29.12.07

Kenneth Branagh. Hamlet by William Shakespeare. Screenplay, Introduction and Film Diary. Lotto: Chatto and Windus, 1996 (1601).

Ruim tien jaar geleden werd de 'nieuwsgroep' nl.kunst.literatuur opgericht, waar Nederlandstalige internetters bij elkaar kwamen om over literatuur te praten. Onder het nauwelijks verhullende pseudoniem Martin Opdop schreef ik daar ook mijn mening over allerlei boeken die ik gelezen had, een voorloper op dit weblog. Die stukjes hadden altijd de vorm van een vraag-antwoordspelletje: 'Wat heeft Martin nu weer gelezen?' Op 10 juli 1997 was het antwoord: Hamlet. (Ik dacht toen dat die stukjes zouden verdwijnen, maar ik had buiten Google gerekend. Het stukje over Hamlet staat hier; alle stukjes van Martin Opdop zijn door Google fijn hier verzameld.)

Ik telde toen dat ik dat stuk al vijf keer gelezen had en vier keer gezien. Ik geloof niet dat er in de tussentijd een keer is bijgekomen. Misschien heb ik het nog een keer gezien, maar als ik het nog eens gelezen had, zou ik me dat wel herinneren.

In 1997 wist ik niet wat ik nou precies met Hamlet aanmoest, en zo herinnerde ik me het stuk nu ook: als een onbetwist meesterwerk uit de wereldliteratuur, waarvan de hoofdpersoon mij voor raadselen stelde. 

Ik heb me nu in Hamlet ondergedompeld. Ik las de tekst in het boek van Kenneth Branagh, net als tien jaar geleden, maar deze keer luisterde ik ondertussen naar een radio-opname van de BBC die ik van het internet had gedownload. Beide versies bestrijken vrijwel de gehele tekst, dus dat was gemakkelijk te doen. Door tegelijk te lezen en te luisteren raakte ik helemaal in de tekst gevangen, en vond hem prachtig.

Er zijn natuurlijk honderden interpretaties van dit stuk en sommigen daarvan zijn zo bekend dat je ze als lezer in je achterhoofd hebt zitten: Hamlet als puber, Hamlet als eeuwige twijfelaar, Hamlet als filosoof. De interpretatie waar ik nu voor viel is geloof ik ook geen ongebruikelijke: Hamlet is een man die gevangen raakt in de smerigheid van de wereld en de politiek, die zich daar met hand en tand tegen verzet maar uiteindelijk zelf de dood van min of meer onschuldigen voor zijn rekening neemt — Polonius, Rosencrantz en Guildenstern, het zijn geen lieverdjes, maar ze hadden ook geen dood verdiend. Ik las Hamlet deze keer als een stuk over het maken van vuile handen, en genoot. En ik ben benieuwd wat ik er de volgende keer van vind.


Vladimir Nabokov. Lolita. New York: Berkley Books, 1986 (1955).

Dit boek begint en eindigt met dezelfde naam: Lolita. Namen zijn belangrijk in dit boek: er zijn denk ik weinig boeken waarin er zoveel verschillende namen vallen, in vergelijking met het aantal karakters. Als een persoon een beetje vlees en bloed krijgt in het verhaal van Humbert Humbert, krijgt hij of zij ook al snel een heel stel bijnamen. Bovendien staan er op een aantal plaatsen lijsten namen waar geen personen bijhoren: de namen van Lolita's klasgenoten bijvoorbeeld, of een opsomming van de verzonnen namen die Humberts antagonist (Clare Quilty) opgegeven heeft aan hotelrecepties.

In het nawoord zegt Nabokov dat dit boek onder andere begrepen kan worden als 'the record of my love affair with the English language'. Dat spel met die namen is daar vast een onderdeel van. Bovendien probeert Humbert uit die namen zelf allerlei betekenissen te peuren. Over de valse namen van Quilty:

"Who was 'Johnny Randall, Ramble, Ohio'? Or was he a real person who just happened to write a hand similar to 'N.S. Aristoff, Catagela, NY'? What was the sting in 'Catagela'?"

