29.7.14

Seneca. De lengte van het leven. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2012 (ca. 50n.Chr.)

Vertaling: Vincent Hunink
Een jachtig leven, almaar druk met van alles en nog wat, werk, pleziertjes – Seneca moest er niets van hebben. Beter kon je je tijd besteden met jezelf, met een contemplatief leven, met denken over de grote vragen van het leven.
De mensen klaagden wel dat het leven zo kort was, maar daarin hadden ze ongelijk. Het leven was precies lang genoeg, als je het maar niet vermorste aan allerlei onzin, zoals een politieke carriere enerzijds, of drank en seks anderzijds. Wie het leven werkelijk leefde, was in contact met zijn eigen verleden en het verleden van de mensheid – en had dus tijd genoeg.
Ja, ja.
Het merkwaardige is dat Seneca eigenlijk nergens argumenten geeft waarom dat eigenlijk nodig is, 'werkelijk leven'. Oké, hij heeft wat anekdotes over mensen die een leven lang druk bezig zijn geweest en aan het eind van hun leven spijt hadden dat ze dat leven hadden vermorst. Maar wat zegt dat? Hoeveel mensen staan daartegenover die probeerden te contempleren maar daar uiteindelijk spijt van kregen omdat ze liever toch iets meer macht of aanzin hadden gekregen, of op zijn minst gewoon wat te doen?
Het enige echte argument dat Seneca uiteindelijk lijkt te geven is dat het leven in contemplatie zoveel prettiger is. De mens voelt zich uiteindelijk alleen fijn wanneer hij tijd voor zichzelf heeft en minder voor wat anderen allemaal van hem willen. Maar is het uiteindelijke doel dan dat de mens zich fijn voelt? Ook hier verwaardigt de grote Romeinse denker zich niet zelfs maar het begin van een antwoord te geven.


27.7.14

Johan Huizinga. Herfsttij der middeleeuwen. Gutenberg, 2005 (2014)

Ik heb iets gedaan dat sommige mensen gruwelijk vinden: de Gutenberg-versie van Herfsttij der middeleeuwen gelezen op mijn e-reader. De schrijver Marcel Möring schreef laatst nog afkeurende woorden over de gebrekkige verzorging van die e-boeken: wat een barbarij! Hoe kan iemand zoiets lezen, met al die rare afbrekingen, die pagina's die er zo raar uitzien!

Mij interesseert het niet of nauwelijks. Ik heb de Herfsttij zelfs ook op papier, maar de elektronische versie was nu even handiger: ik las het boek terwijl ik op reis was. En ik ben na "Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het verleden zoekt", de eerste zin van het 'voorbericht', al vergeten dat ik naar een klein grijs schermpje met iets donkergrijzer Times New Roman zit te kijken.

De zinnen van Huizinga – die roepen inmiddels meerdere lagen van historisch besef op. Daar is de oorspronkelijke laag, die je nog steeds magistraal de Bourgondische veertiende en vijftiende eeuw in voert, toen alle 'levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu' hadden. Die eerste zin van het eigenlijke werk wordt bovendien meesterlijk uitgewerkt: bijna iedere zin die volgt in dit toch best dikke boek is er een uitwerking van. Huizinga geeft een interpretatie van de tijd die hij beschrijft, en wel een heel dwingende. Talloze argumenten worden er aangedragen zodat je (ik weet niks van geschiedenis, dus let op) geneigd bent om te denken dat iedere historicus die het nu zou wagen te beweren dat "het allemaal wel wat genuanceerder ligt" (zulke historici zijn er vast) met groot wantrouwen te bezien.

En dan is er ten slotte een taalmelancholie: ach, de tijd dat een intellectueel die géén romans schreef nog wel zulke kathedralen van zinnen kon bouwen, zo schijnbaar achteloos zoveel virtuositeit aan de dag legde: niks korte zinnen of korte alinea's omdat de lezer je anders niet volgt! Bedt gerust een bijzin in een bijzin in, die je zelf weer inbedt in een bijzin.

Heerlijk, heerlijk. Hoe je dan nog kunt letten op de boekverzorging is mij – barbaar die ik ben – een raadsel.

