26.7.11

Maarten 't Hart. Dienstreizen van een thuisblijver. Amsterdam: Arbeiderspers, 2011.

Maarten 't Hart. Dienstreizen van een thuisblijver Soms zie ik Maarten 't Hart weleens door de stad fietsen, voor mijn gevoel is hij dan altijd op weg naar de Aldi. Verder denk ik weinig aan hem; te weinig misschien, want de autobiografische essays in Dienstreizen van een thuisblijver heb ik in een avondje met veel plezier gelezen. .

't Hart is af en toe wel erg koket en overdrijft ook af en toe net iets te duidelijk — vooral voor iemand die zelf soms zo onbekommerd pedant zou zijn. Als Maarten 't Hart zelf dit boek zou moeten bespreken, zou hij het bijvoorbeeld kunnen hebben over het geklaag dat de schrijver in zijn studententijd zo ongelooflijk veel moest fietsen: het ene college vond plaats in de Nonnensteeg, het volgende in het Kamerlingh Onnesgebouw, en dan weer een in de Hugo de Groot straat. Iedere Leidenaar, zou de recensent Maarten 't Hart opmerken, weet dat die drie gebouwen op een steenworp afstand van elkaar liggen. In het kwartier tussen twee colleges in kun je gemakkelijk van het ene gebouw naar het andere lopen, en dan heb je nog tijd om een paar pagina's Trollope te lezen ook! .

Het boek is vooral prettig om te lezen omdat het zo zonnig geschreven is. Maarten 't Hart heeft het prettig; weliswaar in zelfgecreëerde omstandigheden die voor een ander misschien helemaal niet zo prettig zouden zijn, maar 't Hart geniet ervan. .

Zo vertelt hij het verhaal van zijn wederwaardigheden met een Duitse uitgeefster, die niet alleen erg laks was met het betalen van royalties maar, wat 't Hart nog erger vond, er bovendien op stond dat ze hem de hele tijd kon vertroetelen. In de handen van een andere schrijver zou dit een volkomen verontwaardigd verhaal geworden zijn over de intense slechtheid van zo'n mens, maar 't Hart maakt er een laconiek verhaal van waarin hij vooral zichzelf bespot. .

Nog een puntje van 't Hartiaanse kritiek op Dienstreizen van een thuisblijver: op een bepaald moment ligt de auteur in het ziekenhuis met een gebroken been met niet veel meer te lezen dan De verloofden van Alessandro Manzoni. Afgezien van de beschrijving van de pestepidemis vind hij het boek niet veel waard, krijg je de indruk. Hoe is het mogelijk! Zo'n in Nederland ten onrechte genegeerd meesterwerk van Dickensiaanse allure! Hoe kan een lezer met ook maar een beetje smaak zich daar nu bij vervelen!

21.7.11

Alan Jacobs. The Pleasures of Reading in an Age of Distraction. Oxford: Oxford University Press, 2011.

Alan Jacobs. The Pleasures of Reading in an Age of Distraction The Pleasures of Reading in an Age of Distraction begint een beetje chagerijnig, zeker voor een boek dat 'pleasures' in zijn titel heeft. Het begint met een lange tirade tegen degenen die in Amerika het lezen van de Belangrijke Boeken verdedigen. Die mensen zijn namelijk in de ogen van Alan Jacobs vooral bezig om iedereen het lezen tegen te maken, door net te doen alsof lezen niet een kwestie is van smaak, maar een soort plicht. Wie Harry Potter leest, is geen échte lezer, beweren zulke lieden, men kan slechts genieten van Plato en Proust.