Ik weet niet hoeveel studies er naar deze namen gedaan zijn. De moderne lezer komt er dankzij internet in een handomdraai achter dat catagela een mottensoort beschrijft, en dus waarschijnlijk vooral verwijst naar Nabokovs voorliefde voor vlinders. Zoals elders iemand een woordspelletje maakt van de naam Maeterlinck (Maeterlinck-Schmetterling).

Ik had eerder nooit een boek van Nabokov uitgelezen, terwijl ik er aan verschillende begonnen ben. Ik vond die boeken, ook Lolita, altijd te ingewikkeld en te bedacht. Deze keer pakte het ineens wel. Inderdaad viert Nabokov zijn fascinaties met taal en structuur en literatuur uit in een ingewikkeld spel. Maar achter dat ingewikkelde spel zag ik nu ineens een prachtig, huiveringwekkend verhaal.

Bovendien heeft die kunstzinnigheid, dat gespeel met namen - namen die bovendien allemaal gefingeerd zijn, want Humbert is gesteld op zijn privacy - ook een functie: er zit een ontzagwekkend dik gaas tussen Humbert en de werkelijkheid. Hij kent zijn 'geliefde' Lolita helemaal niet, en weet ook eigenlijk niets van haar. Hij is eens en vooral verliefd op zijn eigen fantasie.

27.12.07

Oliver Sacks. Musicofilia. Verhalen over muziek en het brein. Amsterdam: Meulenhoff, 2007.

Vertaling Han Visserman

Ongeveer twintig jaar geleden zag een documentaire zag ik een documentaire op tv die ik nooit ben vergeten: een film over de Engelse musicus Clive Wearing die juist alles vergeten was. Weaver is een van de ernstigste amnestiepatiënten ter wereld, die alles vergeten is wat meer dan een halve minuut geleden is gebeurd. Daardoor heeft hij doorlopend het gevoel net wakker geworden te zijn. Dat schrijft hij dan ook doorlopend op in zijn dagboek: ik ben net wakker geworden. Of hij belt zijn vrouw - een van de weinige mensen die hij zich nog levendig herinnert - om haar te zeggen dat hij er nu echt weer is, en dat hij naar haar verlangt. Elke keer dat zij binnenkomt vliegt hij haar dan ook in haar armen. Alleen als hij muziek speelt, lijkt de amnestie voorbij: alles herinnert hij zich, zelfs als er een herhalingsteken staat, vergist hij zich niet. (Op YouTube is een Amerikaanse documentaire uit 1999 te zien waar de BBC-film uit 1986 deels in is verwerkt.)

In zijn nieuwe boek Musicofilia vertelt de beroemde neuroloog Oliver Sacks het verhaal van Wearing, en beschrijft een verslag van een bezoek dat hij Wearing bracht. Heel veel voegt die beschrijving niet toe aan wat ik me nog herinnerde van die documentaire van twintig jaar geleden: nog steeds heeft Wearing iedere dag het gevoel dat hij net wakker geworden is. En nog steeds speelt hij prachtig piano.

Toevallig heb ik net een ander boek over de relatie tussen muziek en brein gelezen,  This brain on music van de neurowetenschapper David Levitin. Het is interessant om die twee boeken te vergelijken, omdat ze uit zulke verschillende invalshoeken zijn geschreven. Waar Levitin op zoek is naar algemene wetmatigheden &mdash Hoe zit muziek in ons aller hoofd? Hoe werkt het allemaal precies? — is Sacks duidelijk een dokter: iemand die geïnteresseerd is in zijn patiënten; die ook in ieder van hen het eigen verhaal wil zien.

In theorie heeft Sacks het makkelijker, want die kan smeuïge verhalen vertellen over verbijsterende gevallen zoals dat van Clive Weaver. Maar het boek van Levitin vind ik uiteindelijk een stuk beter. Sacks verklaart wat mij betreft wel heel weinig van wat muziek is, of wat onze hersenen precies doen, en doet dat ook vaak in vrij hopeloos gemurmel over hersenonderdelen (een arts is zijn gehoor in zijn rechteroor kwijtgeraakt 'nadat er een akoestisch neuroma in de sensibele zenuw was verwijderd'). Levitin heeft een sterker verhaal — de prachtige zoektocht naar wat de menselijke hersens kunnen.

