30.6.07

Nikos Kazantzakis. Alexis Sorbas. München/Zürich: Piper, 2005 ('Vios ke politia tou Alexi Zormpa', 1946)

Alexis Zorbas ziet weinig in taal; hij danst liever. Al helemaal houdt hij niet van boeken; hij leeft liever. Waarom zijn dertig jaar jongere baas, de verteller van dit verhaal, wel zoveel leest, begrijpt hij niet. Als Zorbas hem aan het eind van het boek vraagt naar de belangrijke vragen van het leven — wat is de zin van het bestaan en waarom moeten wij sterven? — moet de verteller toegeven dat hij het ook niet weet.

[Alexis Sorbas] verstummte ein paar Augenblicke, und plötzich legte er heftig los: »Wozu liest du eigentlich diese staubigen Schmöker? Zu welchem Zweck? Wenn sie dir nicht das sagen, was überhaupt?«

»Sie erzählen von der Ratlosigkeit des Menschen, der auf das wonach du fragst, nicht antworten kann, Sorbas.«

»Ich pfeife auf ihre Ratlosigkeit.«, rief er aus und stampfte mit dem Fuss auf.

Daarmee wordt Alexis Sorbas ('Zorba de Griek', maar dat is een slechte vertaling van de titel, vind ik) samengevat. Net als The last temptation, dat ik onlangs las, is ook deze roman misschien vooral interessant vanwege een personage achter de schermen: de schrijver, die zo duidelijk worstelt met de belangrijke vragen van het leven. Dit boek staat vol gedachten, en mogelijke keuzes die je kunt maken in het leven, en tweestrijd.

Dat de verteller uiteindelijk een keuze denkt te moeten maken die in ieder geval de mijne niet zou zijn, doet er niet eens zoveel toe. Aan het eind van het boek laat hij duidelijk blijken dat hij een leven zoals Sorbas leidt — zonder aarzeling overal opaf — verkieselijk vindt boven zijn eigen leven van contemplatie en boeken. Ik denk niet dat het ene beter is of slechter dan het andere. In dit boek hebben bovendien beide mannen soms iets afstotends, bijvoorbeeld als het gaat om hun idee van vrouwen. De verteller is te terughoudend of verlegen om ze te benaderen, maar Sorbas heeft alleen maar 'medelijden' met ze, wat zich uit in een voortdurende bereidheid om ze te troosten door met ze naar bed te gaan. Een echt vrouwelijke persoon die iets anders wil dan getroost worden komt in het boek niet voor.

Op de achtergrond, maar nauwelijks verborgen, speelt homoseksualiteit een rol. De verteller begint zijn verhaal met afscheid te nemen van een vriend die de Grieken in de Caucusus gaat bevrijden. Die vriend lijkt wel de grote liefde te zijn van de verteller — totdat deze gefascineerd raakt door de lichamelijkheid van Zorba . Belangrijker is nog een zijlijn in het verhaal, over Zacharias, een psychotische monnik die zijn klooster in brand steekt. De aanleiding daarvoor is dat een oudere monnik een veel jongere monnik heeft neergeschoten, waarbij heel sterk de suggestie wordt gewekt dat zich tussen die twee van alles heeft afgespeeld.

Ondertussen raak ik steeds gefascineerder door die Kazantzakis: wat een man was dat. Ooit wil ik in ieder geval ook het vervolg lezen dat hij schreef op de Odyssee

27.6.07

Chinua Achebe. Things fall apart. London: Penguin, 2006 (1951).

Ik geef toe: voordat hij eerder dit jaar de Man Booker International Prize won, had ik nog nooit van Chinua Achebe gehoord. Toen ik hem vervolgens googelde, bleek hij op allerlei lijsten voor te komen van 's werelds belangrijkste schrijvers, en zijn boek Things fall apart een plaatsje te hebben op allerlei lijsten met de belangrijkste boeken van dit moment of misschien zelfs aller tijden.

Ik heb het boek meteen besteld en het is inderdaad indrukwekkend. Okonkwo heeft in zijn dorp grote faam verworven als onverschrokken strijder, heel anders dan zijn slappe, laffe vader. Je ziet hem voor je: een man van staal en een man van aanzien, ondanks zijn af en toe onbeheerste aggressie. Iemand die zichzelf een naam heeft verworven als hij per ongeluk tijdens een feest een stamgenoot doodt. Hij wordt volgens de regels voor zeven jaar verbannen, en zou onder andere omstandigheden terug zijn gekeerd en alsnog hebben gestreden voor zijn aanzien. Helaas, de omstandigheden zijn niet anders: we leven aan het eind van de negentiende of het begin van de twintigste eeuw en blanke mannen komen dorpsgenoten bekeren en een nieuw rechts- en regeringssysteem brengen. Okonkwo, de onbuigzame, gaat daaraan tenonder: zijn wereld valt letterlijk uit elkaar, alles waarvoor hij gestreden heeft, gaat ten onder.

