28.8.12

Rolf Hosfeld. Tucholsky. Ein deutsches Leben. München: Siedler, 2012.

Stalkers menen soms dat ze recht hebben op hun object van bewondering omdat ze denken er zoveel op te lijken: al hun gedachten worden immers ook door de bewonderde held uitgedrukt? Heeft die held dan soms geen toegang tot hun hoofd, en hebben zij dan niet omgekeerd evenveel recht op het zijne? Dat zij maar krabbelaars zijn en niets hebben gedaan dat zelfs maar in de buurt komt van wat de gestalkte heeft gedaan, dat doet er niets toe.

Wat ben ik blij dat Kurt Tucholsky al meer dan dertig jaar dood was toen ik geboren werd, want wat had ik hem anders gestalkt. (Hij stierf zo'n beetje op de leeftijd die ik nu heb.)

 Wat ik nu precies met hem gemeen denk te hebben, kan ik niet zeggen. Hij heeft om te beginnen onvergelijkelijk veel meer ellende over zich heen gekregen dan ik: de Eerste Wereldoorlog om te beginnen, en een haarscherp aanvoelen van de politieke situatie in de jaren twintig en vroege jaren dertig (hij stierf in 1935) daarna. Bovendien was hij een grote, zeer talentvolle schrijver en dichter en kennelijk ook spreker. Niets van dat alles bij mij, met een naar verhouding behoorlijk gezapig leven en een en al middelmatigheid.

En toch.

Het zit 'm denk ik in de toon: er is iets in het ritme van Tucholsky's zinnen, zijn heen en weer schakelen tussen dialect en hoog-Duits, zijn zeker voor Duitsers ongedwongen manier van zich uitdrukken waardoor ik het idee heb dat ik dat ook zo had kunnen denken. Zelfs als ik het helemaal niet met hem eens ben.

Gelukkig citeert Rolf Hosfeld regelmatig uit het werk van Tucholsky in deze biografie, en gelukkig zet hij dat hele leven ook nog eens goed op een rijtje: het gedoe met vrouwen, zijn politieke engagement, zijn liefde voor de letteren, zijn totale desillusie en depressie in de laatste levensjaren. De ondertitel ein deutsches Leben suggereert misschien dat Tucholsky een exemplarisch leven had voor zijn tijd, maar dat is niet zo. Daarvoor zag hij veel dingen te scherp en andere dingen op een eigen manier. Wel laat Hosfeld goed zien hoe goed Tucholsky zijn tijd aanvoelde en hoe je dus uit zijn denken de Duitse samenleving van het begin van de twintigste eeuw helemaal kunt reconstrueren.

Maar daarbovenuit stijgt voor mij dan toch weer die man. Dat ben ik, zo ben ik ook. Ik kan niet eens uitleggen, waaraan het ligt, het zal het ritme wel zijn.

22.8.12

Jan Weiler. Hier kommt Max. Fridolin, 2009.

Het wordt tijd dat ik afscheid neem van Jan Weiler, de Duitse humoristische schrijver. Ik was enthousiast over zijn roman Drachensaat en ontdekte daarna dat hij een boek had geschreven over de Zuid-Italiaanse familie van zijn vrouw, die wel wat weg heeft van de Zuid-Italiaanse familie van de mijne (Maria, ihm schmeckt's nicht).

Maar met dit boek heeft hij zo misgeschoten, dat komt nooit meer goed. Hier kommt Max bestaat uit een aantal verhaaltjes over een jongetje – een moderne petit Nicolas.

Hoewel: modern? De vader is een beetje een sukkel, maar wel degene die werkt. Moeder is slimmer en blijft thuis en neemt ook de echte opvoeding op zich. Zij is terecht streng, waar de vader maar over zijn hart strijkt. Zoals ook anderszins de moderne wereld niet echt binnentreedt.