Jacobs heeft dat beginnetje nodig om zich tegen die vreugdeloosheid af te zetten. Lezen, zegt hij, moet je eerst en vooral doen om het plezier van het lezen. Zijn boek is ook niet zozeer een pleidooi om mensen weer aan het lezen te krijgen - een boek zou daarvoor natuurlijk niet het beste medium zijn - maar om degene die eigenlijk wel graag weer willen lezen, maar zich daar in het internettijdperk met al zijn afleidingen niet meer toe in staat voelen. Jacobs wil laten voelen hoe prettig dat ook weer was, helemaal opgaan in een boek, wat de juiste leeshouding is (dat is er dus niet een waarin je met alle geweld aan de canon wil voldoen, al is het er wel een waarin je je eigen grenzen opzoekt; gewoon, omdat dit extra plezier geeft), en hoe een Kindle kan helpen om je weer te concentreren — om een bladzijde om te slaan moet je een beweging met je duim maken die lijkt op Twitteren of mail checken op je telefoon; je geeft je rusteloze lichaam wat te doen terwijl jij rustig verder leest.

Het is een mooi essay geworden, ook voor degene die zich nog niet te rusteloos voelt om te lezen. Ik heb bijvoorbeeld niet het gevoel dat ik nu speciaal minder lees dan in een andere fase van mijn leven, afgezien van ruwweg mijn studententijd waarin ik gewoonweg veel meer tijd had om te lezen. Toch heeft Pleasures me aan het denken gezet over een aantal van mijn eigen gewoontes.

Een belangrijk verschil dat Jacobs maakt, is bijvoorbeeld dat tussen mensen die lezen om het lezen en mensen die lezen om gelezen te hebben. Degenen die lijstjes van Belangrijke Boeken hebben, horen volgens Jacobs tot de laatste categorie. Hij keurt dergelijk gedrag niet goed.

Nu heb ik al sinds enkele jaren een lijst die ik probeer af te werken. Doe ik dat inderdaad om gelezen te hebben?

Voor een deel wel. Ik wilde nu eenmaal ook eens een reden hebben om Samuel Beckett of Giacomo Leopardi gelezen te hebben, al gaf het lezen van met name de eerste me niet heel veel genoegen. Maar voor een groot deel is de lijst voor mij toch vooral een ontdekkingstocht, een manier om dingen te leren kennen die ik gemist heb, om werken te herlezen die ik ooit met meer of minder plezier tot me genomen heb. Ik lees die lijst bovendien met wisselende snelheid: soms enkele titels in een maand, de laatste maanden maar heel weinig (terwijl ik toch nog tientallen titels te gaan heb).

Waarom lees ik dan? Ik geloof inderdaad niet dat ik een beter mens geworden ben van al die boeken die ik gelezen heb. Uiteindelijk toch vooral omdat het lezen van een boek me in veel opzichten meer bevrediging geeft dan laten we zeggen het spelen van een computerspel. Een spelletje spelen is de tijd passeren; een boek lezen is intensief leven.

20.7.11

Jean Racine. Andromaque. Paris: Larousse, 2008 (1667)

Jean Racine. Andromaque Net zoals iedereen, ken ik natuurlijk een aantal vreemde snuiters. Een van hen kent alleen zeventiende-eeuws Frans, omdat het enige dat hem interesseert de taal is van Corneille en Racine.

Zelf heb ik tot nu toe een vooroordeel tegen die schrijvers gehad. Mijn idee was in de eerste plaats dat ze allebei hetzelfde waren, en in de tweede plaats dat ze droog waren, klassiek, alleen gericht op allerlei veel te strenge vormeisen, zodat hun stukken klassiekers waren, maar weinig menselijk..

Nu ik Andromaque gelezen heb, weet ik dat dit in ieder geval niet waar is voor Racine. .

Wat een ingewikkeld psychologische spel spelen de personages in de alexandrijnen van dit stuk! Er is een keten van verliefdheden: Orestes houdt van Hermione, Hermione houdt van Pyrrhus, Pyrrhus houdt van Andromaque. En ieder probeert degene die van hem of haar houdt zodanig te manipuleren dat er een grotere kans is dat degene van wie hij of zij zelf houdt zijn of haar liefde zal verleggen. Ieder speelt zijn eigen slimme spelletje om de liefde te krijgen op wie hij hoopt, en het einde van het liedje is dat er twee dood zijn en minstens één gekgeworden. Alleen Andromaque, degene die bovenaan de keten stond en alleen nog houdt van haar dode man, de Trojaanse held Hector, komt relatief onbeschadigd uit de tragedie, of althans, ze raakt niet meer beschadigd dan ze door haar oorlogstrauma (de vernietiging van haar vaderstad Troje) aan het begin al was.
Er wordt in troebel zielenleven gevist in Andromaque en tegelijkertijd is de vorm heel helder. Je hebt he-le-maal geen last van de strakke conventies van eenheid van ruimte, tijd en plaats, integendeel, die conventies zitten het stuk als gegoten. Ook de taal is helemaal niet kunstmatig of opgesmukt, maar geeft de verwarring waarin zo ongeveer iedereen in dit stuk permanent verkeert op een prachtige manier weer. .