Ik geloof niet dat ik ooit zo'n sterk boek over het kolonialisme heb gelezen — sterk vooral omdat de hoofdpersoon helemaal niet zo sympathiek is, maar toch zijn lot niet verdient. Sterk omdat de gekoloniseerden mensen zijn: aardig of niet aardig, stoer of laf, rechtvaardig of onbeheerst — mensen.

25.6.07

Albert Camus. L'étranger. Paris: Gallimard, 1991 (1942).

Als een Fransman uit Algerije, Meursault, zijn moeder begraven heeft, begint het. De volgende dag begint hij een seksuele relatie met een meisje op wie hij eerder al een oogje had, en raakt hij bevriend met een buurman, Raymond. Die laatste is in conflict met een naamloze 'Arabier', omdat hij de zus van die Arabier aan de kant heeft gezet, of omdat hij haar als pooier heeft misbruikt. Door een samenloop van omstandigheden schiet Meursault uiteindelijk de Arabier dood.

We zijn dan precies op bladzijde 90 van deze 180 pagina's tellende roman. In de tweede helft zit Meursault in de gevangenis, ondergaat hij zijn proces en hoort een doodsvonnis bij hem uitspreken. Uit het feit dat hij bij de dood van zijn moeder zo weinig gevoelens uitte, concludeert in ieder geval de aanklager dat Meursault een gevoelloos monster is en een gevaar voor de maatschappij.

Ik kan L'étranger niet helemaal vangen, en precies dat maakt het zo mooi: de beste manier om het samen te vatten zou zijn om het hele boek woord voor woord na te vertellen, en dat is dan de boodschap. Het is volgens sommigen de belangrijkste existentialistische roman, maar je kunt niet uitdrukken welke filosofie er precies mee zou worden gepropageerd. Ja, Meursaults leven is 'absurd', het neemt een aantal bizarre wendingen; maar tegelijkertijd is hij zo anders, ook dan de andere personages in het boek, dat het niet duidelijk is dat je zijn lot van toepassing kunt verklaren op alle mensen. Ja, Meursault is een extreem eerlijk mens, iemand die zich weigert te houden aan de sociale conventies, en verdriet of berouw te tonen als hij het niet voelt — maar het is maar de vraag of je dit boek moet zien als propaganda voor een dergelijke houding. Wat je bijblijft is uiteindelijk vooral de zakelijke en precieze stijl, en de onvergetelijke details — de onbekende vrouw die in een restaurant tegenover Meursault gaat zitten en in een radiogids een voor een alle radioprogramma's van de komende week aanstreept.

24.6.07

Homeros. Odysseia. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2006 (Odysseia, 800 v. Chr.)

Meestal schrijf ik de stukjes voor dit leesdagboekje meteen nadat ik een boek heb dichtgeslagen, maar deze keer moest ik even nadenken. Wat moet je zeggen over een boek dat al drieduizend jaar gelezen en bewonderd wordt? Dat je er een koud gevoel van kreeg, dat het je helemaal meesleepte, dat het waarschijnlijk een meesterwerk is dat de eeuwen zal trotseren?

Ik had de Odyssee nog nooit gelezen, althans nog nooit helemaal. Wat een gebrekkige opleiding is wat dat betreft toch het gymnasium, of wat gebrekkig was het in ieder geval twintig, vijfentwintig jaar geleden. Geef die kinderen gewoon deze vertaling van Imme Dros, en zorg dat ze hem van kaft tot kaft lezen — het zal hun leven voor altijd veranderen.

Misschien moet je er even inkomen, misschien word je afgeschrikt door het idee dat dit al zo oud is en door zoveel mensen gelezen is die al dood zijn en denk je daarom dat het boek saai is. Stap daarover heen, net als over de stukjes die soms inderdaad onbegrijpelijk zijn, onpeilbaar: die stukjes zijn maar kort, en het zijn er ook niet zoveel.

De vertaling van Imme Dros is bovendien precies goed, geloof ik. Niet te eerbiedig en niet te populair, en met een heel losse opvatting van die hexameters die het lezen zo moeilijk kunnen maken: het zit er wel in, dat ritme, maar zonder dat het afschrikt.

Wat ik (hopelijk) nooit meer vergeet: hoe Odysseus aan land komt, zich vastgrijpt aan de rotsen, maar er dan weer vanaf wordt gescheurd door de rotsen, letterlijk gescheurd: zijn vel blijft aan de rotsen hangen. Of het vreselijke bad van bloed en ledematen aan het eind in de eetzaal, als Odysseus eindelijk na lange voorbereidingen een eind maakt aan de arrogantie van de 'vrijers' van zijn vrouw' — nooit geweten dat een boek dat de reizen van Odysseus heet zich voor ruim de helft afspeelt op een klein eiland, het huis van de held.

17.6.07

Gerrit Krol. Duivelskermis. Roman. Amsterdam: Em. Querido, 2007.