Simon Critchley. How to stop living and start worrying. Conversations with Carl Cederström. Cambridge: Polity Press, 2010

Doe Ik ook eens een keer wat de TV mij opdraagt. Ik zag een programma waarin Stine Jensen Simon Critchley aanprees als 'een van de interessantste filosofen van deze tijd', dus haalde ik meteen het boek op van een elektronisch boekenstalletje dat ze daarbij omhoog hield: How to stop living and start worrying.

Ik had nog nooit iets van Critchley gelezen, ongeletterd als ik ben, maar ik wist wel dat hij een Britse beoefenaar is van de zogeheten 'continentale filosofie'. Dat zijn natuurlijk de beste. Dacht ik.

Maar wat valt dit boek dan tegen. Het wordt gepresenteerd als een inleiding in Critchleys ideeënwereld: in een serie vraaggesprekken gaat Carl Cederström met Critchley door zijn tot 2010 verschenen boeken heen. Misschien dat die eigenlijke boeken interessanter zijn, maar in de interviews maakt Critchley vooral de indruk iemand te zijn die goed Heidegger en Levinas kan samenvatten in zijn eigen woorden, waarbij fuck een van die eigen woorden is.

Erg veel interessante ideeën kom ik daarbij niet tegen. Niet je eigen dood is belangrijk, maar die van anderen, want die confronteren je met het feit dat iets niet meer mogelijk is: die ander zien. Er bestaan verschillende humor; de goede humor maakt niet andere mensen belachelijk, maar laat ons de zaken van een andere kant zien (bijvoorbeeld: de Marx Brothers). Liefde en seks zijn verschillende dingen; de ware liefde impliceert dat je jezelf aan een ander geeft zonder dat je er iets voor terugverlangt.

Ik heb het idee dat een en ander als bijzonder dwars en verfrissend wordt gezien. Simon Critchley heeft zijn naam als auteur op het omslag staan. Dat betekent dat hij achter deze samenvatting staat. Ik ben dan bang dat het leven te kort is om ooit nog iets van hem te lezen.

 

19.7.14

Simon Schama. The Story of the Jews. Finding the Words, 1000 BC-1492 AD. Haper/Collins, 2014.

Ik wist soms niet zo goed wat ik aan moest met deze geschiedenis van de joden tot het einde van de middeleeuwen.

Het onderwerp vind ik interessant, daar ligt het niet aan. Dit boek krijgt overal waar ik kijk goede recensies. Simon Schama is een beroemde en vooraanstaande historicus.

En ik kan ook echt de kwaliteiten van dit boek zien. Schama zoomt tijdens de geschiedenis steeds op individuele personen in – beroemde als Maimonides, maar ook veel minder bekende – en hij haalt daarbij allerlei verrassende dingen naar boven. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Jahweh drieduizend jaar geleden een vrouw had, dat mannen en vrouwen in de sjoel zo'n tweeduizend jaar geleden waarschijnlijk door elkaar zaten, en dat die synagoges bovendien ruimhartig van mozaïeken waren voorzien, met allerlei afbeeldingen.

Schama deconstrueert, kortom, zoals dat heet de joodse identiteit. Geen enkele traditie is echt drieduizend jaar oud en zo door Mozes aangedreven. Nee natuurlijk niet! Iedere menselijke oeroude traditie is ooit bedacht. Mozes komt trouwens in het boek niet als historische figuur voor: daarvoor hebben we te weinig aanwijzingen. En daarbij blijven dan nog genoeg mooie, indrukwekkende, goed geschreven verhalen voor nodig.

Maar ik mis toch wel iets. Door al dat inzoomen mis ik soms het overzicht. Hoe verspreidden de joden zich precies over Europa? (Het deel over de latere middeleeuwen begint met de gebeurtenissen in Worms; voor die tijd hebben we nog nooit iets over joden in Duitsland gehoord.) Iets anders wat ik, vooral in het af en toe behoorlijk gruwelijke deel aan het eind mis, is een wat duidelijker antwoord op de vraag waarom: wat liet al die mensen vasthouden aan hun jodendom ondanks de gruwelijke vervolgingen? Hoe zagen ze dat jodendom precies? Wat het hun geloof of zagen ze zich vooral als trouw aan hun volk en geschiedenis? Ik weet dat die zaken door elkaar heen lopen, maar hoe zat het precies?