24.12.07

Daniel J. Levitin. This is your brain on music. New York: Plume, 2007 (2006).

Hoe is het mogelijk dat je soms na twee noten al hoort welk liedje er klinkt op de radio? Of dat de luisteraar die een trompet en een klarinet tegelijkertijd dezelfde melodie hoort spelen, die instrumenten toch moeiteloos uit elkaar houdt en niet één ingewikkeld instrument hoort? En waarom hebben alle bekende culturen eigenlijk muziek en dans? Dat zijn fascinerende vragen, en Daniel Levitin geeft er fascinerende antwoorden op. Dat kan hij, omdat hij een bijzondere combinatie van competenties heeft: hij is producer geweest bij een platenmaatschappij en tegenwoordig is hij als muziekwetenschapper verbonden aan McGill.

Ik ben zelf fonoloog van mijn vak, ik bestudeer de klanken van talen, en dat ligt natuurlijk in sommige opzichten dicht bij muziekpsychologie. Toch was er veel dat ik niet wist, nee, ik wist bijna niets. De raakvlakken bleken zelfs nog groter dan ik dacht. In mijn vak is er een grote discussie over de vraag hoe mensen woorden precies in hun geheugen opslaan. Een spreker van het Nederlands weet hoe het woord doek klinkt. Komt dat doordat hij (1) alle keren dat hij ooit iemand 'doek' heeft horen zeggen ergens in zijn geheugen heeft zitten, en daar een soort gemiddelde van uitrekent als hij zelf iets moet zeggen, of (2) hij een abstractere vorm heeft die bestaat uit instructies voor het uitspreken van d-oe-k? Voor allebei de theorieën valt iets te zeggen en de discussie duurt voort. Grappig is dan om te zien dat je voor bijvoorbeeld het onthouden van melodietjes dezelfde discussie hebt: onthoud je die in groot detail van de uitvoeringen die je kent, of in een wat abstractere vorm zodat een liedje hetzelfde klinkt als je het twee tonen hoger begint dan de vorige keer? Ook hier valt voor allebei wat te zeggen.

Het viel me wel op dat Levitin weinig gevoel lijkt te hebben voor klassieke muziek. Zijn hart ligt bij de jazz en de rock, en tegen het eind van het boek geeft hij een heel wonderlijke samenvatting van de geschiedenis van de klassieke muziek: tot ongeveer 1950 (Bernstein) was het allemaal oké, daarna verwerd het tot óf filmmuziek óf onbegrijpelijke kunstzinnige muziek. Dat er voor 1950 ook al volop kunstzinnigheid en filmmuziek was, ontgaat hem, evenals het feit dat er ook echt toegankelijke hedendaagse muziek is, en dat er mensen zijn die daar oprecht van genieten. En wel op de manier die Levitin zo toegankelijk en enthousiasmerend beschrijft in zijn boek.

23.12.07

Shalom Auslander. Foreskin's Lament. New York: Riverhead, 2007

Een man van rond de dertig ziet terug op zijn jeugd waarin hij zich uit allemacht verzette tegen het kleinburgerlijke joodse milieu waarin hij is opgegroeid. Hij doet dit door alle geboden te overtreden die hij kan bedenken, bijvoorbeeld dat op masturbatie. Als ik het zo samenvat, lijkt Shalom Auslander's Foreskin's Lament wel heel sterk op Portnoy's Complaint, maar die samenvatting is maar oppervlakkig. Auslander (de hoofdpersoon heeft dezelfde naam als de schrijver) verzet zich niet zozeer tegen zijn milieu als tegen God, dat oneindig wrede opperwezen, die boven onze hoofden zit te grijnzen om alle rottigheid die hij op de mensen afstuurt. En die kwaad wordt als je iets onaardigs over hem zegt. Zodat het boek eindigt met een smeekbede aan God om het boek toch vooral niet verkeerd op te vatten, het is immers maar een boek, God kan Shaloms vrouw en kind toch best laten leven?

