29.1.12

Karl-Heinz Göttert. Alles außer Hochdeutsch. Ein Streifzug durch unsere Dialekte. Berlin: Ullstein, 2011.

In de afgelopen twee eeuwen hebben de dialecten in Europa steeds meer terrein verloren aan de standaardtalen. Sommige mensen denken dat die ontwikkeling nu langzaam maar zeker gekeerd wordt — de standaardtalen verliezen terrein omdat mensen om allerlei redenen steeds minder belang hechten aan de 'correctheid' die voor standaardtalen zo bekangrijk is. Desondanks zie je die dialecten nog niet echt enorm opleven.

Iets wat verdwijnt, trekt juist de aandacht en daarom verschijnen er overal boeken over dialecten. (Ik ben zelf betrokken bij de vorig jaar verschenen Dialectatlas van het Nederlands, en ik ben nu weer met een ander boek bezig.) In Duitsland ligt momenteel Alles außer Hochdeutsch in stationskiosken bij de kassa — een boek dat geschreven is door de emeritus hoogleraar Karl-Heinz Göttert uit Keulen.

Alles außer Hochdeutsch is voor een publieksboek over dit onderwerp opvallend dik en opvallend ernstig geschreven. Het biedt in de eerste plaats een overzicht van alle grote Duitse dialectgebieden, de belangrijkste kenmerken van de dialecten daar, iets over de geschiedenis en iets over de huidige stand van zaken. Het cliché ligt dan voor de hand dat zoiets alleen in Duitsland kan, maar in Nederland heeft Nicoline van der Sijs ook succes gehad met dikke, serieuze boeken over taal.

Je kunt dan ook veel leren uit Alles außer Hochdeutsch, en de toon is ondanks die ernst toch prettig. Voor de kenner staan er af en toe wel foutjes in (Göttert is wel taalkundige, maar niet echt een dialectoloog) en om kenner te zijn hoef je in dit geval alleen maar Nederlands te spreken. De verhouding tussen het plat-Duits en het Nederlands wordt niet of nauwelijks uitgelegd, Göttert schrijft er soms over alsof het volkomen vanzelf spreekt dat het twee verschillende talen zijn, terwijl het op andere punten weer duidelijk wordt gemaakt dat de talen 'vloeiend' in elkaar overlopen. Bovendien schrijft hij wonderlijke dingen als:

So heißen die 'Bauchschmerzen' in Ostfriesland Liefkählt (wie Liefsehr in den Niederlanden), die 'Kopfschmerzen' Kopkählt (wie Kopsehr in den Niederlanden).

Ik kan zelfs niet bedenken waar de schrijver die woorden vandaan gehaald heeft (ze komen misschien in oostelijke dialecten wel voor, maar zullen zelfs dan niet zo geschreven worden).

Affijn, zie zelf maar eens een zo duidelijk overzicht over een zo ingewikkeld onderwerp te maken zonder een paar foutjes!

28.1.12

Jeanine Daems en Ionica Smeets. Ik was altijd heel slecht in wiskunde. Amsterdam: Nieuwezijds, 2011.

Nu ik Ik was altijd heel slecht in wiskunde van Jeanine Daems en Ionica Smeets gelezen heb, denk ik dat ik een wiskundemeisje ben, geboren in een verkeerd lichaam — dat van een ouwe taalman. Wat een jaloersmakend lekker blader- en snuffel- en piekerboek hebben Daems en Smeets, die al meer dan vijf jaar actief zijn met het populariseren van de taalwetenschap, samengesteld! Het is heerlijk om te lezen, wat moet het leuk zijn geweest om het te maken.

In sommige opzichten is dit meer een tijdschrift of een website dan een boek: de organisatie is nogal losjes. Er zijn hoofdstukken die om bepaalde thema's gecentreerd zijn, zoals 'getallen' en 'vriendschap', maar ieder hoofdstuk bestaat uit allerlei korte stukjes: columns, miniatuurlevensbeschrijvingen van wiskundigen die op een bizarre manier om het leven gekomen zijn, puzzeltjes en raadsels, tips om een sinaasappel op een heel ingewikkelde manier te schillen en nog veel meer.