Het is een beetje behaagziek, Hier kommt Max, de goedmoedige, niemand kwetsende grapjes over Max die honing 'bijenkak' noemt en die door de meisjes bij het voetballen bij de neus wordt gehouden. Over kinderen kunnen wij volwassenen met zijn allen vertederd en risicoloos lachen.

En ineens vind ik die hele Weiler veel te behaagziek. En vind ik Drachensaat en Maria, ihm schmeckt's nicht ook niet meer mooi, hoe onredelijk dat ook is.

Nou ja. Als hij nog een boek schrijft over Zuid-Italië kijk ik er misschien nog weleens stiekem in. Maar veel kans geef ik hem niet!

21.8.12

Kurt Tucholsky. Das große Lesebuch. Frankfurt am Main: Fischer, 2011.

Kurt Tucholsky (1890-1935) is in Nederland geloof ik niet heel beroemd, al heeft zijn stijl wel grote invloed gehad – hij was een belangrijke bron van inspiratie voor Nederlandse columnisten zoals Karel van het Reve, Simon Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt. En doordat die columnisten op hun beurt in de jaren zeventig en tachtig de toon aangaven in de letterkunde, klinkt de laconieke, enigszins spreektalige toon van Tucholsky nog steeds een beetje door. Zijn scepsis en onafhankelijkheid, zijn goedmoedige spot van de kleinburger, die waren voor enige tijd zo'n beetje ook het beste dat de Nederlandse literatuur te bieden had.

Mijn grootvader Jan (1906-1991) kocht het verzameld werk en heeft er volgens mij ook veel in gelezen. Inmiddels heb ik dat werk alweer twintig jaar in huis. De eerste tien jaar van die periode heb ik er ook veel in gelezen, net als in de brievenboeken die mijn opa ook had. 

Tucholsky was vooral een interessantere schrijver dan zijn Nederlandse volgelingen, geloof ik. Dat kwam voor een deel door de omstandigheden, die hijzelf vast liever had vermeden. Hij werd gevormd door de Eerste Wereldoorlog (ik geloof dat ik twintig jaar geleden nog niet zo doorhad, maar door de selectie in dit Lesebuch wordt dat heel duidelijk), waar hijin het Duitse leger diende, vooral in de Baltische landen en Roemenië, en waar hij zag hoe smerig de oorlog was. Hij werd er een pacifist van, maar een die vervolgens moest meemaken hoe Hitler opkwam en hoe zijn land "zich opmaakte om het Derde Rijk in te gaan".

Maar daarnaast was hij ook als persoon interessanter, obsessiever, romantischer, meeslepender, consequenter. De personen die ik noemde waren toch vooral ironisch over het burgerdom waar ze zelf ook deel aannamen (de paradox van het Nederlandse cabaret). Tucholsky uitte zich zelden tegen dat soort burgerlijkheid, en maakte tegelijk van zijn leven een indrukwekkende puinhoop.

Ik heb het verzameld werk dus, maar dat kun je moeilijker op reis meenemen dan een digitaal boek. En dus kocht ik ook deze recente verzameling, die me iets te Duits is en ook iets te veel nadruk legt op de kritische Tucholsky. Er staan wat mij betreft wel heel veel stukken in waarin wordt gehakt op de voorliefde voor regels en orde van de Duitsers; niet dat ik vind dat die had moeten ontbreken, maar ik mis nu de kunstliefhebber. Er staat geen enkele recensie in, terwijl Tucholsky er toch schreef die nog steeds lezenswaard zijn. En ik mis de melancholicus, of de man die zich in Parijs ineens thuisvoelde ("Ich sitze still und lasse mich bescheinen / und ruh von meinem Vaterlande aus." Dat gedicht ken ik uit mijn hoofd, dat had er dus in moeten staan.) En wat ik in een keuze uit het werk van Tucholsky ook niet weg zou laten zijn een paar van de brieven die hij onder andere aan zijn vrouw Mary Gerold geschreven heeft, en met name de hartverscheurende afscheidsbrief die hij schreef voor hij zelfmoord pleegde.