Het verwarrendst vind ik echter dat Schama zich af en toe grapjes veroorlooft. Althans, ik neem aan dat de luchtige opmerkingen tussendoor over hoe Joodse moeders nu eenmaal zijn, of (bij het beschrijven van winkels in een Joodse enclave in het egypte van 400 voor Christus) dat we hier de eerste tekenen hebben van joodse koopwoede, ironische grapjes zijn. Dat Schama niet écht denkt dat de Joodse moeder het énige is wat echt constant is gebleven – dat de joden eigenlijk altijd een soort Britse geseculariseerde joden zijn geweest. Maar wat dan wel? En waarom maakt hij die grapjes dan?

12.7.14

Willem Frederik Hermans. De tranen der acacia's. Amsterdam: De Bezige Bij, 2013.

De tranen der acacia's was misschien wel het eerste literaire boek dat ik ooit gelezen heb, dat moet nu ruim dertig jaar geleden zijn. Sindsdien heb ik het nooit meer ingezien.

Ik herinnerde me natuurlijk nog wel dat verschillende personages in het boek met elkaar naar bed gaan. Wat ik me niet herinnerde, is dat De tranen der acacia's een boek is dat gaat over de vrouwelijke seksualiteit, of eigenlijk over de manier waarop een man die beleeft.

De vrouwen in dit boek zijn bijna allemaal bedreigend, griezelig of opdringerig. Arthur Muttah leeft met zijn zus Carola en zijn oma in een huis in Amsterdam. Ze bedriegen of haten hem allebei, of in ieder geval denkt hij dat.

Vrijwel alle andere vrouwen zitten achter hem of achter de andere mannelijke hoofdpersoon Oskar Ossegal aan: allebei de mannen gaan in het boek met een vrouw naar bed hoewel ze er eigenlijk geen zin in hebben, maar omdat de vrouw het graag wil, en ze bang zijn voor die vrouw. De enige vrouw van wie ze allebei echt houden, Oskars Tsjechische echtgenote Andrea, bedriegt ze allebei, en niet alleen met elkaar.

Er zijn ook vrouwen die echte mensen zijn, en bijvoorbeeld een onbeantwoorde liefde voor Arthur tonen: Rose, een dienstmeisje bij Arthurs Brusselse vader, loopt hem letterlijk tot op het laatst achterna, tot zijn trein terug naar Nederland vertrekt. Het afscheid op het station, waarin zij huilt en hij niets van haar wil weten, is hartverscheurend. Eerder heeft hij trouwens al een andere vrouw naar de trein gebracht zonder enige intentie haar ooit op te halen. Want mannen zijn natuurlijk in Hermans' wereld geen haar beter dan vrouwen.

5.7.14

Giovanni Boccaccio. Decamerone. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2009 (1353)

Vertaald door Frans Denissen

Decamerone betekent 'tien dagen'. Ik heb er vijf jaar over gedaan om dit boek te lezen. Nu heb ik tussendoor weliswaar ook andere boeken gelezen, maar dit boek was in die tijd altijd wel in de buurt. Ik ga het nog missen – of niet, want ik houd het natuurlijk gewoon op mijn telefoon.

Ik ben begonnen in een Duitse vertaling die ik nu ik dit schrijf niet bij de hand heb, maar ben op een bepaald moment overgestapt op het origineel in combinatie met de bijzonder prettige vertaling van Frans Denissen. Dat ik niet opschoot, was niet omdat het boek zo moeilijk is, of zo saai, of me tegenstaat. Integendeel, met de honderd verhalen die het boek telt – elke dag worden er tien verteld door een groep vrouwen en mannen die zich hebben teruggetrokken uit het door de pest getroffen Florence – wordt je langzaam een wereld ingetrokken: een wereld van de veertiende eeuw waarin totale hemele ordening van de wereld die Dante niet veel eerder had bezongen in zijn Divina commedia, ineens ten onder leek te gaan in smerige aardse chaos.