Het voornaamste effect dat een en ander heeft op de lezer is: doordat het boek zo bruist geeft het nieuwe energie. Het is niet zo dat je er veel concrete dingen van leert, al pik je her en der wel wat feitjes op en wat weetjes die allicht nog eens te pas komen bij een wak in de conversatie. Maar eerder dan die inhoud leer je iets over een geesteshouding: die van enthousiasme, je niet laten weerhouden door wat moeilijkheden om beter door te dringen in ingewikkelde materie die uiteindelijk heel mooi kan zijn.

Ik heb ook heus wel wat te klagen, maar dat gaat over details. Ik vind het bijvoorbeeld jammer dat de wiskundemeisjes zich hebben laten leiden door twee ijzeren, maar volgens mij onnodige, regels in de populaire wiskunde: (i) zo weinig mogelijk formules gebruiken en als je dat toch doet, je daar dan uitgebreid voor verontschuldigen, en (ii) zinspelen op het feit dat wiskundigen de reputatie hebben van een nerd. Wat betreft het eerste: het zijn heus niet de formules die ons lezers afschrikken, het is de onduidelijke uitleg die daar vaak van gegeven wordt (en daar is in dit boek geen sprake van).

En wat betreft het tweede: ik geloof helemaal niet dat de gemiddelde lezer van een boek als dit nu echt denkt dat alle wiskundigen per definitie nerds zijn. Ikzelf heb dat beeld in ieder geval helemaal niet: voor mij kan een wiskundige net zo goed een leuke, vrolijke, enthousiaste, slimme vrouw zijn. Zo iemand als ik dus.

25.1.12

Christopher Johnson. Microstyle. The art of writing little. New York: Norton, 2010

Lange tijd was taal vooral een kwestie van 'goed' en 'fout', zegt Christopher Johnson. Mensen dachten na over taal wanneer ze gingen schrijven, en ze schreven alleen in situaties waarin ze werden beoordeeld: op school, bij sollicitatiebrieven. Correctheid werd daardoor automatisch de belangrijkste eis die aan taal werd gesteld.

Langzaam maar zeker verandert dit volgens Johnson. Mensen schrijven zoveel, op internet, op hun mobiele telefoon, op Twitter, enzovoort, dat correctheid er steeds minder toe doet, en gaandeweg vervangen wordt door een ander criterium: effectiviteit. En omdat het overal om ons heen zo krioelt van allerlei teksten, omdat we gaandeweg steeds meer leven in een aandachtseconomie waaraan er zo'n aanbod is aan taal dat er een gebrek is aan menselijke aandacht, betekent effectiviteit vooral: in kort bestek de aandacht trekken en vasthouden. Dat gebeurt in merknamen, in tweets, in sms-berichten, in krantenkoppen en reclameslogans: een goede moderne stijl is daarom een microstijl.

Dat correctheid en effectiviteit soms tegengestelde eisen stellen, blijkt alleen al uit allerlei moderne merknamen: Google en Flickr zijn 'incorrect' (het moet 'eigenlijk' googol en flicker zijn) en daardoor zijn ze zo effectief. Johnson, die zelf voor een Amerikaans merknamenbureau werkt (dat onder andere BlackBerry bedacht) legt die verandering uit en geeft een heleboel praktische tips over hoe je in heel kort bestek een boodschap kwijt kunt: niet alleen als bedrijf, maar ook als burger op de digitale media. Hoe maak je zo effectief mogelijk gebruik van dubbelzinnigheid, van klankeffecten of van zinsbouw om ieder lettertje betekenis te geven en het geheel tegelijkertijd in één oogopslag duidelijk te laten zijn: als romans woordenschilderijen zijn en wetenschappelijke artikelen technische tekeningen, dan zijn microberichten zoals infographics.

