30.4.10

Richard Dawkins. The God Delusion. Houghton Mifflin Harcourt, 2006.

Richard Dawkins. The God Delusion God bestaat niet, dat weet Richard Dawkins bijna zeker. Ga maar na hoe ingewikkeld het universum is, met al die lichtjaren en al die verschillende levensvormen. Als dat allemaal gemaakt zou zijn, hoe ingewikkeld zou de Maker dan niet moeten zijn - en waar komt Die dan weer vandaan? Nee, dan biedt bijvoorbeeld de evolutietheorie een veel betere verklaring, omdat je daar kunt begrijpen hoe complexiteit stapje voor stapje vanzelf kan ontstaan.

De voornaamste klacht die je over dit boek waarschijnlijk op het internet vindt: dat Dawkins zo fanatiek, zo bijna fundamentalistisch is. Zelf zegt hij daar ook wat over - want bijna iedere mogelijke kwestie die je over het bestaan van God zou kunnen aansnijden, snijdt Dawkins ook inderdaad aan, dat maakt dit tot een goed essay. Maar wat hij zegt over zijn eigen fundamentalisme, bevredigt niet: hij zegt dat hij niet fundamentalistisch kan zijn omdat hij geen heilige tekst heeft en als wetenschapper altijd bereid is van mening te veranderen.

Het probleem daarbij is: die mening zal hij alleen herzien op basis van rationele argumenten, en gelijk heeft hij. Wat Dawkins niet ziet, is dat er voor sommige mensen nog andere dimensies van de werkelijkheid zijn. En de werkelijkheid is zo complex en zo ongekend, dat we niet kunnen uitsluiten dat er andere manieren zijn om haar te kennen dan door rationele discussie te gebruiken.

Ik heb zelf niet heel veel ervaring met die andere manieren, maar toch stoorde die eenzijdigheid me af en toe. De meeste tijd vond ik The God Delusion een adembenemende tour de force, waarin van alles aan de orde komt: waarom je voor een moraal beter niet bij de bijbel kunt wezen, waarom we kinderen van gelovigen een staatsopvoeding zouden moeten geven, wat het verband is tussen polytheïsme en katholicisme.

Het interessantst vond ik de bespreking over de evolutionaire oorsprong van gelovigheid. Kort gezegd komt het erop neer dat het een dolgedraaide vorm is van een op zich nuttig mechanisme: dat kinderen voetstoots aannemen wat hun ouders hun vertellen. Op die manier kunnen zich bij mensen een soort gedachtevirussen voordoen, net zoals computers gevoelig zijn voor virussen omdat ze alle opdrachten domweg uitvoeren.

Er zijn ook allerlei dingen die ik niet van Dawkins wil aannemen, maar dat zal hem vast verheugen. Een fijn aspect van dit boek is vooral de persoonlijke toon: de voetnoten waarin hij ineens aan de orde stelt dat het Engels een speciaal woord heeft voor 'appels plukken' of het plotselinge moment waarop hij zijn overleden vriend, de humorist Douglas Adams, herdenkt. Zonder God kun je heel goed een mens zijn, lijkt hij te willen zeggen. Door zijn blindheid voor sommige dimensies misschien een beperkt mens, zou je kunnen zeggen. Maar eigenlijk hoort beperktheid natuurlijk bij het menszijn.

25.4.10

William Shakespeare. Julius Caesar. London: BBC, 1979 (1599).

William Shakespeare. Julius Caesar Op de middelbare school leerde ik de toespraak van Mark Anthony uit Julius Caesar uit mijn hoofd. Ik weet niet meer of dat verplicht was, of het gevolg van mijn eigen kunstliefde of uitsloverij, maar nog steeds kan ik die hele toespraak desgewenst opzeggen.

Veel verder dan dat was ik nooit gekomen, het hele stuk heb ik nooit gezien of gelezen. Ik weet niet of het in Nederland wel wordt opgevoerd, en als dat niet zo is, weet ik niet waarom niet. Hoe dit ook zij, omdat ik nu alle stukken van Shakespeare in de editie van de BBC in huis heb, moest het daar nog van komen.