Daarmee is dit boek een indrukwekkend verslag van hoe moeilijk het is im van een geloof af te komen, niet eens vanwege de sociale verliezen die je lijdt als afvallige, maar doordat het onmogelijk is om niet meer in God te geloven, zelfs als je je tegen hem verzet, vanwege het voortdurende gevoel van zondigheid.

21.12.07

Ap Dijksterhuis. Het slimme onbewuste. Denken met gevoel. Amsterdam: Prometheus, 2007.

Ap Dijksterhuis is hoogleraar in het onbewuste, en voor hem is dat onbewuste ook zo ongeveer het belangrijkste dat er is van de menselijke geest. Bijna alles gebeurt daar, al het mooie en al het lelijke: de geniale ideeën worden er uitgedokterd, maar ook worden we er op allerlei manieren beïnvloed. Het bewuste, ja, dat is er wel, maar vooral misschien om de verschillende delen van het onbewuste met elkaar te laten communiceren.

Het is een meeslepend boek. Ik heb de afgelopen jaren al een aantal boeken gelezen waarin veel van de experimenten die Dijksterhuis hier bespreekt ook al aan de orde waren gekomen, maar uiteindelijk heeft Het slimme onbewuste, door ze allemaal achter elkaar te plaatsen, mijn blik in ieder geval vandaag veranderd. Ineens zie je in dat je een ijsberg bent — het bewuste is het topje, het onbewuste de enorme klomp onder water — die de dag doorbrengt temidden van andere ijsbergen. Dat er van alles gebeurt, ook tussen mensen, waarvan die mensen zich niet eens bewust zijn. Het is mooi als een boek dat kan bereiken, en dat is hiermee dus gelukt.

19.12.07

Gregory Chaitin. Metamath! The Quest for Omega. New York: Vintage Books, 2006 (2005).

Dit is een mislukt, amateuristisch geschreven en bij vlagen nauwelijks te begrijpen boek, dat ik in één adem heb uitgelezen. Gregory Chaitin is de bedenker of ontdekker van het getal Ω (omega) - een voorbeeld van een volkomen onvoorspelbaar getal, een getal dat je alleen zou kunnen uitdrukken door het helemaal op te schrijven, terwijl het oneindig veel cijfers achter de komma heeft. Van zulke getallen moeten er oneindig veel zijn, maar juist doordat ze alleen zijn uit te drukken door ze helemaal op te schrijven, is het moeilijk om er één aan te wijzen. Chaitin heeft een manier bedacht om dat wel te doen. In dit boek legt hij uit hoe hij dat heeft gedaan – en dat doet hij op een heel duidelijke manier, ondanks die paar wat duistere passages.

Chaitin legt in zijn boek ook uit dat hij niet houdt van droge opsommingen. Hij wil dat de persoonlijkheid van de pagina's afspat, en dat probeert hij vervolgens ook zelf met alle macht te doen, van de pagina's afspatten. Hij doet dat vooral door heel veel uitroeptekens te gebruiken. Allemachtig, wat staan er veel uitroeptekens in dit boek, en dat heus niet alleen omdat het veel over het wiskundige begrip faculteit gaat. De laatste zin van het boek is zelfs:

Thank you for reading this book and taking this journey with me!

Maar je wilt Chaitin dat alles als lezer graag vergeven, omdat hij zo enthousiast is dat hij al die uitroeptekens echt lijkt te menen, en bovendien over zulke fijne dingen enthousiast is: over Gödel en Turing bijvoorbeeld, of over Leibniz, de grootste intellectuele held uit de geschiedenis der mensheid, en over een verhaal uit Der Process van Kafka, dat ik onlangs gelezen heb. En Chaitins eigen geschiedenis, hoe hij tot zijn wonderbaarlijke getal gekomen is, dat is ook een prachtig verhaal. Wat is de wereld toch mooi, dat er zulke ideeën in bestaan!

18.12.07

Louis-Ferdinand Céline. Voyage au bout de la nuit. Paris: Futuropolis, 2006 (1932). Illustré par Jacques Tardi.