Aan de andere kant: degene die deze keuze heeft gemaakt, had een voorkeur voor de stukken van Tucholsky over de stilte die hij zo liefhad, en over de obsessie van de Berlijner met de telefoon die ineens weer heel modern aanvoelt. Er zitten nog veel kanten aan Tucholsky die ik nog moet ontdekken. Toch weer eens in het verzameld werk bladeren.

18.8.12

Helene Uri. De besten onder ons. Breda: De Geus, 2012 (2006).

vertaling: Neeltje Wiersma
Ik heb het niet vaak, dat ik een boek lees dat ik zelf geschreven zou willen hebben. Ik kan van een boek genieten, ik kan het bewonderen, ik kan heel blij zijn dat het er is – maar waarom zou ik dat dan zelf geschreven willen hebben?
Dat ligt anders bij De besten onder ons, de onlangs uit het Noors vertaalde roman van de Zweedse taalkundige Helene Uri. Dat is een prettig boek om te lezen, al kan ik niet zeggen dat het mijn leven een nieuwe wending gaat geven of dat ik verwacht dat Uri de Nobelprijs gaat krijgen. Maar wat leuk moet het zijn geweest om te schrijven!
Het boek gaat over een van de vele gigantische instituten voor taalwetenschap die de Universiteit van Oslo in Uri's wereld kent. Dat is nét niet de echte wereld: het instituut is een instituut voor futuristische linguïstiek, dat wil zeggen dat er twee afdelingen zijn. De een houdt zich bezig met de vraag hoe de taal (het Noors, dialecten van het Noors, andere talen) er in de toekomst uit zouden moeten zien, de ander met de vraag hoe ze er daadwerkelijk uit zullen zien. Dat is natuurlijk een tamelijke onzinnige bezigheid – iedereen die iets van taal weet, weet dat je veranderingen alleen kunt voorspellen als je precies weet hoe de héle maatschappij zich gaat ontwikkelen, inclusief alle individuen – wie er smaakmakers zullen worden, in hoeverre die door welke mensen gevolgd gaan worden, enzovoort.

Er valt geen peil op te trekken, alleen een puissant rijk land zal ooit geld uittrekken voor een dergelijke onderneming. Of een romanschrijfster.

De taalkundigen in het boek zijn bovendien het soort taalkundigen waar de gemiddelde populair-wetenschappelijke schrijver van droomt: ze lezen niet alleen over hun eigen kleine discipline, maar daarnaast ook alles wat er los en vast te lezen valt over taalwetenschap, over alle grenzen heen. Een historisch fonoloog en een dialectmorfoloog kunnen elkaar ontmoeten op een congres en praten over een artikel over computertaalkunde. Ik heb zoiets nog nooit meegemaakt: de meeste onderzoekers die ik ken beperken zich uiteindelijk tot een heel klein gebied – de gemiddelde fonoloog is bij wijze van spreke nauwelijks meer op de hoogte van of geïnteresseerd in de ontwikkelingen in de computertaalkunde als een gemiddelde andere ontwikkelde persoon.

Het lijkt me leuk om te fantaseren over een taalkunde die wel zo is, waar een gemiddelde taalkundige wel over al die deelvakken praten kan – dat is de voornaamste reden waarom ik Uri benijd. Ze heeft overigens niet bepaald een utopie geschapen: De besten onder ons is vooral een satire op de roddelzucht, de mateloze ambitie en oneerlijkheid van wetenschappers. Er zitten bovendien op een elegante manier een aantal thema's door het verhaal gevlochten – dat mensen een dubbelleven hebben, dat je ze eigenlijk nooit goed kunt kennen, bijvoorbeeld, of een draadje over de communicatie bij bijen dat uiteindelijk een belangrijke rode draad blijkt te zijn.