Decamerone beschrijft die chaos, en hoe we er maar het beste van moeten proberen te maken met mekaar, door er verhalen over te vertellen en te lachen.

De verhalen zijn vooral bont. Veel intimiteit kennen de personages niet, zelfs niet als ze getrouwd zijn of om een andere reden met elkaar in bed liggen; emotioneel komen ze elkaar ook dan niet nader. Ze bakken elkaar een poets, of ze zijn grootmoedig tegenover elkaar, ze worden gedreven door een enorme lust voor de ander, of door een enorme afkeer. Maar uiteindelijk is iedereen alleen. Als de mensen te dicht op elkaar komen besmetten ze elkaar mogelijk met de pest.

Over de hoofdpersonen in de raamvertelling, de vertellers van de eigenlijke verhalen, kom je als lezer eigenlijk niets te weten, behalve hun namen en dat ze dus die verhalen vertellen.

Iedereen vertelt vrolijke verhalen, maar iedereen blijft op afstand. Een God is er ook al nauwelijks in deze verhalen, al wordt hij af en toe aangeroepen. Er heerst hier binnen grote vrolijkheid, maar daarbuiten heerst grote ellende. Je voelt op iedere bladzijde van dit boek, dat toch vooral bekend staat als een vrolijke verzameling middeleeuwse verhalen, de wanhoop.

2.7.14

Jordan Ellenberg. How Not To Be Wrong. The Hidden Maths of Everyday Life. Penguin, 2014.

Hoe moet je een vak populariseren? Dat is een onderwerp waarover ik natuurlijk weleens nadenk; ik ben er bij betrokken als producent, als het om taalkunde gaat, en als consument, als het om wiskunde gaat.

Wiskunde, en dan vooral getaltheorie, is een onderwerp dat mij als leek mateloos fascineert, waarbij de nadruk toch wel moet liggen op het lekendom. Ik heb nu toch al aardig wat boeken over wiskunde gelezen, maar ik kom bijna nooit een stap verder. Dat ligt er onder andere aan dat ieder boek weer van voren af aan begint, en dus nooit genoeg ruimte heeft om echt verder te komen. Ik zou dan misschien een 'echt' wiskundeboek moeten gaan lezen, maar ik heb geen idee welk boek dat zou moeten zijn. Ik ken de weg niet.

Dit nieuwe boek van de Amerikaanse wiskundige Jordan Ellenberg is bij vlagen heel irritant. Dat komt onder andere doordat het zich min of meer in de traditie plaatst van de populaire economieboeken van het afgelopen decennium van het type freakonomics: het gaat over loterijen en verkiezingen en dat soort zaken – uit het zogenoemde 'echte leven', waarop dan vooral een goed begrip van statistiek ons een beter beeld kan verschaffen.

Bovendien schiet het boek allerlei kanten op, en worden er allerlei zaken aan elkaar gepraat die ik helemaal niet wil weten. Ik hoef niet te weten wat allerlei literaire schrijvers over het toeval dachten, Lenneberg! Ik zit hier voor de wiskunde! (Altijd maar al die wiskundeboeken die mensen over hun wiskundeangst proberen heen te helpen; alsof iemand met wiskundeangst ooit op het idee zou komen zo'n boek te lezen.) Het schiet niet genoeg op, op deze manier, naar mijn smaak. (En dan het einde van dit boek! Mijn hemel! De ineens gezwollen, hoogdravende toon over de Boodschap van de Mathematica, dat er structuur zit in de werkelijkheid!)

Toch heb ik het boek uitgelezen, eerlijk is eerlijk, want veel van de verhalen zijn interessant – zoals dat van de loterijen waar je gegarandeerde winst had wanneer je maar tienduizenden loten kocht en die sommige slimmerikken dus op een bedrijfsmatige manier begonnen te bespelen.

Maar voorlopig blijf ik nog op zoek naar een boek over wiskunde over mensen die de allersimpelste dingen nu wel zelf hebben kunnen uitvissen.