Ah, Jean Racine. Ik geloof niet dat hij in Nederland vaak wordt opgevoerd, en dat is jammer. Op internet lees ik dat Corneille veel meer voldoet aan het (veel te klassieke) beeld dat ik altijd van allebei die schrijvers had. Maar misschien moet ik zelfs Corneille maar eens proberen.

18.7.11

David Sedaris. When You Are Engulfed In Flames. Hachette Digital, 2011 (2008).

David Sedaris. When You Are Engulfed In Flames Nog voordat ik dit boek uithad, had ik op iTunes al twee eerdere verhalenbundels van David Sedaris als luisterboek gekocht, waarop hij zijn eigen werk voorleest. Sedaris geldt als de grote Amerikaanse humorist van het begin van de eenentwintigste eeuw. Hij geldt als een meesterlijke verteller. Hij geldt als iemand die je gelezen moet hebben, maar die je vooral gehoord moet hebben. En de mensen die dat allemaal zeggen, die weten waar ze het over hebben, die hebben gelijk.

Je krijgt het idee als je When You Are Engulfed In Flames leest, dat dit misschien niet eens Sedaris' beste boek is. Het wordt duidelijk uit dit boek dat hier iemand aan het woord is die zich altijd gepresenteerd heeft als loser, die uit dat loserdom misschien ook wel zijn grootste kracht heeft gemaakt, maar die nu moet wennen aan het feit dat hij businessclass reist dankzij het succes van zijn boeken, dat hij een gelukkige en stabiele relatie heeft en dat hij een man van middelbare leeftijd is die niet maar almaar door kan gaan over zijn jeugd. Als dat al zo grappig is, hoe moet het dan zijn als hij nog schrijft als jonge, onzekere man die zijn publiek nog maar weinig over zijn jonge jaren verteld heeft?

Sedaris is niet alleen grappig, hij is ook een man om van te houden. Hij kokketeert met zijn onhebbelijkheden op een onweerstaanbare manier. De manier waarop hij bijvoorbeeld vertelt over de keer dat hij en zijn man allebei hetzelfde virus krijgen en in een competitie belanden over wie er precies het zieligst is, en wie zich het beste groot kan houden, vond ik onweerstaanbaar. Ik heb naar dit boek vooral 's avonds in bed geluisterd, als het heel warm was in Verona en ik nog niet kon slapen, en ik moest regelmatig hardop lachen, wat hol weerklonk in mijn alom betegelde appartement.

Ik ga die andere boeken dus snel weer beluisteren, net zoals ik me kan voorstellen dat ik af en toe nog weer eens luister naar de essays in dit boek. Ergens halverwege begon mijn iPod vreemde kuren te vertonen, waardoor hij terug naar achteren sprong, waardoor ik bepaalde stukken inmiddels wel drie keer gehoord heb. Dat verveelde in het geheel niet. Ik heb een nieuwe metgezel voor wanneer ik ineens even gegarandeerd wil lachen.

16.7.11

Luciano De Crescenzo. Tutti santi me compreso. Milano: Mondadori. 2011.