Een fijn boek om te lezen; vast een heerlijk boek om te schrijven.

13.8.12

Daniel H. Pink. Drive. The Surprising Truth About What Motivates Us. London: Penguin, 2011

Nou heb ik toch warempel een managementboek gelezen, geloof ik! Ik begon aan Drive omdat een vriendin het me had aangeraden. Althans ze had me Pink aangeraden als een verfrissend denker en Drive was het eerste dat ik vond als luisterboek. Ik heb ernaar geluisterd terwijl ik langs de Leidse singel rende.

Volgens Drive gaan mensen er teveel vanuit dat motivatie van buiten komt: ofwel uit biologische noodzaak (voorbeeld: brood op de plank), ofwel omdat je externe prikkels krijgt (voorbeeld: eindejaarsbonus). Mensen die volgens dit soort prikkels werken – volgens oude economische theorieën: alle mensen – noemt Pink x-mensen (x voor external). Volgens Pink heeft de wetenschap de afgelopen decennia echter vastgesteld dat er ook andersoortige prikkels zijn: interne motivatie, met bijbehorende i-mensen. Mensen doen veel dingen die ze doen omdat die dingen inherent leuk of prettig zijn om te doen, omdat mensen graag de wereld vooruithelpen, omdat ze graag met andere mensen dingen doen.

Bonussen en andere externe prikkels zijn volgens Pink soms zelfs schadelijk: mensen gaan vooral voor creatieve taken minder goed presteren, omdat ze beginnen te focussen op de bonus. Bovendien gaan ze de taak minder om zichzelf waarderen, en willen hem misschien voortaan niet eens meer doen zonder beloning.

Dat is allemaal best interessant, maar ik vind ook dat Pink het niet zo goed uitlegt. Bijvoorbeeld maak ik in mijn uitleg hierboven onderscheid tussen drie soorten 'interne motivatie'. Die driedeling haal ik uit het boek, maar het is mij eigenlijk niet duidelijk waarom Pink ze verder de hele tijd op één hoop gooit, want iets bijdragen aan de maatschappij lijkt me toch in heel veel opzichten iets totaal anders dan lekker willen puzzelen op een probleem. Ze hebben zelfs niet veel meer met elkaar gemeen dan dat ze allebei door de oude economische theorie werden uitgesloten.

Maar dat komt waarschijnlijk doordat dit een managementboek is, een genre waaraan ik niet gewend ben, waarin de mensheid wordt beschreven als een machine die je kunt sturen. (Pink gebruikt de metafoor van het besturingssysteem om ideeën te beschrijven over hoe je mensen kunt aansturen.) Het is daarmee natuurlijk ook een nogal paradoxaal managementboek omdat het managers eigenlijk oproept om niet zoveel te managen.

Misschien is het vastlopen van die malle machine in de afgelopen jaren dan ook de reden voor de populariteit van Drive, dat op allerlei bestsellerlijsten lijkt gebaseerd. Mij lijkt de boodschap toch vooral: je kunt geen managementboeken te lezen en hoeft dat ook niet te doen.

11.8.12

Simon Vestdijk. De koperen tuin. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011 (1950).

Nederlandse schrijvers worden, dat weet iedereen, na hun dood snel vergeten. Simon Vestdijk overleed in 1971, toen ik nog een peuter was. Ik ben dan ook van de generatie die de naam nog wel kent (en weet dat hij zat te schrijven met een stofzuiger aan om achtergrondgeluid weg te drukken), maar niet noemenswaardig van hem gelezen heeft.

Maar ik heb toch ook de pretentie dat ik belezen ben, dus het moest er eens van komen – ruim veertig jaar na de dood van de meester heb ik een van zijn meesterwerken gelezen, De koperen tuin. Althans, dat het een van zijn beste boeken was, schijnt Vestdijk zelf naar voren te hebben gebracht.

