onprettige herinneringen, toch vooral warm. En in de tweede plaats is het ook uitzonderlijk goed geschreven: wat een fraaie stijl heeft die Mortier.

Daarnaast leer je Reve ook echt wel wat beter kennen. Althans, als je zijn werk goed leest, herken je wel veel van zijn waanzin — maar uit dit boek leer je dat de schrijver ook echt in zijn dagelijks leven zo kon zijn: als Treger in Bezorgde Ouders, monomaan, racistisch, kwaadaardig, jaloers, sadistisch. Maar de merkwaardigste ontdekking die Mortier dan doet: dat Reve de knop ook om kan zetten. Als de jonge vrienden het niet langer uithouden en aankondigen dat ze definitief weggaan, verandert de dronkenlap ineens in een redelijke man die hen met goede argumenten probeert te weerhouden om hem te verlaten.

Van Reve besprak ik hier Oud en eenzaam en Het Boek van Violet en Dood, die zich beide bij het Landgoed afspelen.

Geert Mak. De brug. Amsterdam: CPNB, 2007.

In zijn eerste boek over de geschiedenis van Amsterdam introduceerde Geert Mak een mooie techniek: aan de hand van een heel kleine plek, zijn eigen huis, construeerde hij een grotere geschiedenis. In wat geloof ik zijn eerste grote klapper was, Hoe God verdween uit Jorwerd, deed hij het nog een keer, maar nu met een Fries dorpje.

De laatste jaren slaat Mak zijn vleugels uit, en kijkt hij meer over de grenzen. Nu heeft hij zijn beproefde techniek toegepast op een brug in Istanboel. Het resultaat is een mooi boekje — mooier dan het boek van de Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk over hetzelfde onderwerp.

Ik kon dit boekje in eerste instantie bijna niet lezen zonder te denken aan de pamfletten die Mak de laatste jaren schreef, waarin hij — misschien onhandig — opriep tot meer begrip voor de moslims. Uit dit boekje kom je veel te weten over hoe Turken in het leven staan en wat hen drijft. Toch vergeet je die pamfletten weer als je doorleest: de verhalen over individuele mensen zijn er te mooi voor. Wat is het toch fijn dat Geert Mak nooit toegeeft aan de verleiding om een roman te schrijven — dat zou nooit zo geslaagd kunnen zijn als zijn nonfictiewerk. Wat fijn dat de CPNB nu ook zo'n goed nonfictieboek tot boekenweekgeschenk wil maken.

14.3.07

Jean Echenoz. Ravel. Paris: Les éditions de minuit, 2006.

Volgens een jaaroverzicht van het tijdschrift Lire was dit een van de beste Franse boeken van het jaar 2006, Echenoz is een beroemde schrijver, Ravel gaat over een interessante periode in het leven van een componist, ik had me er een tijdje op verheugd het te kunnen lezen. En wat werd ik chagrijnig. Ik verloor eigenlijk alle vertrouwen in de Franse literatuur.

Die lui kunnen niet eens een verhaal vertellen. Altijd van die dunne boekjes, en wat een slechte techniek. Ravel begint bijvoorbeeld heel interessant, als een portret van een estheet, een man die voor zijn kunst leeft en er alleen voor leeft. Zelden heb ik zo'n fraaie beschrijving gelezen van dat alleen zijn als in die eerste bladzijden. Maar daarna had Echenoz er geen zin meer in, gooit hij dat hele principe overboord en is zelfs geen romanschrijver meer, maar een biograaf. Waar we in het eerste deel de hele tijd dicht bij Ravel stonden, wordt ons nu af en toe medegedeeld dat we dit of dat verhaal 'niet hoeven te geloven'. Pardon? Waarom vertelt u het dan? In een roman? Moeten we de eerdere ontboezemingen over hoe Ravel zich in bad voelt dan soms wel geloven?

En dan. Aan het eind van het leven maakt Ravel iets dramatisch door: hij maakt een ongeluk mee en kan daardoor jarenlang niet schrijven. Wat een gelegenheid om daar eens goed over te vertellen. En wat laat Echenoz die gelegenheid liggen. Wat moet een literatuur in een treurige staat zijn, wil dit een van de beste boeken zijn van het afgelopen jaar.

10.3.07

Kurt Vonnegut. Slaughterhouse-Five. New York: Random House, 1991 (1969).

Vorige week was ik in New York en zag er een musical (The Lion King) en een opera (Die Zauberflö) die allebei geregisseerd waren door dezelfde poppenspeelster (Julie Taymor). Zij maakte in de musical en de opera gebruik van dezelfde techniek: een poppenspeler komt op met een levensgrote, of soms meer dan levensgrote pop. De poppenspeler staat erachter, je ziet dat hij zijn mond beweegt als de pop iets zegt, je ziet hoe hij de pop manipuleert. En toch maakt die pop een levensechte indruk.

In New York kocht ik ook A Man Without A Country van Kurt Vonnegut. Ik raakte er zo door gecharmeerd dat ik meteen ook zijn bekendste boek kocht, Slaughterhouse-Five.