Tussen neus en lippen door wordt de lezer ook nog het een en ander aan taalwetenschap bijgebracht, want Johnson is in dat vak in Berkeley gepromoveerd. De meeste dingen legt hij wel aardig uit, maar het is een beetje storend dat hij af en toe uitlegt waarom de ene taalkundige school (die van Berkeley) het wel bij het rechte eind heeft, en een andere (die van ergens anders) niet. Daar heeft de lezer niet zo'n boodschap aan lijkt mij en zulke overbodigheden snijdt de ware microstilist dan ook liever weg.

21.1.12

Niccolò Ammaniti. Io e te. Einaudi, 2010.

Wat zijn de problemen van onze tijd? Als je antwoord wilt op die vraag, kun je bijvoorbeeld naar de tv kijken. Je krijgt dan de indruk dat een belangrijke kwestie is welke tv-persoonlijkheid boos is  op welke andere tv-persoonlijkheid. Je kunt ook de krant lezen en denken dat het gaat om het klimaat en de eurocrisis. Of je kunt de boeken lezen van, pakweg, Niccolò Ammaniti, en inzien dat het eigenlijk gaat om de totale liefdeloosheid in de gezinnen.

Om daar meer over te zeggen, ga ik nu even een paar dingen verklappen, maar niet alles. Lorenzo, de hoofdpersoon van Io e te is een licht autistisch jongetje dat zich in de nesten heeft gewerkt doordat hij zijn moeder heeft willen laten geloven dat hij op school heel populair is en dat hij zelfs is uitgenodigd voor een skivakantie. Omdat zijn moeder zo blij is, durft hij dan niet meer toe te geven dat die uitnodiging maar verzonnen is. Hij verschuilt zich dan de hele vakantie in een kelder onder het appartementencomplex waar hij met zijn ouders woont, voor een deel van de tijd met zijn verslaafde halfzus die vol haat is tegen hub gezamelijke vader.

De liefdeloosheid spat van de pagina's af. Zo verkeert de lezer (ik in ieder geval) bladzijden lang in de veronderstelling dat de ouders van Lorenzo wel gescheiden zullen zijn, vanwege de kille en afstandelijke manier waarop ze over elkaar praten, maar gaandeweg kom je erachter dat de vader juist de moeder van halfzus Olivia verlaten heeft voor de moeder van Lorenzo. Die laatste is dan weliswaar autistisch, maar blijkt nog de enige te zijn met een soort menselijk gebaar - als het in ieder geval menselijk mag heten om je oude, door iedereen verlaten oma in het ziekenhuis een tijdje te vermaken met een verhaal over een dood en verderf zaaiend minirobotje.

Halfbroer en -zus delen dan weliswaar enkele dagen in een kelder, dagen waarvan je in ieder geval voor Lorenzo zou hopen dat ze hem gevormd hebben (de achterflap suggereert dat ook). Maar ook die hoop wordt de bodem ingeslagen: uit een appendix blijkt dat Lorenzo zijn halfzus daarna nooit meer gezien heeft tot ze toen jaar later aan een overdosis overleed.  

Io e te is een mooi boek, vooral als je van harde waarheden houdt. We leven allemaal in een kelder, die we weliswaar volgestouwd hebben met chocola en artisjokkenhartjes en computerspelletjes, maar waarvandaan we van onze medemensen niet meer dan wat voorbijtrekkende schaduwen zien. 

15.1.12

Frank Koenegracht. Lekker dood in eigen land. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011

De poëzie is misschien wel iets dat een mens er het best bij kan doen: overdag een ernstige en veeleisende baan als ambtenaar of als concertpianist en dan in de trein of het vliegtuig naar huis lekker gedichten schrijven. Romans vereisen een langere adem die niet op te brengen is als bijverdienste, maar een gedicht kun je opschrijven en er later tijdens eventueel eindeloos veel sessies steeds een beetje bijvijlen. Het beste dichten is zondagsdichten.

Voor lezers zou dat eigenlijk ook moeten gelden: als je iedere dag alleen maar in de trein twintig minuten leest, breek je noodgedwongen een roman wel in heel veel stukjes. In dat opzicht is het vreemd dat je in de trein nooit iemand met een dichtbundel ziet zitten.