Mij viel het eerlijk gezegd niet mee, dit verhaal van een jongeman die opgroeit in een burgerlijk gezin in een stadje in het noorden van Nederland, die gefascineerd raakt door de 'kunstenaar' van het stadje, een alcoholische pianoleraar annex dirigent, en die verliefd raakt op diens dochter, een grote, jongensachtige vrouw die door de plaatselijke notabelen in het verderf wordt gestort en daarom zelfmoord pleegt.

Het was net alsof Vestdijk dat verhaal niet goed in de hand had, er zitten allerlei elementen in zonder duidelijke functie: eindeloze theoretische verhandelingen over de structuur van de opera Carmen van Bizet en dan ineens aan het eind die zelfmoord – die een beetje op niets af gebeurt, die bijvoorbeeld (ook achteraf) nergens wordt aangekondigd. Als moderne lezer verwacht je toch dat er al ergens eerder in het boek een arsenicumpotje had gestaan – zoals bij Madame Bovary. 

Het voelt nu toch een beetje aan alsof de schrijver ineens dacht: ah, nu moet ik aan het eind maar van dat mens af, huppekee. Vreemd is dat overigens: in het echte leven wordt zoiets natuurlijk nooit aangekondigd, maar juist door dat gebrek aan constructie wordt je er in een boek met je neus op gedrukt dat hier iemand iets heeft zitten verzinnen. Pas als de vorm mooi en afgerond is, kun je vergeten dat er daar een man heeft zitten schrijver, met een stofzuiger op de achtergrond.


6.8.12

Joris van Casteren. Het zusje van de bruid. Het relaas van een onmogelijke liefde. Amsterdam: Prometheus, 2011

Joris van Casteren had tien jaar geleden een verhouding met een jonge vrouw die bijwijlen liters wodka per dag dronk, dan weer iedere dag naar een dealer fietste voor heroïne, of speed, of crack, en dan weer een tijdjelang een mantelpak droeg om les te geven aan een Rotterdams gymnasium. Hij had haar ontmoet op het huwelijk van haar zus met een collega van hem bij de Groene Amsterdammer. Hij dacht haar te kunnen redden, en dat verzekerden ook verschillende mensen hem, dat hij haar zou kunnen redden. Maar het mocht niet baten: ook hij kon niet op tegen haar drugsgebruik en haar waanzin en werd haar huis uit gegooid.

Er werd toen dit boek verscheen nogal, laten we zeggen, moralistisch gereageerd op dit boek, bijvoorbeeld in een recensie door Natasha Gerson in De Groene. Daarop zeiden de auteur, en anderen, dan weer dat men nu alleen maar woedend was omdat de methoden van de participerende journalistiek nu eens werden toegepast op de Amsterdamse grachtengordel zelf. (Lees vooral ook de reacties onder het stuk van Van Casteren, zoals die van Gerson, en haar link naar de oorspronkelijke, ongekuiste, versie van haar artikel.)

Het is een ingewikkelde kwestie. In ieder geval lijkt me duidelijk dat morele oordelen over de persoon Van Casteren en esthetische oordelen over de kwaliteit van het boek danig door elkaar liepen.

Het is boek ís ook schokkend. Om de beschrijving van de val van de vriendin van Luna, over wie genoeg details worden verteld om te kunnen achterhalen wie ze is, en die op haar smerigst, haar gekst, haar raarst wordt getoond. Maar vooral ook om de beschrijving van Van Casterens eigen gedrag: hij lijkt haar af en toe aan te moedigen, gefascineerd te zijn door haar autodestructie. Hoewel er lieflijke passages in voorkomen – waarin hij brinta maakt voor ze naar Rotterdam gaat – kun je je als lezer niet aan de indruk onttrekken dat hier inderdaad een man aan het woord is die voor alles journalist is: die kijkt en niet helpt. 