Die toespraak blijft indrukwekkend - de beste toespraak ooit, sterker misschien wel dan Barack Obama. Ook de rest van het stuk gaat grotendeels over taal, over hoe gevoelens iedere kant op geboetseerd kunnen worden door taal. Op het eind wint het zwaard, doordat de samenzweerders tot de conclusie komen dat hun positie hopeloos is, maar zelfs dat is uiteindelijk een self fulfilling prophecy, gebaseerd op valse berichten en dus uiteindelijk vooral op taal. Men verliest omdat men gehoord heeft dat men verliest, en dat gelooft. Brutus blijft als laatste samenzweerder over, en verliest bijna de macht van het woord: hij vraagt verschillende bedienden om hem dood te steken, maar pas de laatste, een slaapkop genaamd Stratos, aanvaardt dat bevel.

De helden, de 'goeden' in het stuk zijn uiteindelijk natuurlijk Mark Anthony en Octavianus - al zijn dat geheel in de geest van dit stuk natuurlijk de helden omdat zij overleefden en de geschiedenis naar hun hand konden zetten. Buiten het werk van Shakespeare om weten we dat de échte Octavianus (de latere Augustus) wist wat de macht van het woord was: hij zette dichters als Horatius en Vergilius in om propaganda te maken voor zijn politiek.

23.4.10

Rob Wijnberg. Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma's van nu. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010 (2009)

Rob Wijnberg. Nietzsche en Kant lezen de krant

Geert Wilders is niet helemaal consequent. Hij vindt dat er algemene Nederlandse waarden zijn, en dat iedere Nederlander die waarden zou moeten aanhangen. Maar hij maakt wel steeds een onderscheid tussen de islam, die hij zegt te bestrijden, en de moslims, die hij respecteert. In het eerste geval legt hij een ijzeren band tussen waarden en identiteit, die hij in het tweede geval bestrijdt.

Het is een voorbeeld van een fragment van een analyse zoals Rob Wijnberg die de laatste jaren in nrc.next publiceert. Vorig jaar verzamelde hij ze in de bundel Nietzsche en Kant lezen de krant.

Ik lees nrc.next niet regelmatig, maar de stukjes van Wijnberg vind ik vaak interessant en nu leuk genoeg om deze bundeling te willen lezen. Hij schrijft en denkt inspirerend, en deze bundeling begint met een aantal mooie stukken, zoals het allereerste, waarin hij behandelt 'waarom meer keuze tot meer keuzevrijheid leidt' (als er oneindig veel keuze is, kun je geen verschil meer maken tussen de opties, en kun je dus ook niet meer echt kiezen) en 'zachte sprekers hoor je niet' (waarin Wijnberg uitlegt waarom degenen het zo lastig hebben die in de huidige politiek zeggen dat de schreeuwers hun toon moeten matigen: omdat ze zelf nooit kunnen schreeuwen).

Het werkt inspirerend dat Wijnberg naar al die dagelijkse politiek met een wijsgerig oog kijkt: met wat afstand, en vooral met een oog voor wat voor mens- en wereldbeeld er achter het optreden van een doorsnee-politicus moet schuilgaan. En die Wijnberg is verbluffend jong, daar gaan we heel mooie dingen mee beleven.

Toch moet ik toegeven dat de stukken soms nu al na een paar jaar een beetje gedateerd zijn, en dat deze lezer het bij de zoveelste demonstratie dat Wilders' standpunt niet logisch in elkaar zit het wel een beetje voor gezien houdt (wie denkt er nu dat Wilders' standpunt wél logisch in elkaar zit).

Maar inspirerend blijft het, alles bij elkaar. Al is het maar omdat je als lezer soms ook het gevoel krijgt dat het niet klopt, wat Wijnberg zegt. Is er wel een echte tegenstelling tussen die twee standpunten van Wilders? (Eigenlijk zegt hij dat er zowel voor het Nederlanderschap als voor de islam idealiter een 1-op-1-relatie zou moeten zijn tussen identiteit en waarden. Dat deze er in de praktijk niet is betekent voor hem in het geval van het Nederlanderschap dat de mensen moeten worden opgevoed, en in het geval dat er nog hoop is voor de moslim.) Maar juist doordat dit boek uitnodigt tot dit type tegenspraak is het geheel en al geslaagd.