Frank Koenegracht is een Leidse psychiater die daarnaast gedichten schrijft. Dat levert heel prettige gedichten op, gedichten die een beetje speels zijn en een beetje wrang zonder dat je nu meteen begint te schuddebuiken van het lachen of juist niet meer weet waar je het zoeken moet van verdriet. Een mooi gedicht vind ik bijvoorbeeld het 'epigram' dat de opdracht kreeg 'voor Rudy', in wie we wel Koenegrachts goed vriend Rudy Kousbroek zullen moeten herkennen:

Als je dood bent op een dag
blijven de lampen rustig in hun fittingen
en ook de wc kan je gewoon doortrekken.
Wel voorzichtig want
het vlottertje werkte al niet goed.
Alles doet het nog: bijvoorbeeld
de overdrijvende wolkenvelden
en de matige tot krachtige tijdelijk harde
tot zeer harde wind uit uiteenlopende richtingen.

Dit is zondagsdichten op zijn best: met goedgekozen woorden ('vlottertje', wanneer hoor je dat woord nou, op Google heeft het minder dan 10.000 treffers) krijg je een intiem inkijkje in een vriendschap (men gaat zo vaak bij elkaar naar de wc dat men de eigenaardigheden van elkaars apparatuur kent) die kennelijk ook al lang duurde.

Bovendien doet het gedicht mij in ieder geval aan Elsschot denken, en ik denk dat dit de bedoeling is. De uitgesproken verbazing dat alles maar blijft doorgaan na de dood van een geliefd iemand is het mooist verwoord in Elsschots:

De aarde is niet uit haar baan gedreven
toen uw hartje stil bleef staan,
de sterren zijn niet uitgegaan
en 't huis is overeind gebleven.

Koenegracht en Kousbroek kenden dat gedicht natuurlijk ook; ze hebben het er misschien weleens over gehad. Dit gedicht is daardoor een weemoedig saluut aan een dode met wie je het zo vaak over de dood gehad hebt.

Kālidāsa. The recognition of Śakuntalā. Oxford University Press, 2001 (4e eeuw n. Chr.)

Vertaling: W.J. Johnson

Wat weten we echt van de werkelijkheid? Niet veel, volgens het oude Indische toneelstuk De herkenning van Śakuntalā. En voor wat we wel weten zijn we overgeleverd aan de grillen van anderen, van magiërs bijvoorbeeld en van onze eigen beperkingen.

Het verhaal draait om een aantal scharnierpunten waar mensen elkaar niet herkennen. Een koning komt aan in een woud waar een asceet leeft met zijn dochter en raakt hevig verliefd op dat meisje, Śakuntalā. Hij trouwt haar ter plekke en ze raakt meteen zwanger van hem. Wanneer de koning echter terug is gekeerd naar zijn hof, loopt Śakuntalā per ongeluk tegen een magiër aan tegen wie ze veel te grof is. Die spreekt daarom een vloek uit dat haar geliefde haar niet meer zal herkennen. Als hem dan wordt tegengeworpen dat Śakuntalā hém eigenlijk al niet herkende, niet wist tot welke kaste hij behoorde, verzacht hij de vloek: als de geliefde een object te zien krijgt dat hij haar gegeven heeft, komt zijn geheugen weer terug.

Zo geschiedt. De koning herkent Śakuntalā niet meer en kan zich zelfs niets meer over haar herinneren. Ze wil hem dan haar ring laten zien, maar is hem verloren. Pas als hij even later — Śakuntalā is dan al in arren moede vertrokken — opduikt in de buik van een vis, weet de koning alles weer. Een paar jaar later vindt hij haar en zijn zoon weer terug, weer door een merkteken: de zoon draagt een armband die alleen kan worden opgetild door een van zijn ouders en de koning tilt hem min of meer toevallig op.