Eerder had ik dat boek niet gelezen, eigenlijk omdat ik om de een of andere reden dacht dat het een flauwe tegenhanger van Catch-22 zou zijn, van Joseph Heller.

Dat is helemaal niet zo: Vonnegut is veel wanhopiger dan Heller. Vonnegut kan echt geen grap maken waarin je niet de bommen op Dresden hoort vallen. Als Amerikaans soldaat, krijgsgevangen genomen door de Duitsers, heeft hij dat bombardement meegemaakt en als een van de weinigen overleefd. Slaughterhouse-Five gaat op een heel ingewikkelde manier over hoe je zoiets nooit meer te boven komt.

Een van Vonneguts technieken lijkt op Julie Taymor: hij zet een soort karikaturale persoon in, Billy Pilgrim. (Ik denk dat die naam een tegenhanger moet zijn van zijn eigen naam: 'Vonnegut' klinkt natuurlijk nogal Duits, maar wat kan er nu Amerikaanser zijn dan 'Pilgrim'?) Door zijn enigszins verwarde ogen zien we het verhaal maar af en toe laat Vonnegut even weten dat hij er ook nog is: dan vertelt hij dat een andere soldaat in Pilgrims omgeving in paniek raakte, en dat hij dat was, hij, de verteller van het verhaal.

Nog zo'n truuk: elke keer als iemand doodgaat in het verhaal, zegt hij erbij 'So it goes'. Dat is alsof je elke keer een belletje laat rinkelen: je wordt weer attent gemaakt op nog een dode. En doden zijn er veel te veel, in dit verhaal en in het werkelijke leven.

2.3.07

Amos Oz. Plotseling in het woud. Amsterdam: De Bezige Bij, 2006 (Pitom beomek hajaar, 2005)

Van Amos Oz heb ik eerder twee romans gelezen — eerder schreef ik hier over De derde toestand — en dat waren heel realistische boeken. Van De derde toestand begrijp je pas hoeveel verbeeldingskracht erachter zit, als je beseft dat de hoofdpersoon nooit dezelfde man kan zijn als de schrijver.

Dit boekje, Plotseling in het woud, is heel anders. Het vertelt een sprookje. Ik houd eigenlijk niet van sprookjes of van fantastische verhalen. Dat gaat zelfs zover dat ik droompassages in boeken als De derde toestand een beetje ongeduldig doorneem. Maar Plotseling in het woud heb ik in een adem doorgelezen.

Aan het verhaal zal het dus niet hebben gelegen, want dat is onrealistisch genoeg: uit een onbestemd dorpje ver weg zijn ooit alle dieren verdwenen, zelfs de vissen uit een emmer die buiten stond. De volwassenen willen het er niet meer over hebben, maar twee kinderen gaan op onderzoek uit en ontdekken wat er aan de hand is: een man die altijd gepest en getreiterd werd, is ooit uit het dorp weggetrokken en alle dieren gingen met hem mee.

Merkwaardig is dat je bij zo'n verhaal altijd een 'diepere bedoeling' verwacht, en dat die ook wordt gegeven (het is een verhaal over aanpassing en uitsluiting). Dat hoort kennelijk bij het sprookje.

Wat het boekje dan uiteindelijk zo mooi maakt, zo prettig, is de dichterlijke stijl. De vertaling moet ook wel heel goed zijn, je hebt geen moment het idee dat je een vertaling leest. Maar vooral: je ontdekt ook ineens een heel nieuwe kant aan het schrijverschap van Oz. Het maakt zijn vorige romans ineens ook weer interessanter.

1.3.07

Diane Coyle. The Soulful Science. What Economists Really Do and Why it Matters. Princeton and Oxford: Princeton University Press, 2007.

Diane Coyle heeft een doctoraat van Princeton in de economie en een missie: ze wil de wereld laten zien dat economen heus niet van die droge nerds zijn die meer geïnteresseerd zijn in wiskundige modellen dan in de alledaagse werkelijkheid. Dat er de afgelopen twintig jaar van alles aan het vak veranderd is. En dat economen soms heel maatschappelijk geëngageerd zijn.

Coyle weerlegt daarmee allerlei vooroordelen waarvan ik niet eens wist dat ik die had. In het begin van dat boek is dat een beetje irritant, het is alsof iemand je huis komt binnenstormen om je uit te leggen dat ze heus niet slecht is. Maar gaandeweg begon Coyles verhaal me meer te interesseren, vooral omdat het nebenbei een aantal vragen beantwoordt die wel al in me opgekomen waren. Vooral begreep ik eigenlijk nooit zo goed wat nu eigenlijk de relatie is met aanpalende vakken, zoals sociologie, maar vooral psychologie en biologie. De economische wetenschap gaat immers over menselijk gedrag, dus je zou verwachten dat daar een verband ligt met die andere wetenschappen; maar wat dat verband precies was, daarover had ik tot nu toe niet veel gehoord. Coyle gaat wel op dit soort vragen in, al is het zijdelings. (Mijn eigen idee, niet per se dat van Coyle, is dat de economie specifiek gaat over het rationele deel van de menselijke cognitieve vermogens.)