20.4.10

Fyodor Dostoyevsky. The Idiot. Feedbooks, 2008 (1868-1869)

F.M. Dostojewski

Vertaling: Eva M. Martin

Een klassiek boek lees je nooit alleen, ik in ieder geval niet, die mijn mond kan houden en altijd wel aan iemand vertel wat ik nu aan het lezen ben. Bij klassiekers is de kans dan vrij groot dat je gesprekspartner dat boek dan al gelezen heeft, en je er iets over vertelt. Zoals je klassiekers ook op internet kunt opzoeken en dan vindt wat anderen er over gelezen had.

Mijn collega B. vertelde me dat hij zich een scene herinnerde waarin iemand een toespraak houdt waarin hij zegt dat de Katholieke Kerk slecht is, een pervertering van de Orthodoxe, maar dat de atheïsten nog slechter zijn, en dat de socialisten het allerslechtst waren. B. had zich altijd afgevraagd hoe de communisten dat vonden, voor wie Dostojevski de grote Russische schrijver was.

Op de Engelse Wikipedia las ik dat een schilderij van Holbein heel belangrijk was, een schilderij met de van het kruis genomen Jezus, dat menigeen doet twijfelen aan het geloof.

De idioot gaat over een jonge Russische prins die jarenlang in het buitenland verbleven heeft omdat hij ziek was (en als geestelijk ziek beschouwd werd). Hij keert terug en blijkt een reine ziel te zijn, die met iedereen het beste voorheeft en daardoor min of meer ten onder gaat aan de verrotting in die samenleving.

De toespraak die B. zich herinnerde komt inderdaad min of meer zo voor in het boek, ergens achteraan. Ook het schilderij van Holbein wordt beschreven. Ik weet niet of die twee passages zo'n grote indruk op me hadden gemaakt als ze er niet door anderen voor me waren uitgepikt. En niemand had me voorbereid op het magistrale slot van het boek. De prins is eigenlijk verliefd op de ene jongedame, maar kan uit de goedheid van zijn hart niet een andere, gevallen, vrouw, te laten vallen. Aan het eind van de twee boeken is er een confrontatie tussen de twee vrouwen die werkelijk hoort bij het mooiste dat ik ooit gelezen heb. Maar dat hadden anderen dus misschien niet zo gezien.

18.4.10

Oscar Wilde. The Importance of Being Earnest. A Trivial Comedy for Serious People ManyBooks.net, 2008 (1895).

Oscar Wilde. The Importance of Being Earnest Als tiener bewonderde ik Wilde, maar sindsdien heb ik zijn werk nooit meer echt gelezen. Indertijd als tiener slikte ik in zekere zin alles voor zoete koek. Wilde was enorm grappig, om stukken als The Importance of Being Earnest kon je lachen, 'all art is quite useless', en dat was het dan.

Nu viel me op wat een merkwaardig stuk The Importance is. Aan psychologie wordt bijvoorbeeld in het geheel niet gedaan en het verhaal had Wilde niet hoeven schrijven - dat is het soort materiaal waar al honderd jaar eerder een aantal Mozart-opera's over geschreven waren. Het stuk schittert bij gratie van de grappige dialogen, en schitteren doet het volop. Bijna iedere claus is spitsvondig.

Er zijn allerlei ideeën over de functie van taal. Populair is bijvoorbeeld de gedachte dat taal dient voor communicatie: ik heb een denkbeeld in mijn hoofd en door te praten zorg ik ervoor dat jij een soortgelijk denkbeeld in je hoofd krijgt. Maar er zijn ook andere functies, en die zijn misschien wel even belangrijk. Zo geloven sommige geleerden dat taal dezelfde functie heeft als die van de veren van een pauw - een volkomen nutteloze ballast die aan de andere sekse laat zien hoe sterk je bent: als je zoveel nutteloosheid kunt dragen, heb je goede genen.