Het is een fascinerend verhaal. Aan de ene kant is de wereld van Śakuntalā ons natuurlijk volkomen vreemd. Een detail als dat iemand vergeven moet worden voor haar ruwe gedrag omdat ze nu eenmaal niet wist tot welke kaste de ander behoort is voor de moderne westerse mens maar moeilijk te vatten.

Tegelijkertijd hebben die hindoes volgens mij een veel realistischer kijk op de wereld dan menige moderne westerse mens — of althans een blik die meer lijkt op de mijne. Het is ook allemaal niet te begrijpen wanneer je je nu wel of niet iets herinnert. De allerbelangrijkste dingen kunnen soms ineens uit je geheugen gewist zijn om redenen die je niet goed vatten kunt. Dat dan toeschrijven aan een 'vloek' is niet meer of minder reëel dan iedere willekeurige alternatieve verklaring die je zou kunnen verzinnen.

Het allerinteressantst is misschien nog wel dat objecten (sieraden) steeds zo'n belangrijke rol spelen bij het terugvinden van de herinnering: de koning herkent zijn vrouw aan een ring, zij herkent hem in zekere zin aan een armband. Voor zover ik weet, speelt dit in modern onderzoek naar geheugen ook een rol, en in ieder geval is het in de Europese literatuur weer bekend sinds Proust: concrete voorwerpen kunnen hele werelden van herinnering terugroepen.

9.1.12

Piergiorgio Odifreddo. Caro papa, ti scrivo. Milano: Mondadori, 2011

Geachte heer Odifreddo,

Het is een sympathieke vorm die u gekozen hebt voor uw laatste boek Caro papa, ti scrivo: een brief aan de paus. U hebt zijn boeken genomen, vooral een inleiding in het christendom die hij enkele decennia geleden schreef en zijn boek over Jezus van enkele jaren geleden en u neemt deze als het uitgangspunt van een dialoog. U citeert Ratzingers boeken en u geeft er uitgebreid commentaar op. U doet dat respectvol maar duidelijk en in een prettig leesbare stijl.

U gelooft niet, sterker nog u bent een van de beroemdste ongelovigen van Italië, een soort Richard Dawkins of Christopher Hitchens van dat land. Net als die twee bent u zeer sterk tegen het geloof gekant en u gebruikt vooral veel argumenten uit de wetenschap; in uw geval vooral de wiskunde, uw eigen vak. Op het omslag van uw boek staat: En net als uw Britse tegenhangers kan ik het, die al mijn hele leven ongelovig ben, maar niet echt eens worden.

Mijn eigen bezwaar tegen het georganiseerde christendom, en met name het katholicisme, uw is dat het zo absoluut is: het meent op gronden die ik niet kan volgen dat het de absolute waarheid meent in pacht te hebben. De Kerk weet hoe het zit. Dat correspondeert helemaal niet met mijn levensgevoel; ik heb het idee dat ik voortdurend in het duister tast, dat ik ergens in een gigantisch woud verkeer en dat ik om me heen misschien wel een paar centimeter min of meer kan zien, maar dat het daaromheen al snel volkomen donker wordt.

U lijkt in dit opzicht echter veel meer op de paus dan op mij. U deelt met de paus het idee dat u de waarheid kent — een abstracte waarheid die zich op grote afstand bevindt van de zintuiglijke waarneming.

U hebt dat idee allebei van Plato, zoals u zelf ook min of meer zegt. Plato geloofde dat er een abstracte waarheid was en dat deze te kennen was voorbehouden aan een elite. Zowel paus Ratzinger als wiskundige Odifreddo menen deze werkelijkheid te kennen — alleen ziet deze er voor u beiden totaal verschillend uit, ziedaar uw verschil van mening.

U probeert Ratzinger en de lezer er vervolgens van te overtuigen dat de Platonische werkelijkheid van de wis- en natuurkunde de enige echte is. Ik denk dat u ook wel weet dat u de paus, die weer een heel andere werkelijkheid achter de onze ziet, nooit zult overtuigen. Maar ook deze lezer overtuigt u niet. Ik ben een wetenschapper, ik heb een heilig ontzag voor de wetenschap, ik vind dat de mens met die wetenschap een grote krachtige schijnwerper heeft gemaakt, die wel enkele decimeters het bos in wijst in een bepaalde richting. Maar andere kanten wijst hij niet op en ook de richting waarin hij wijst blijft raadselachtig.