Luciano De Crescenzo. Tutti santi me compreso Luciano De Crescenzo is geboren in Napels in 1929, ooit opgeleid als ingenieur en sinds dertig jaar schrijft hij boeken over de klassieke mythen, de klassieke filosofie en andere onderwerpen. De boeken zijn enorm populair in Italië, en het is gemakkelijk te begrijpen waarom: De Crescenzo heeft een aangename, persoonlijke toon. Ik heb zijn nieuwste boek, Tutti santi me compreso bijvoorbeeld in een paar uur uitgelezen, terwijl ik nu toch niet echt een heel erg ervaren lezer in het Italiaans ben (dit is geloof ik mijn vierde boek ooit). En tegelijkertijd heb ik er nog wat van opgestoken ook: over enkele van de belangrijkste heiligen van de Rooms-Katholieke Kerk, want daarover gaat het boek officieel. En over hoe een slimme niet al te gelovige Italiaan tegen het geloof aankijkt, want daarover gaat het officieus.

In Tutti santi beschrijft De Crescenzo het leven van een aantal door hem geselecteerde heiligen. Daaronder zitten Grote Namen uit de heiligenwereld zoals Maria, Jozef, Johannes de Doper en Petrus en Paulus, maar ook mindere goden zoals Pacomio en Januarius van Benevento.

De beschrijving van de laatste is een van de hoogtepunten uit het boek. Januarius (San Gennaro) werd door een commissie na het Tweede Vaticaans Concilie in eerste instantie afgeschaft als heilige, omdat er te weinig over hem bekend werd. Na protesten uit Napels, waar hij allerwegen vereerd wordt, mocht hij uiteindelijk toch blijven, maar volgens De Crescenzo als een heilige uit de B-categorie, een die alleen lokaal vereerd mag worden. Volgens De Crescenzo verscheen er overal op de muren van Napels de tekst 'San Gennà, futtatenne' - Napolitaans dialect dat zoveel betekent als 'Sint Janus, laat ze stikken'. (Het is als je dit boek leest wel handig om iemand in de buurt te hebben die af en toe Napolitaans verstaat, althans, het wordt er een stuk grappiger van: De Crescenzo moet het voor de humor wel regelmatig hebben van het komische effect van de verbinding van het heilige van de heiligen en het platte van het dialect.)

Bovenal is het boek een autobiografisch verslag. De Crescenzo is inmiddels al een eind in de tachtig en je krijgt het idee dat hij begint te voelen dat dit weleens een van zijn laatste boeken zou kunnen zijn. Het gaat vaak over zijn herinneringen, aan de oorlog vooral, toen hij met zijn familie schuilde voor de Duitsers in een dorpje buiten Napels, maar het gaat ook vaak over de dood. Al die bespiegelingen verbindt hij dan op een charmante manier aan het leven van de een heilige van dienst. Van die heilige wordt dan een korte biografie gegeven, maar dat wordt slechts zelden een hagiografie – in sommige gevallen vroeg ik me in ieder geval af waarom deze heilige nu zo heilig zou zijn. De Crescenzo vertelt ook ergens dat hij slechts voor vijftig procent gelooft, wat we geloof ik zo moeten interpreteren dat hij helemaal niet echt gelooft, maar zich met de traditie en met de heiligen verbonden voelt; vooral met die van Napels.