Coyles boek is daarmee een complement voor Freakonomics: dat laatste boek beschrijft de (micro-)economie vooral als een verzameling methoden, The Soulful Science gaat meer in op het onderwerp van onderzoek, op de vragen die (macro-)economen tegenwoordig bezighouden. Ik begin het al bijna interessant te vinden, die economie.

Siegfried E. van Praag Een schrijver en zijn werk. Ingeleid door Rico Bulthuis. Den Haag: Leopold, 1969.

Siegfried van Praag is een schrijver van wie ik wel had gehoord, maar van wie ik misschien net zo min ooit iets zou lezen als van, pakweg, Aart van der Molen, als ik Siegfrieds achternicht niet had leren kennen.

Ik ben een paar weken gelden al in een dikke roman van hem begonnen, La Judith, maar die vond ik te zwaar om mee te nemen in het vliegtuig. Dus heb ik dit boekje meegenomen - een keuze uit zijn werk, verschenen ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, en ingeleid door Rico Bulthuis.

Die inleiding geeft je het idee dat we hier te maken hebben met een interessante persoonlijkheid, met een interessant leven: iemand die ervoor koos om zijn levenlang overal een beetje buiten te staan en die zo de hele twintigste eeuw heeft mogen beschouwen. Dat komt niet doordat die inleiding zo goed geschreven is, want dat is hij niet; maar Bulthuis maakt wel duidelijk dat het mooi zou zijn als iemand wél een mooie biografie over Van Praag zou schrijven.

De fragmenten wijzen er dan wat mij betreft weer op dat het jammer is dat Van Praag dat zelf niet meer heeft gedaan. Hoewel hij in de jaren dertig tamelijk beroemd werd met historische romans die zich afspelen in Frankrijk, is zijn beste werk ofwel essayistisch ofwel een beschrijving van gebeurtenissen die dicht bij hem moeten hebben gestaan. Er staat bijvoorbeeld een ontroerende beschrijving in van de olifanten in Artis — ontroerend vooral omdat hij zo gedetailleerd is — en het mooiste verhaal vind ik het verhaal over twee biologieleraren, Meyer en Pekelman, die elkaar allebei naar het leven staan. Van Praag was zelf gedurende twee perioden van zijn leven leraar Frans.

Ik zal de komende jaren nog wel wat meer Van Praag lezen, denk ik: La Judith, dus, en Seizoenen, waar dat verhaal over die leraren uit komt, en ook zijn kennelijke magnum opus Jeruzalem van het Westen.

Kurt Vonnegut. A Man Without A Country. New York: Random House, 2007 (2005).

Van Kurt Vonnegut heb ik nooit wat gelezen, maar afgelopen zomer heb ik eens urenlang met een Griekse vriendin in Amsterdam naar dit boekje gezocht, dus toen ik het deze week in New York in een boekwinkel zag liggen, kon ik er niet aan voorbij lopen.

En wat een elegant boekje is het! Heel vrolijk is de strekking niet — de schrijver legt in iets meer dan honderd bladzijden uit waarom de aarde gedoemd is kapot te gaan, vooral vanwege onze verslaving aan olie en alle natuurrampen die dat voor ons gaat opleveren — maar er is ook tijd voor mijmeringen over vrouwen en muziek: "If I should ever die, God forbid, let this be my epitaph: The Only Proof He Needed For The Existence of God was Music"

Vooral voor zo'n bijzin zou een andere schrijver een moord doen. Vonnegut schudt ze op zijn oude dag uit zijn mouw. Van zo'n schrijver ga ik nog wel meer lezen.

Peter Hofman. Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert. Amsterdam: De Bezige Bij, 2004.

Over een paar weken ga ik een lezing geven over het werk van Lucebert. Nu gaat die lezing helemaal niet over 's mans leven, maar ik vond dat ik daar toch wat meer van moest weten. Dit boek geeft een heel helder beeld van de jonge man die Lucebert ooit was.

Gelukkig voor mij bleek Lucebert weinig op te hebben met het biografische: 'signalement onbekend' liet hij opnemen als persoonsbeschrijving in een vroege bloemlezing van werk van de Vijftigers. Toch is het om andere redenen een interessant boek. Wat een man was die Lucebert: wat een persoonlijkheid. Hoe kan iemand zo overtuigd zijn van zijn eigen talent dat hij bereid is daarvoor jarenlang in armoedige omstandigheden te leven, zich de opdringerigheden van allerlei uitkeringsambtenaren te laten welgevallen en ook niet ontmoedigd te raken van afwijzingen van galeriehouders en uitgevers? En dat dan ook nog voor een man uit een gezin dat helemaal niets in kunst zag? Waar komt zoveel innerlijke kracht vandaan? Hoe weet je dat het geen onzin is die je najaagt?