Ik ben geen katholiek en ik denk niet dat ik dat ooit zal worden. Maar ik heb eigenlijk niet het idee dat de paus het verkeerd ziet, ik denk dat hij in geloofszaken op zijn manier gelijk heeft. Misschien ben ik eigenlijk ook geen atheïst, maar meer een polytheïst, ik erken vele goden, die allemaal stukjes van de waarheid te bieden hebben. Die ene grote abstracte transcedente waarheid die daarachter steekt, die zien anderen misschien wel, en die is er misschien ook wel, maar voor mij is hij altijd verborgen. En zo blijft uw mooie brief aan Ratzinger er toch een van iemand die ongelijk heeft aan iemand anders die het omgekeerde gelooft en toch ook ongelijk heeft. Laten we met zijn allen over dit soort dingen blijven schrijven.

5.1.12

Jan Cremer. Ik, Jan Cremer. Den Haag: Letterkundig Museum, 2010 (1964)

Jan Cremer was een voorloper van van alles en nog wat in de samenleving. Daar schijnt hij zich ook op te hebben voorgestaan: zonder Jan Cremer geen minirok. Maar als dat waar is, dan mag ik ook op iets anders wijzen: zonder Jan Cremer geen PVV.

Ik, Jan Cremer lezen is om allerlei redenen een schokkende ervaring. Een ervan is dat her zo'n slecht boek is, stilistisch mager, inhoudelijk vreselijk eentonig (de bak ingaan omdat je iemand op zijn bek getimmerd hebt, meisjes neuken, ziedaar de actie in het boek, pagina in, pagina uit).

Dat het boek ooit zo populair heeft kunnen worden, dat het nu geacht wordt een serieus onderdeel te zijn van de 20ste-eeuwse canon: schokkend vind ik het. En dat dan nog wel het allermeest om inhoudelijke redenen. Het boek beschrijft, met kennelijke instemming, het gedachteleven van een oversekste, amti-intellectuele crimineel die nooit ergens enige verantwoordelijkheid neemt, maar altijd overal andere mensen de schuld van geeft. Een liefdeloze figuur die alleen hoon over heeft voor mensen die iets meer willen dan knokken en met meisjes naar bed gaan.

De vooraanstaande criticus Pierre H. Dubois schijnt het boek indertijd 'schofterig' en 'onfatsoenlijk' te hebben genoemd, en te hebben gezegd: "Ik bedoel hier niet de sexuele grootspraak en de ruime terminologie, die weinig verrassends hebben kunnen, maar vooral de onverholen, lijnrecht sadistische ontboezemingen, die op een [...] fascistische geestesgesteldheid wijzen ."

Zoiets schijn je nog steeds alleen maar te mogen citeren om te laten zien wat een beperkte oude man die Dubois was, zoals Onno Blom doet in het essay dat deze uitgave begeleid. Maar ik denk dat Dubois groot gelijk heeft.

Natuurlijk mag literatuur amoreel zijn, maar dit is een waardeloos geschreven boek dat een verderfelijke levenshouding propageert. 'Fascistisch' lijkt me overigens niet het juiste woord, tenzij bedoeld in de zin van 'algemeen verderfelijk' — het fascisme streefde naar strakke discipline en dat ontbreekt bij Cremer ten enenmale. Maar de vergelijking met de PVV staat wel.

De toon van de onverbiddelijke bestseller is dezelfde als die van de man die het nu in de Tweede Kamer allemaal durft te zeggen: de grote bek tegen iedereen die wel zijn best doet er iets van te maken, het ongegeneerde rancuneuze schreeuwen, het absoluut centraal stellen van de eigen individuele vrijheid, al gaat die ten koste van alle anderen, de verheerlijking van het zinloze vernietigen, het spotten met alle anderen (het was dat in Cremers tijd de islam nog niet was uitgevonden, dus nu moet hij het doen met Joden, Indiërs, 'flikkers' en andere mensen die anders waren dan hij).