Die gedachte past heel goed bij The Importance, niet alleen vanwege de inhoud (waarin de lof op de nutteloosheid gezongen wordt, en mannen worden begeerd omdat hun voornaamste bezigheid is om sigaretten te roken), maar ook vanwege de vorm. In The Importance zien we taal gebruikt worden als een instrument om indruk te maken op het publiek. Je bent je er de hele tijd van bewust dat hier sprake is van een toneelstuk, op een bepaald moment praten vrouwen en mannen zelfs zonder afspraak in koor. Taal is er alleen maar om te schitteren, en schitteren doe je om een plaats in de wereld te veroveren. Heel veel van de ironie gaat ook over de manier waarop je je zou moeten gedragen: dat je nooit iets zinnigs moet zeggen, dat je nooit moet trouwen, of juist wel, enzovoort.

Een ander apsect van taal is natuurlijk sociaal: door de manier waarop je praat bepaal je je plaats in de samenleving. Je laat zien wie je bent, en in sommige kringen dring je alleen door als je spitsvondig genoeg bent.

The Importance kan ook alleen maar een toneelstuk zijn, zoals de stukken van Shakespeare dat alleen kunnen zijn. Het is een stuk dat je ook eigenlijk niet in je eentje moet genieten, je hoort duidelijk als onderdeel van een publiek te ondergaan. Ik zie als het lees ook niet de personen voor me, maar acteurs die de clauzen uitspreken, en een zaal die erom schatert. En Wilde die na afloop naar voren hoort geroepen omdat hij met zijn taal zijn plaats in de samenleving veroverd had.

(Het stuk kan gratis op verschillende plaatsen worden gedownload. Ik raad Google Books af als bron, daar ziet het stuk er heel raar uit. Ik heb zelf die van ManyBooks binnengehaald.)

11.4.10

Ian Buruma. Grenzen aan de vrijheid. Van De Sade tot Wilders. Stichting Maand van de Filosofie, 2010

Ian Buruma. Grenzen aan de vrijheid. Van De Sade tot Wilders Vroeger ging de Nederlandse schrijver en journalist Ian Buruma weleens lunchen met de beroemde Britse filosoof Isaiah Berlin. Een van de dingen die IB1 inspirerend vond van IB2 was dat deze zich niet wentelde in zijn eigen gelijk. Berlin was als denker duidelijk door de Verlichting geïnspireerd, maar hij vond het boeiender om zich daarom bezig te houden met tegenstanders: "Denkers van de contra-Verlichting zoals De Maistre, Hamann en Vico waren allesbehalve domoren, en in hun theorieën kon je tenminste je tanden zetten".

Buruma zegt dat om een reden — zijn boodschap is dat we moeten streven naar de vrijheden die de Verlichting ons aan de hand heeft gedaan, maar dat we daarbij geen fundamentalisten moeten worden. Behalve over geweld valt over alles te marchanderen, zegt hij, iedere vrijheid heeft altijd zijn beperkingen gekend die we voortdurend met elkaar in de samenleving moeten zien af te spreken: "als een geloof in westerse waarden zich verhardt tot een dogma en vrijheid wordt gehanteerd als een vorm van absolutisme, dan zullen we zien hoe ook de beste ideeën eindigen in een catastrofe".

Wat mij een beetje stoort, is dat Buruma daarbij af en toe een sneer uitdeelt naar Wilders en 'de vrienden van Theo van Gogh' die dus wel dogmatisch vrijheidslievend zijn. Ik denk dat bijna iedere lezer die opvatting met Buruma zal delen, zeker over Wilders. Ik ook hoor, mij hoor je daar niet over. Maar er zit daardoor een zwart-wit-tegenstelling in het boekje dat niet hoort in een pleidooi voor de nuance. Het had beter gewerkt als Wilders en de zijnen hoffelijk terzijde waren geschoven - als Ian Buruma de intellectuele en morele kracht van Isaiah Berlin had getoond.