Een nare man, dus, misschien. En een met soms duidelijke rancune. De manier waarop hij de meeste personen geanonimiseerd heeft, werkt bijvoorbeeld een beetje onaangenaam: hij noemt ze consequent bij een bepaalde eigenschap. Zo noemt hij zijn buurman steeds maar weer 'de dichter die ook redacteur is' en door die herhaling gaat dat vanzelf klinken als iets belachelijks, als iets wat eigenlijk niet hoort, dichter zijn en tegelijkertijd redacteur van het fonds dat je zelf redigeert. Terwijl dat, áls het al een schande is, nergens iets mee te maken heeft.

 Maar al die bezwaren, hoe je het ook wendt of keert, zijn bezwaren tegen de persoon Van Casteren en ze maken zijn boek niet minder fascinerend. Wat was dat voor relatie tien jaar geleden, van die vrouw die zichzelf kapot maakte, en die man die toekeek en het zag gebeuren?


5.8.12

Sofie Rozendaal. Indien plaats beschikbaar. Amsterdam: Van Gennep, 2012

Wie is Sofie? Een jonge vrouw die te kampen heeft met een eetprobleem met een minder bekende oorzaak – ze is er niet op uit om te vermageren, ze kan alleen niet tegen de gedachte dat ze allerlei vreemde dingen in haar buik moet toelaten, die haar misschien ziek maken. Ze gaat op een dag mee met haar vader, een piloot die een passagiersvliegtuig de oceaan over vliegt, naar Californië. Dat vliegtuig heeft als het ware ook iets vreemds in zijn buik: een paard dat zo panisch van angst raakt dat het een gevaar wordt. De vader moet een noodlanding maken in Canada, maar weigert uiteindelijk om het paard uit de buik van het vliegtuig te laten gaan – in Canada zou hij moeten worden afgemaakt.

WIe is Sofie Rozendaal? Zij is de 24-jarige schrijfster van deze roman over buiken en wat daar in kan verdwijnen, en over paarden en mannen die wild en woest worden. Eerder heeft ze (blijkens de achterflap) boeken geschreven met titelsals Gek van eten. Als voeding je leven regeert en Blonde manen. Net als Sofie in Rozendaals debuutroman Indien plaats beschikbaar woont ze niet ver van Rotterdam, in de Hoeksche Waard.

Ik zou Indien plaats beschikbaar vermoedelijk niet gelezen hebben als de schrijfster het me niet ter recensie had aangeboden via de e-mail. Het leek me niet voor mij geschreven – een boek over een jonge vrouwen dat in veel opzichten doet denken aan een meisjesboek en dat soms lijkt te verwijzen naar Boeketreeks-achtige romans. Zo vliegt er op het vliegtuig ook een jonge, woest aantrekkelijke derde piloot mee, met wie Sofie zelfs – heel even – zoent. Tegelijkertijd word dat Boeketreeks-beeld ook weer gerelativeerd, doordat Sofies vader de hoofdpiloot is en tegelijkertijd thuis een sukkel.

Uiteindelijk heb ik het boek, dat dus niet voor mij geschreven was, vooral gelezen als een soort sociologische studie: hoe schrijft een jonge vrouw tegenwoordig over relaties tussen mannen en vrouwen? Want behalve over de relatie van een vrouw met haar eigen lichaam (vooral haar buik) lijkt me dit boek over dat onderwerp te gaan. Ook die relaties met mannen gaan heel vaak over het lichamelijke: wat hebben ze aan, hoe zien ze eruit, hoe ruiken ze. Tegelijkertijd blijft het allemaal in het kuise – met de copiloot gaat het dus niet verder dan een zoen, en een vriend van de moeder van Sofies vriendin die een beetje creepy wordt, doet dat niet door Sofie aan te randen, maar door zijn hand op haar buik te leggen en haar voorstellen om te trouwen.