Ik denk trouwens dat er nog een andere overeenkomst is. Zoals mensen lange tijd niet fel durfden te reageren op Wilders vanwege wat er eerder met Fortuyn gebeurd was, zo denk ik dat het overdreven respect voor Cremer ook deels kan worden verklaard uit het feit dat er eerdere generaties waren geweest van grote schrijvers die ook rebellen waren en soms reacties opriepen als die van Dubois. Cremer verwijst zelf bijvoorbeeld naar Rimbaud, al doet hij ook net of hij niet wist wie dat was. Nou, meneer Cremer, ik zal het u vertellen: het is iemand die hopelijk nog gelezen wordt als uw waardeloze boek allang vergeten is.

4.1.12

George Scialabba. Divided mind. Arrowsmith, 2006

Waarom zou een mens kritisch denken? Het is vermoeiend en het levert in het beste geval niets op - terwijl het meestal gunstiger is om mee te dobberen met de stroom van hoe de dingen nu eenmaal gaan.

De manier van denken van George Scialabba lijkt me uitzonderlijk vermoeiend. Voortdurend zoekt hij schrijvers op die meningen hebben die hij niet deelt, om hun argumenten zo precies mogelijk in overweging te nemen, en zich er soms door te laten overtuigen. Zo staat er in deze eerste bundel van Scialabba's essays — gratis te downloaden op de website van de auteur — een artikel waarin de van lang geleden zijn geloof gevallen schrijver zijn sympathie voor de religieuze essays van C.S. Lewis uitspreekt.

Er zijn kennelijk nu eenmaal mensen die hun angst voor het kantelende wereldbeeld weten te bedwingen doordat ze tegelijkertijd het plezier kennen van dat kantelen. Die zonder dat ze in de illusie trappen dat de waarheid binnen handbereik ligt, plezier ontlenen aan een voortdurende zoektocht naar die waarheid. Zo iemand is George Scialabba.

(Dat hij niet bang is voor de angstige waarheid blijkt vooral uit het laatste essay, waarin hij onder het oog van de lezer zijn diepe chronische depressie recht in jet gezicht durft te kijken.)

Ik weet niet of Scialabba weleens over Popper geschreven heeft, maar in sommige opzichten doet hij wel aan hem denken (al schrijft S. beter dan P.) In de eindeloze bereidheid om te argumenteren, natuurlijk, maar ook in de diepgewortelde democratische overtuiging dat je iedereen serieus moet nemen, dat er in een degelijke samenleving ook plaats is voor iedereen en dat in die zin een meritocratie heel gevaarlijk is.

Een andere overeenkomst is verder de gezamelijke afkeer van een politiek die gebaseerd is op Platonische idealen in plaats van op de menselijke maat. Interessant is bijvoorbeeld Scialabba's commentaar op de moderne socialistische idealen — commentaar dat hij overigens toeschrijft aam de als denker niet erg populaire schrijver D.H. Lawrence: dat het er niet om gaat om het kapitalistische systeem waarin sommigen de macht hebben te vervangen door een systeem waarin allen de macht hebben, maar om een samenleving te creëren waarin macht er niet toe doet. Voor Scialabba ligt de sleutel in kleinschaligheid: als mensen kunnen leven in kleine, overzichtelijke gemeenschappen waarin iedereen begrijpt wat hij doet en waarom, waarin misschien minder ruimte is voor 'excellentie', maar des te meer voor menselijkheid, dan vaart uiteindelijk iedereen daar wel bij.

Het is een aantrekkelijke gedachte al zou ik wel willen weten hoe we een dergelijke samenleving met Popperiaans kleine stapjes kunnen bereiken, als we vertrekken vanuit onze huidige samenlevingsvorm. Misschien moet ik daar nog eens goed over nadenken — fijn!