Ferdinand Bardamu is een soldaat tijdens de Eerste Wereldoorlog, een koloniaal in Afrika en een arme sloeber in New York voordat hij weer teruggaat naar Parijs, naar de voorsteden van Parijs waar hij een mislukt huisarts wordt. En overal is het ellendig.

Wat structuur betreft lijkt Voyage au bout de la nuit wel een beetje op de Odyssee. De eerste helft van beide boeken beschrijft een zwerftocht van de held, die in de tweede helft wel thuiskomt in zijn geboorteplaats, maar er dan nog een half boek over doet om schoon schip te maken. Wat Baradamu vervolgens niet echt lukt, al vliegen ook in de Voyage op het eind de ingewanden je om de oren. Er zit zelfs in de Voyage een heuse afdaling in de onderwereld, een katabasis, en in zekere zin zelfs twee. In Toulouse heeft Ferdinands beste vriend een tijdje het beheer over een donkere kelder met opgedroogde lijken, maar niet lang voordat Ferdinand daarin afdaalt heeft hij ook een keer een visioen waarin hij doden boven zich ziet zweven, inclusief enkele hem bekende doden.

Het zou interessant kunnen zijn een diepgravender vergelijking te maken van de Odyssee en de Voyage, maar waarschijnlijk is dat ook allang door iemand gedaan.

Ik heb dit boek gelezen in een door Jacques Tardi geïllustreerde editie. Daarin heeft Ferdinand over het algemeen een vrij onkarakteristiek gezicht dat meestal een beetje verbaasd kijkt: de neutrale held in een stripverhaal (Tom Poes, Kuifje) die het ook allemaal maar overkomt. Dat is dan weer wel wat anders dan de schrandere Odysseus.

En verder: wat een stijl! Wat een boek! De menselijkheid druipt eraf. Neem nu deze zeldzaam plastische beschrijving van de fonetiek van de menselijke taal:

Quant on s'arrête à la façon par example dont sont formés et proférés les mots, elles ne resistent guère nos phrases au désastre de leur décor baveux. C'est plus compliqué et plus pénible que la défécation notre effort mécanique de la conversation. Cette corolle de chair bouffie, la bouche, que se convulse à siffler, aspire et se démène, pousse toute espèces de sons visqueux à travers le barrage puant de la carie dentaire, quelle punition! Voilà pourtant ce qu'on nous adjure de transposer en idéal. C'est difficile. Puisque nous sommes que des enclos de tripes tièdes et mal pourries nous aurons toujours du mal avec le sentiment. Amoureux ce n'est rien c'est tenir ensemble qui est difficile.

15.12.07

Eke Mariën, Jan Groenewold en Bas Husslage. Cook & Chemist. Uithoorn: Karakter, 2007.

Asperges confijten in olie, slagroom slaan van chocola en sinaasappelsap, doorzichtige ravioli snijden van gegeleerde bouillon — dat zijn wat dingen die ik geleerd heb uit dit boek. Moleculair koken — koken waarbij je gebruik maakt van technische snufjes en chemische inzichten — is in restaurants alweer een paar jaar een grote trend. In dit boek geven de auteurs een huis-tuin-en-keukenversie ervan, een die je ook met een gewone keuken kunt toepassen: geen in stikstof gedruppelde olijfolies of uitgebreid gebruik van de schuimspuit, maar beter nadenken over de manier waarop smaken bewaard worden en stoffen zich in een saus aan elkaar binden.

Dat is allemaal heel interessant en het ik denk dat ik echt anders ga koken nu ik dit boek gelezen heb. Het is wel jammer dat het boek een beetje liefdeloos is uitgegeven. Het ziet er niet echt mooi uit, en er zitten kleine tiepfoutjes in. Maar de liefde voor het koken én voor het weten spatten van de bladzijden, en wat wil je nog meer: genieten en begrijpen.

14.12.07

Peter van Lier. Zes wenken voor muggen aan de deur. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 2007.