10.4.10

Astrid Lindgren. Pippi Langkous. Amsterdam: Ploegsma, 2009 (1945-1948)

Astrid Lindgren. Pippi Langkous Pippi Langkous is te sterk voor mij. Dat dacht ik lang terwijl ik haar avonturen na lange, lange jaren weer eens aan het herlezen was. Haar karakter is onweerstaanbaar: haar onversaagdheid, haar doorzettingsvermogen, haar moed en haar levenslust maken haar een van de mooiste karakters uit de twintigste eeuw. Maar daarnaast is ze zo sterk als een superheld: ze tilt haar paard met één arm op en ze gooit boeven die haar belagen een paar meter de lucht in, en dat doet afbreuk aan die karaktereigenschappen, vond ik. Als je zo sterk bent, is het niet zo moeilijk om dapper te zijn.

Een paar maanden geleden heb ik toevallig de Nederlandse musicalversie gezien, met mijn neefje en nichtje, en daarin is Pippi ook niet zo sterk. Misschien is dat om praktische redenen - zie maar eens een boef drie meter de lucht in te gooien in het theater - maar misschien hadden de scenarioschrijvers ook hetzelfde gevoel, dat het jammer is dat Pippi zo sterk was.

Maar terwijl ik vorderde in Pippi's avonturen, begon ik erover na te denken: waarom zou het wel jammer zijn dat een personage heel sterk is, maar niet dat ze heel slim is, of dat ze de beschikking heeft over een eindeloze verzameling gouden munten, of zelfs dat ze geen enkel probleem heeft met eenzaamheid of anders zijn dan anderen?

Pippi Langkous is een sprookje waarin niet eens alles aan het eind hoeft goed te komen, omdat het allemaal de hele tijd al goed is. "Ik richt de wereld in, diedeldoedel naar mijn eigen zin." Pippi kan dat omdat ze zo sterk en rijk en slim is. Ze mag dat omdat ze zo origineel en sprankelend is.

3.4.10

Rainer Maria Rilke. Neue Gedichte Erster Teil. Text-log-de 2008 (1907)

Rainer Maria Rilke. Neue Gedichte Rilke durfde ik bijna niet meer te lezen. Op de middelbare school vond ik zijn werk al zo verpletterend mooi, dat ik me afvroeg of dat wel mocht, of zijn werk eigenlijk niet bijvoorbeeld kitscherig was, zodat je uitgelachen zou worden als je ermee voor de dag zou komen.

Inmiddels ben ik 25 jaar ouder en heb veel andere dingen gelezen. De vraag was nu dus geworden of die jongere ik wel bij zijn oudere zelf voor de dag kon komen met deze voorkeur. Ik ken een aantal gedichten van Rilke geheel of gedeeltelijk uit mijn hoofd, en die zeg ik nog wel eens voor mezelf op, en dat is natuurlijk wel een toetssteen. Aan de andere kant kun je een gedicht dat je uit je hoofd kent nauwelijks nog beoordelen.

En zo begon ik aan de Neue Gedichte Erster Teil, indertijd mijn lievelingsbundel, die trouwens niet als e-book te vinden is op internet: ik heb hem zelf samengesteld van de losse gedichten die wel op internet te vinden zjin en op mijn lezer gezet omdat ik wist dat er een dag zou komen waarop ik er behoefte aan zou hebben. En die dag kwam op Goede Vrijdag, en Rilke stelde niet teleur.

Wat is er zo mooi aan Rilke? Allereerst is er iets ongrijpbaar muzikaals, met zijn rijm en zijn enjambement en de talloze herhalingen van woorden, vooral dat laatste, die herhalingen van woorden die een tekst altijd wat traags geven, wat traags en melancholisch.