15.7.11

D. H. Lawrence. Sons and lovers. Project Gutenberg, 2010

D.H. Lawrence. Sons and lovers Een leven van lezen is een leven van door een rijstebrijberg gaan: er is een eindeloze hoeveelheid om te smullen, je kunt als consument niet beter doen dan almaar door te happen; de meeste tijd ga je door smakelijke kost heen - als het niet lekker is, kun je altijd weer een hoekje omslaan - en soms stuit je ineens op een bijzondere lekkernij.
Van D.H. Lawrence had ik, als redelijk beschaafd burger van een vroeg-21e-eeuwse West-Europese samenleving natuurlijk wel gehoord, maar ik had me nooit in hem verdiept en al helemaal nog nooit iets van hem gelezen. Op basis van zijn reputatie had ik het idee dat hij een vroege Engelse voorloper van Ernest Hemingway was, een schrijver over woeste echte mannen en hun liefdesleven. Zoiets als Sons and lovers had ik nooit verwacht.
Iedereen moet dat boek lezen, vind ik. Het zou verplichte literatuur moeten zijn op de middelbare school, want het kan iedereen die ooit met menselijke relaties te maken krijgt, een hoop tijd sparen in zelf dingen uit te pluizen. Nog nooit heb ik zo'n precieze en heldere analyse gezien van hoe ingewikkeld liefdesrelaties zijn, hoe moeilijk het is om je te geven aan een ander, hoe mensen in zo'n relatie de hele tijd heen en weer gaan tussen grote liefde en aantrekkingskracht op het ene moment en afkeer (Lawrence noemt het consequent hate) op het andere.
Een ruwe, onontwikkelde mijnwerker en een wat gevoeliger, maar ook zelfstandige vrouw krijgen vier kinderen. Alle vier die kinderen, maar vooral de protagonist Paul Morel, worden in hun liefdesleven getekend door de manier waarop ze tussen die twee heen en weer geslingerd zijn. Paul is een gevoelige en begaafde man die een baan vindt als kantoorklerk en niet onverdienstelijk schildert, maar die in zijn liefdesleven niet kan kiezen tussen de gevoelige, hoogstaande, begripvolle Miriam (die hem afstoot door te veel van hem te houden) en de frivolere, zinnelijkere, getrouwde Clara (die hem verlaat als hij zich bij de ziekte en dood van zijn moeder in zichzelf keert). Het boek is tegelijk een roman en een essay over menselijke gevoelens en menselijke verhoudingen. Het gaat wel over de man als iemand die misschien nooit kan geven wat een vrouw wil (zijn 'diepste zelf'), maar het is dus geen boek over blanke bolsters, zoals ik verwachtte. Het is iets mateloos boeienders - een onverwachte verrijking van mijn leven. Hopelijk vind ik snel weer een nieuwe D.H. Lawrence in mijn eigen rijstebrijberg.

Probal Dasgupta. Loghi en homaj lingvoj. La substancisma perspektivo. Novjorko: Mondial, 2011.

Probal Dasgupta. Loghi en homaj lingvoj Ik onderhoud dit weblog nu toch al een aantal jaar, maar heb besloten om iets aan de spelregels te veranderen. Tot nu toe had ik als regel dat ik alleen boeken bespreek die ik 'voor mijn plezier' las en daarmee bedoelde ik: niet voor mijn werk, en daarmee bedoelde ik: niet over taalkunde. Ik kan die regel - die niemand op de hele wereld natuurlijk ooit iets heeft kunnen schelen, behalve mij - niet meer volhouden. Niet alleen dat ik boeken over taalwetenschap net zo goed ook voor mijn plezier lees, maar de scheidslijn tussen de twee activiteiten wordt ook vager.
Neem nu dit boek van Probal Dasgupta, Loghi en homaj lingvoj. Het gaat over taal, is geschreven door een taalkundige, maar is in veel opzichten toch eerder taalfilosofie dan taalwetenschap, al gaan die dingen in elkaar over, zoals ze ieder voor zich bij Dasgupta ook overgaan in literatuurwetenschap, en zelfs ook in literatuur. Ik heb het ademloos gelezen, het gaat vast dingen veranderen in hoe ik nadenk over mijn vak - bijvoorbeeld in het begrip dat er geen 'neutrale' taal bestaat, dat iedere zin, hoe onschuldig hij ook lijkt, behoort tot een bepaald genre, bijvoorbeeld dat van het onschuldige taalgebruik - maar tegelijkertijd heb ik het ook gelezen voor mijn plezier, om me te verheugen in het ingenieuze taalgebruik, en de interessante gedachten die Dasgupta ontwikkelt. Loghi en homaj lingvoj (Wonen in menselijke talen) is vooral ook een persoonlijk boek, waarin je de ene persoon Dasgupta goed leert kennen, iemand die in zo'n dertig jaar een zeer brede blik ontwikkeld heeft op wat taal is: een systeem waarin je als mens woont, maar ook een systeem dat misschien wel nooit helemaal neutraal kan zijn, omdat een neutrale, natuurwetenschappelijke kijk op het menselijk bestaan onmogelijk is. Het enige wat mogelijk is, is dialoog, een voortdurende conversatie tussen verschillende gezichtspunten, die zoveel mogelijk gebruik maakt van vertaling van het ene niveau naar het andere.
De gedachte is ingewikkeld en ik kan er onmogelijk recht aan doen in het soort korte stukjes dat ik normaal gesproken voor dit weblog schrijf. (Ik ga in ieder geval nog een langere recensie schrijven voor het tijdschrift Esperanto.) Maar het boek heeft me geraakt, vooral door de uiteindelijk vooral intieme toon die het heeft. Het vereist enorme inzet van de lezer om alles uit te pluizen, maar uiteindelijk wordt hij beloond met allerlei inzichten in de wereld, de taal, en de persoon van de schrijver.