Lang leve de poëzieclub. Als die club niet had bestaan had ik deze bundel waarschijnlijk nooit gelezen en dan had ik veel bijzondere taal gemist, en een opmerkelijke kijk op mens en dier. In elk gedicht staat een dier centraal, vaak een dier dat op de een of andere manier iets te maken heeft met een mens. Omdat het een hondje is bijvoorbeeld:

Feest voor alle honden (1)

Kleine,

onvermoeibare springers in aantocht,

'bijten naar alles wat maar enigszins aan vlees doet denken!'

zeker in de vorm van
been of bot,
die —

de lampionnen ophangende baasjes
gekromd staand op smalle trapjes
net
onder het plafond, bij

voorbaat al in uiterste rigiditeit doen denken aan ('waf!')

kuiten in gevaar?

In de afdeling waarin dit gedicht staat, hebben alle gedichten bepaalde woorden of frasen tussen aanhalingstekens staan. Ik heb geen idee waarom dat zo is. Google levert bij 'bijten naar alles wat maar enigszins aan vlees doet denken' nul treffers. Het zullen wel geen citaten zijn. Toch werkt het, toch voegt het iets aan die gedichten toe.

Ik begrijp mijn eigen poëziesmaak niet. Van Liers gedichten zijn vreselijk gemaniëreerd — behalve die aanhalingstekens hebben de gedichten in deze afdeling bijvoorbeeld ook nog gemeen dat ze heel veel eenlettergrepige strofes hebben, en dat de laatste steeds rechts is uitgelijnd – en ze gaan over een onderwerp, de relatie tussen mens en dier, dat mij 's nachts niet echt uit de slaap houdt, en toch vind ik het prachtig. Ik wou dat ik kon benoemen, of in ieder geval beter kon begrijpen, waarom dat zo is. Maar dat lukt niet. Gek is dat: dat je een ervaring hebt in taal die je vervolgens niet in taal kunt benoemen. Dat zal dan wel Poëzie zijn.

13.12.07

Tjitske Jansen. Koerikoeloem. Amsterdam: Podium, 2007.

Ik heb tot nu toe niet veel prozagedichten gelezen. Waarom eigenlijk niet? Zodra de tekst georganiseerd wordt in een alinea, ga je sneller lezen. Dat komt door de adem: je neemt een alinea bij wijze van spreken in dezelfde adem als een versregel. Dat is te snel voor een gedicht.

Koerikoeloem bestaat uit prozagedichten, of eigenlijk is het één lang prozagedicht, waarvan iedere alinea begint met er was. Soms wringt er dan iets met de zin die er volgt. Na 'er was' kun je in het Nederlands eigenlijk alleen zelfstandignaamwoorden plaatsen met het onbepaald lidwoord een: 'er was een man', maar niet 'er was de man'. Jansen doet af en toe het laatste en dat geeft een opmerkelijk effect:

Er was de dominee aan wie ik schreef: 'Ik heb het gevoel dat ik God helemaal niet nodig heb.' En die terugschreef: 'God wil helemaal niet nodig zijn'.

De bundel lijkt autobiografisch te zijn, hij beschrijft fragmenten uit de jeugd van de dichteres, met de eigen ouders, in pleeggezinnen. Helemaal duidelijk hoe het zit (waarom ze naar een pleeggezin moest) wordt een en ander niet, maar dat is ook niet speciaal de bedoeling. Koerikoeloem is toch in de eerste plaats taal, taal, en nog eens taal: een prozagedicht, een mooi prozagedicht.

8.12.07

Franz Kafka. Der Process. Frankfurt: Fischer, 2006 (1925).

Onmiddellijk Misdaad en Straf en 1984 heb ik alwéér een boek gelezen over een eenzame misdadiger tegen de rest van de mensheid. Het verschil is natuurlijk dat Jozef K. in dit boek echt geen idee heeft welk misdrijf hij precies gepleegd heeft. Het Proces laat zien dat dit niet uitmaakt: als iedereen begint te geloven dat er iets mis met je zal zijn, ga je het gaandeweg zelf geloven.