Het blijft dus letterlijk en figuurlijk allemaal nogal aan de buitenkant voor de hoofdpersoon; het binnenste van een mens is net zo eng als het vrachtrijder van een vliegtuig. Dat geldt ook het geestelijke (Sofie klaagt herhaaldelijk over het feit dat haar ouders haar niet begrijpen). Om in de buik-metafoor te blijven: het lijkt net alsof Sofie niets echt binnen wil laten dringen. Of het nu een paard, een boterham met pindakaas of een aantrekkelijke piloot betreft: ze moeten allemaal buiten blijven. Aandacht, dat is wat ze vooral nodig heeft: en hoe oppervlakkiger die aandacht blijft, hoe liever het haar is.



4.8.12

Peter Bergen. Manhunt. The Ten-Year Search for Bin Laden from 9/11 to Abottabad. London: The Bodley Head, 2012.

Er gebeurt de hele tijd zoveel, je zou bijna vergeten dat Osama bin Laden alweer meer dan een jaar geleden door een speciale Amerikaanse eenheid in zijn huis is doodgeschoten. Het was in het nieuws - president Obama die zakelijk aankondigde dat Bin Laden er niet meer was -, je verwonderde je een paar dagen over hoe dat allemaal mogelijk was en hoe men de terrorist precies gevangen had en toen was de aandacht alweer verlegd naar iets anders.

Gelukkig geldt dat niet voor iedereen. De Amerikaanse journalist Peter Bergen bijvoorbeeld had Bin Laden al gevolgd voor 11 september 2001 en is dat blijven doen. Met Manhunt heeft hij nu een heel sterk journalistiek boek geschreven waarin hij zowel de laatste jaren van Bin Laden als de tienjarige jacht van vooral de CIA onder de regeringen Bush en Obama nauwkeurig reconstrueert.

Dat is aan de ene kant het verhaal van een loser. Iemand die dacht dat hij met zijn aanslagen de Amerikanen uit de islamitische wereld kon verdrijven, maar het omgekeerde bereikte – de Amerikanen begonnen overal oorlog te voeren en al-Qaida werd gaandeweg steeds minder populair in de islamitische wereld. (Niet dat het ooit zo vreselijk populair was, maar het verloor gaandeweg echt alle sympathie.) De laatste vijf - zes jaar leefde Bin Laden in een zelfgemaakte gevangenis, een huis waar hij nooit meer uitkwam en waarvandaan hij eigenlijk ook niet kon communiceren met zijn mensen – mobiele telefoons en internet waren taboe, die konden immers worden afgeluisterd.

De Amerikaanse kant van de zaak is vooral het verhaal van Obama. Je krijgt het idee dat de regering Bush een en ander vooral op een incompetente manier aanpakte en dat die lamlendigheid op de een of andere manier ook de geheime dienst beïnvloedde. Pas toen Obama aan de macht kwam, kreeg men gaandeweg 'de sjeik' weer in het.vizier, al wist men tot hij doodgeschoten op de frond lag, nooit zeker of dit nu inderdaad de gezochte Bin Laden was, de man in dat verdachte Pakistaanse huis.

Het is een spannend geschreven verhaal (alleen de stukjes over de politieke discussies vond ik soms wat saai) en bovendien het resultaat van knap speurwerk. Je komt nooit precies te weten wat Bergen ervan vindt, maar mij werd eigenlijk duidelijk hoeveel vraagtekens je kon zetten bij de hele Amerikaanse operatie. Die Osama was intussen een totale loser aan het worden. Natuurlijk moest hij worden opgepakt, maar moest er zoveel geld en mankracht worden besteed aan zo'n min mannetje, die uiteindelijk niet eens werd opgepakt, maar werd doodgeschoten?

2.8.12

Christian Kracht. Imperium. Köln: Kiepenheuer & Witsch, 2012.