Op het eerste gezicht is het eigenaardig dat er in de gedichten geen sprake is van muziek, maar wel van visuele kunsten zoals schilderkunst, architectuur en dans. Op een bepaald moment viel me op dat er alleen geen sprake is van beweging. Als er gedanst wordt, dan gebeurt dat in een kringetje, zoals ook de beroemde panter kringetjes draait en een ander gedicht gaat over een draaimolen;

Spanische Tänzerin

Wie in der Hand ein Schwefelzündholz, weiß,
eh es zur Flamme kommt, nach allen Seiten
zuckende Zungen streckt -: beginnt im Kreis
naher Beschauer hastig, hell und heiß
ihr runder Tanz sich zuckend auszubreiten.
 

Und plötzlich ist er Flamme, ganz und gar.

Mit einem Blick entzündet sie ihr Haar
und dreht auf einmal mit gewagter Kunst
ihr ganzes Kleid in diese Feuersbrunst,
aus welcher sich, wie Schlangen die erschrecken,
die nackten Arme wach und klappernd strecken.

Und dann: als würde ihr das Feuer knapp,
nimmt sie es ganz zusamm und wirft es ab
sehr herrisch, mit hochmütiger Gebärde
und schaut: da liegt es rasend auf der Erde
und flammt noch immer und ergiebt sich nicht -.
Doch sieghaft, sicher und mit einem süßen
grüßenden Lächeln hebt sie ihr Gesicht
und stampft es aus mit kleinen festen Füßen.

Eigenlijk is er heel vaak sprake van twee bewegingen: een in een rondje, en een naar binnen toe (of samen, in een kring die zich steeds nauwer sluit). Zelfs sommige gedichten die een statisch beeld beschrijven, kun je zo lezen: aan het eind zit er een draai, die het object ineens anders beschrijft, op een manier, die je net als de muziek van het gedicht traag maakt en melancholisch.

1.4.10

Berthe Meijer. Leven na Anne Frank. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010.

Berthe Meijer. Leven na Anne Frank De naam Berthe Meijer leverde in mijn familie vroeger altijd discussie op. Sommigen waren dol op haar en haar recepten, andere vonden haar te elitair. Hoewel ik er weinig vanaf wist, heb ik me altijd een beetje tot de laatste richting bekend, mevrouw Meijer stond voor mij voor veel te ingewikkelde en zware chocoladetaarten.

Nu heeft ze een boek geschreven dat ik nooit ga vergeten. Berthe Meijer heeft als kind in Bergen-Belsen gezeten, en later van haar psychiater geleerd dat een van de trauma's voor oorlogsslachtoffers is dat ze in de gewone wereld moeten leven. Over dat trauma is maar weinig geschreven; dit boek geeft er een aangrijpend verslag van. Hoe kun je een normaal leven leiden als je als kind tussen de stapels lijken gedoold hebt? Hoe kun je in een later leven ooit nog onbekommerd in een trein of vliegtuig stappen? Waarom zou je je niet vol pillen stoppen?

Het boek heet Leven na Anne Frank, onder andere omdat de familie Meijer bevriend was met de familie Frank. Anne heeft nog met de moeder van Berthe gedanst, aan het begin van de oorlog, en in het kamp heeft Anne, doodziek, nog een sprookje verteld aan de jongere Berthe.

Op het oog heeft Meijer zich goed staande gehouden. Hoewel ze haar jeugd na het kamp vooral doorbracht in een joods weeshuis waar naar haar zeggen heel slecht gegeten werd, is ze een van de belangrijkste culinair journalisten geworden, met een rubriek in NRC Handelsblad, een tv-programma, een populair kookboek, en noem maar op. Maar pas als je dit boek leest begrjip je wat een leed er is meegetorst.

Dat is niet eens doordat de stijl zo verbluffend is, want dat is hij niet (het is natuurlijk al ongelooflijk knap dat iemand zo leesbaar over zoveel onmenselijks kan schrijven). De structuur van het geheel houdt ook al niet over, er worden veel dingen twee keer gezegd, terwijl andere weer niet worden uitgelegd. Maar het komt door de ontwapenende eerlijkheid van mevrouw Meijer, haar interesse voor haar medemens - die bijvoorbeeld ontroerende portretten oplevert van buurman Gerard Reve en minnaar Ischa Meijer - en haar humor. Misschien moet ik toch eens een lekkere chocoladetaart bakken.