Want eigenlijk is er in Het Proces helemaal geen sprake van kafkaëske toestanden, in de zin van de eenling tegenover een redeloos maar machtig apparaat. De bureaucratie hangt in dit boek eigenlijk met pleisters en sitaltouwtjes aan elkaar: de kantoren bevinden zich op zolders, de rechters lezen softporno en als Jozef K. niet zou meedoen, zou niemand hem een strobreed in de weg leggen. "Der Gericht will nichts von Dir", zegt tegen het eind van het boek de 'gevangeniskapelaan' tegen K. "Es nimmt Dich auf wenn Du kommst und es entlässt Dich wenn Du gehst." Het is Jozefs eigen schuldgevoel dat hem uiteindelijk in het mes van de 'rechtbank' laat lopen.

Mooi aan dit boek is ook de onbegrijpelijkheid van vrijwel alle personages: de vrouwen die zich min of meer zomaar in K.'s armen werpen, de mensen die zich al dan niet in de rechtbank zomaar om hem bekommeren. Jozef K. is volkomen alleen in een onbegrijpelijke wereld, maar daar heeft hij geen bureaucratie voor nodig. Hij maakt hem zelf, die onbegrijpelijkheid.

2.12.07

George Orwell. 1984. New York: New American Library, 1983 (1949).

Sommige schrijvers willen de lezer duidelijk ergens over na laten nadenken. George Orwell hoort waarschijnlijk wel tot die categorie. Maar wat je dan vervolgens allemaal denkt, kan weer beïnvloed worden door andere boeken die je net gelezen hebt en die je op hun beurt aan het denken hebben gezet.

De laatste keer dat ik 1984 las, was het waarschijnlijk 1984. Ik las het 'voor mijn lijst', als een waarschuwing voor het totalitarisme. Maar nu ik het herlas, had ik net Misdaad en Straf uit. Dat laatste boek had ik gelezen als een boek over eenzaamheid — de eenzaamheid die helemaal duidelijk wordt bij een misdadiger zoals Raskolnikov die zich met zijn daad buiten de gemeenschap plaatst.

1984 lijkt sterk op Misdaad en straf. Het gaat ook over de eenzaamheid van het individu die een misdaad begaat, al is de misdaad op het oog wat subtieler: thoughtcrime, de misdaad om iets anders te denken dan alle andere mensen, bijvoorbeeld dat twee plus twee vier is. Als je er dieper over nadenkt, is Raskolnikov eigenlijk ook een thoughtcriminal, iemand die er vooral ook 'vreemde' gedachte op nahoudt die in een wellevende maatschappij niet is toegestaan. En omgekeerd geeft Winston Smith in 1984 ook toe dat hij als het nodig was voor zijn ideaal zou moorden.

Er zijn meer overeenkomsten. Zo is de belangrijkste ondervrager van de hoofdpersoon in beide boeken een vaderlijke figuur die zijn verdachte maar al te goed begrijpt. Tegelijkertijd zijn er ook ijsselijke verschillen. Voor Raskolnikov is de liefde tussen man en vrouw uiteindelijk misschien wel de redding, maar Winston Smith verraadt uiteindelijk zelfs zijn grote liefde, zodat hem weinig anders overblijft dan de liefde voor Big Brother.

Behalve een variatie op Misdaad en straf is 1984 natuurlijk ook een boek over het totalitarisme, en hopelijk een dat de politieke boodschap overdreven heeft. Het is wel interessant om te zien hoezeer Orwells boodschap de politieke denker Noam Chomsky heeft beïnvloed — dat ik inmiddels enkele boeken van Chomsky gelezen heb, geeft me ook duidelijk een andere kijk op 1984. Heel belangrijk voor Chomsky is bijvoorbeeld het idee dat in een moderne maatschappij propaganda vooral gericht is op de intellectuele elite. Het is vooral belangrijk dat zij geloven dat de maatschappij goed en rechtvaardig in elkaar zit, ook als ze daarvoor een zekere mentale gymnastiek — doublethink in Orwells wereld — moeten plegen om te geloven dat het land in een rechtvaardige oorlog is verzeild geraakt, ook als er recht voor hun ogen allerlei bewijzen zijn van het tegendeel. Orwell's Problem noemt Chomsky dat: hoe kan het dat we over belangrijke politieke kwesties zo weinig weten ondanks stapels evidentie? In zijn ogen leven we nog steeds in een, misschien wat subtielere, variant van de wereld uit 1984.