Ik was onlangs op vakantie en zocht nog wat interessante moderne boeken om op mijn e-reader te zetten. Wat is volgens jou de interessantste Duitse roman van de afgelopen tijd, vroeg ik aan een bevriende germanist, via Twitter (want als het gaat om het volgen de de hedendaagse literatuur worden alle middelen ingezet). En zo kwam ik aan Imperium, de roman van Christian Kracht.

ik volg de Duitse literatuur niet bepaald van nabij. Ik had bijvoorbeeld noch van Kracht noch van het rumoer rondom zijn boek gehoord. De germaniste verzekerde me dat het schandaal ten onrechte was, en ik besloot Imperium dan ook nu eens niet te goolen – bij uitzondering, want ik lees eigenlijk nooit meer boeken zonder tussendoor af en toe iets over boek of schrijver op te zoeken.

Imperium is inderdaad een mooi boek – een prettige, wat ouderwetse stijl en een aantal fascinerende motieven. Het vertelt de geschiedenis van een zekere Engelhardt, een Duitse vegetariër die aan het begin van de vorige eeuw het idee kreeg dat de kokosnoot de kroon op de schepping was: van die vrucht kon een mens alles maken wat hij nodig had, en bovendien kon je ook het best leven op een dieet van alleen kokosnoten. (De man blijkt echt te hebben bestaan, maar dat vond ik dus pas uit toen ik het boek gelezen had.) Op een Duits eiland in de Stille Oceaan koopt hij een kokosplantage op een klein eiland en begint een experiment. Hij krijgt ook wat volgers, maar die sterven onder verdachte omstandigheden of rennen weg. Langzaam wordt hij gek en begint niet alleen op zijn duim te sabbelen, maar er ook van te eten.

Ondertussen krijgen we een mooi, wat stripverhaal-achtig beeld van een zonderlinge episode in de Duitse geschiedenis – de poging om ook een koloniale macht te zijn. (Het omslag van de papieren editie is een tekening in de klarelijnstijl.) Je hoeft niet echt hardop te lachen om de gouverneur, en de rijke dame, en de vrachtkapitein, maar vermakelijk zijn ze wel.

Vooral is Imperium een spel met de tijd. Een Duits verhaal uit het begin van de 21e eeuw over een Duits 'imperium' aan het begin van de 20e, gaat automatisch ook over wat er tussendoor gebeurd is, en de schrijver laat de tijd dan ook alle kanten op heen en weer schuiven. Dat gaat bijna ongemerkt, het hoeft het lezen van de spannende avonturenroman helemaal niet in de weg te staan. Maar als je goed oplet, zijn er voortdurend vooruitwijzingen (de verteller geeft alvast een waarschuwing over wat er later in het verhaal of in de wereldgeschiedenis gaat gebeuren), denken personen na over de onbegrijpelijkheid van de tijd. Bovendien is dit natuurlijk een verhaal over een idealist: en leven wij lezers nu in de toekomst die die idealist had willen verbeteren. We kunnen alleen maar constateren dat de toekomst van het verleden niet het heden is.

Daarmee gaat het boek dus ook over idealisme. Zonder dat hun namen genoemd worden, maakt Kracht duidelijk dat de twintigste eeuw voor een belangrijk deel bepaald is door vegetariërs – van Hitler tot en met Einstein. Niemand is er in geslaagd om hem tegelijk in de juiste richting te duwen.

Zo'n bittere boodschap in de vorm van een vrolijk intellectueel spel – was dat genoeg voor het schandaal waar mijn adviseuse het over had? Tot mijn verbazing bleek het over iets anders te gaan: een Duitse criticus had Kracht ervan beschuldigd met dit boek literaire vorm te geven aan extreem-rechtse ideeën. Dat had ik nu nooit kunnen verzinnen en net bleek geloof ik ook meer gebaseerd op allerlei al dan niet juiste achtergrondinformatie over de auteur.

Dat gedoe had mijn plezier om het boek weleens kunnen verknallen. Soms kun je voor een goede keuze voor boeken beter terecht bij de sociale media dan bij Google.