13.7.11

Delphine Lecompte. De dieren in mij. Utrecht/Leeuwarden: De Contrabas, 2009.

Delphine Lecompte. De dieren in mij Wat is Delphine Lecompte gegroeid in een jaar tijd! Ik las een paar maanden geleden Verzonnen prooi, haar tweede bundel, en was onder de indruk. Nu las ik haar eerste bundel, die slechts een jaar eerder verscheen, en die vond ik minder.

Niet dat er geen mooie gedichten in staan. Zo begint bijvoorbeeld een van mijn favorieten, Schuttersbijeenkomst:

De pauw leidt met zijn staart
de aandacht af van zijn lelijke poten
zo vertelde je moeder je
en nu vertel je het aan mij
ik zal het niet doorvertellen
want ik leid met mijn zwijgzaamheid
de aandacht af van mijn lelijke tanden
en van het feit dat ik niets heb te vertellen
behalve miserie en leugens
en de miserie zit dan ook nog eens vol leugens
en vice versa.
De laatste vijf regels vind ik zo mooi, die zal ik nooit vergeten. (Behalve dat ik weet dat ik dit soort verzuchtingen vaker doe op dit blog, en dat ik soms oude leesverslagjes teruglees en me dan niets meer kan herinneren van zo'n boek, behalve een vage indruk. Als je alles toch steeds weer vergeet, waarom moet je dan steeds nieuwe boeken lezen? Maar dit terzijde.)

Maar verder begon ik deze keer toch iets beter de kritiek te begrijpen die andere mensen juist op de eerste bundel hadden: de wel erg grote willekeur en achteloosheid die de schrijfster aan de dag legt, bijvoorbeeld in het feit dat de enige ordening van de gedichten in de bundel een alfabetische is (Ademloos, Daar gaat mijn vriend, Dag zonder hoofdvogel). Toch ga ik de volgende bundel ook weer kopen en lezen. Van Delphine Lecompte valt nog veel te verwachten.

Stanley Fish. How to write a sentence and how to read one. Harpers and Collins, 2010

Stanley Fish. How to write a sentence and how to read one Mensen die praktisch schrijven over schrijven, hebben vrijwel zonder uitzondering de neiging om te laten merken wat een hekel ze hebben aan grammatica. Het is alsof ze voelen dat de gemiddelde lezer vroeger op school al een grondige afkeer van ontleden heeft ontwikkeld, en dat ze zich nu moeten distantiëren om al hun lezers niet weg te jagen.

Stanley Fish is geen uitzondering: wat een onzin, al die moeilijke taalkundige termen, weg ermee, taal is oneindig veel eenvoudiger. In plaats daarvan komt een ander beeld: een zin is een verzameling logische relaties tussen woorden, een zin geeft een selectie van alles wat er is op de wereld, en een structuur aan die selectie en bovendien een gezichtspunt aan die structuur. Dat laat Fish op een speelse en enthousiasmerende manier zien - die man houdt echt van zinnen - en in die technieken laat hij zijn lezers oefenen. Dat hij ze daarmee een soort eenvoudige grammaticale analyse leert, laat hij buiten beschouwing.

Maar goed, dat vind ik zelf ongetwijfeld alleen maar jammer omdat ik geloof en voel en meen dat kennis van echte syntaxis je nog veel meer kan doen genieten van zinnen. Dat het je beter laat schrijven en beter laat lezen, maar vooral: dat het je een apparaat geeft om preciezer te praten over al die zinnen die er op de wereld zijn.

Verder is schrijven voor Fish vooral een ambacht, zoiets als muziek maken. Je moet in het begin vooral eindeloos vingeroefeningen doen en loopjes oefenen. Als je dan later muziek gaat maken, kun je die oefeningen altijd gebruiken om ineens en moeiteloos ut te kunnen drukken wat je wil zeggen. Daar zit waarschijnlijk wel wat in: ongeveer alles kun je een zeker, minstens acceptabel, niveau brengen dor het veel te oefenen. Wat zou de wereld mooi zijn als iedereen Fish' boek zou lezen en de oefeningen echt zou doen. En dan door zou gaan met het leren van echte syntaxis.

A.F.Th. van der Heijden. Tonio. Een requiemroman. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011


A.F.Th. van der Heijden. Tonio. Een requiemromanZo'n drieëntwintig jaar geleden vond ik A. F. Th. van der Heijden de belangrijkste schrijver van Nederland. Ik herinner me dat ik ieder deel uit de reeks De tandeloze tijd bijna onmiddelijk kocht en liefst binnen een dag uitlas, liggend op het slaapbankje in mijn studentenkamer. 

De laatste jaren was ik Van der Heijden een beetje uit het oog verloren. Zo'n drieëntwintig jaar geleden is het dat Van der Heijden een zoon kreeg, die hij Tonio noemde. Vorig jaar kwam Tonio ineens bij een ongeluk in Amsterdam om het leven. Zijn vader schreef er een ongelooflijk verdrietig boek over, dat onlangs verscheen, dat ik onmiddellijk heb gekocht en in iets meer dan een dag heb uitgelezen. 

Nog nooit heb ik gevoeld wat het betekent om iemand van wie je intens houdt te moeten missen omdat hij uit het leven is weggerukt. Dat gemis, dat voortdurende gemis, dat gemis waarvan je telkens het idee hebt dat het nu pas tot je doordringt, dat gemis dat je niet eens niet meer zou willen voelen, dat dringt in dit boek ineens tot je door.

Tegelijkertijd is het boek ook meer dan een klaaglied. Het wil ook een roman zijn. Het voelt een beetje vreemd om erover na te denken als over een roman, omdat het zo onmiskenbaar autobiografisch is en zelfs zo vlak na de gebeurtenissen verschijnt. Maar toch: mij valt bijvoorbeeld op hoe de verteller zijn hele leven de literatuur probeert in te trekken. Dat begint bij de naamgeving (naar Tonio Kröger) en eindigt bij de foto die de ouders bij de rouwbrief rondsturen en die ook het omslag van het boek siert: Tonio verkleed als Oscar Wilde. Tussendoor wordt ook een aantal keer verteld hoe sierlijk Tonio sprak en hoe de vader heeft geprobeerd samen met zijn zoon een boek te schrijven. Tegelijkertijd krijg je het uit het boek het idee dat Tonio zelf niet veel met de literatuur ophad, hij zegt dat zelf ergens expliciet en het enige wat hij leest in de herinnering van de schei er is Donald Duck - al wordt daar wel uitdrukkelijk bij vermeld dat ook de tekstballonnen gelezen werden. Zelfs dat portret als Oscar Wilde was niet Tonio's eigen idee, maar een opdracht van school.

Een valse gedachte: na zijn dood heeft de jongen er niets meer over te zeggen en treedt hij alsnog de verafschuwde Nederlandse literatuur in. 

Maar dat is dan wel prachtige literatuur, en zelfs een waar aan het eind nog wat hoop gloort. In het boek zelf, als de ouders besluiten om nog heel oud te worden om zo de herinnering aan hun zoon levend te houden. Maar vooral als de roman eigenlijk al is afgelopen en er op de laatste bladzijden van het boek een lijst met alle eerdere boeken van Van der Heijden staat afgedrukt. Onderaan die lijst prijken twee titels 'in voorbereiding'. De schrijver schrijft door. Ik zal die volgende boeken ook weer kopen en verslinden.