Gerrit Krol - Duivelskermis'Roman' staat er op dit boekje van 93 pagina's, de omvang van een novelle, maar Gerrit Krol heeft er altijd van gehouden om genres door elkaar te gooien. En in dit boekje wordt er sowieso ongelooflijk gelogen. In een voorwoord laat Krol bijvoorbeeld weten dat het hem te doen is om zijn eigen demonen, de verschijningen die hij ziet als bijwerking van zijn medicijn tegen Parkinson. Maar die verschijnselen legt hij wel in de mond van een jongen die vier jaar na zijn middelbareschooltijd naar Maastricht afreist om daar een vriendin (Maria) te vinden en ondertussen van het ene erotische avontuurtje in het andere vervalt. Hebben zulke jonge jongens last van Parkinson? Op bladzijde 72 komt het even ter sprake ('Hoe oud ben je?' 'Dertig.' 'Dan heb jij geen Parkinson, vader?' [...] Ik had die pillen meegenomen om de bijverschijnselen te kunnen bestuderen.). Maar hoe kan die jongen dertig zijn, vier jaar na de middelbare school?

En zo maakt het geheel een zeer hallucinerende indruk, die je gemakkelijk kunt vergelijken met het werk van Jeroen Bosch. Te gemakkelijk: want er zit meer in het boekje; Krollige humor bijvoorbeeld, die toch altijd weer droog en sterk de kop opsteekt:

Dat het een demon is waar je mee praat, zie je soms pas aan een spleet in zijn kop. Daarbinnen zie je allerlei rommel, die hij erin gestopt heeft om maar op een intellectueel te lijken: een paperclip, het dopje van een balpen, dat soort dingen.

Belangrijk in het boek is ook de verhouding tussen mannen en vrouwen, en dat dan op allerlei manieren. Op het omslag zie je een mannetje dat in de grote boezem van een grote vrouw verdwijnt — een bekend thema in Krols werk, zullen we maar zeggen. Maar er wordt ook geworsteld, en ergens komt ook, zonder uitleg, Valerie Solanas, ter sprake, als een vrouw die door een van de vriendinnen van de hoofdpersoon bewonderd wordt. Met Parkinson heeft dat allemaal natuurlijk weinig te maken — dit boek is rijker dan Parkinson.

Ik schreef hier al over meer werk van Gerrit Krol.

Siegfried E. van Praag. Jeruzalem van het westen. Den Haag: H.P. Leopolds Uitversmij, 1961.

Een schrijver, Ruben, schrijft in de jaren na de oorlog een boek waarin hij het Joodse leven van het Jeruzalem van het Westen, van Amsterdam, weer tot leven probeert te wekken: van vrolijke kwanten tot eenzame oude vrijsters, van arme sloebers tot magnaten, van niet al te snuggere meisjes tot veelbelovende geleerden. Ruben reist daarvoor langs Londen, Amsterdam en Jeruzalem en spreekt met de achterblijvers die hij her en der vindt.

Ieder hoofdstuk van Jeruzalem van het Westen bestaat uit een min of meer afgerond verhaal over steeds een ander groepje mensen. Die verhalen hebben telkens in grote lijnen dezelfde structuur: de mensen komen onder de getalenteerde pen van Van Praag binnen een bladzijde helemaal tot leven en gaan voor je staan met al hun humor, hun zorgen en hun streken. En tenslotte gaan ze bijna allemaal in de jaren veertig tenonder.

Het viel me op dat het kwaad in dit boek geen gezicht krijgt. De verhalen eindigen doorgaans als de mensen worden opgehaald en naar de Hollandse Schouwburg gebracht, maar zelfs aan degenen die dit doen, wordt geen woord vuil gemaakt. Dat heeft iets moois: de slachtoffers worden tot leven gewekt, maar de daders blijven volkomen anoniem. Tegelijkertijd zorgt die anonimiteit ervoor dat schuldgevoel een opvallende plaats in het verhaal krijgt: de overlevenden voelen zich allemaal schuldig, en ook verteller Ruben lijkt zich af en toe niet aan het gevoel te kunnen onttrekken dat de beste mensen, de aardigste, de knapste, de behulpzaamste gegaan zijn, en dat degenen die achtergebleven zijn dat misschien wel niet verdienden. Bij afwezigheid van de echte schuldigen nemen de onschuldigen een onevenredig deel op hun schouders.

In de afgelopen maanden las ik van Siegfried van Praag ook La Judith en Een schrijver en zijn werk.

15.6.07

F. Starik. Songloed. Amsterdam: Nw Amsterdam, 2007

F. Starik: SongloedLang, lang leve de Poëzieclub. Doordat ik lid ben, krijg ik af en toe een bundel opgestuurd, en vaak is dat natuurlijk een bundel die ik zelf nooit zou kopen. En dat blijkt soms ineens onterecht.

Ik weet bijvoorbeeld niet of ik ooit uit eigen beweging iets van F. Starik zou hebben gekocht. Dat leek me wel een sympathieke man, maar op de een of andere manier krijg je als buitenstaander dat hij een beetje tweederangs is. Nu ik deze bundel heb gelezen, weet ik wel beter: F. Starik moet je lezen.

Nu is zijn dichtkunst misschien niet spectaculair, zijn toon is niet zo heel bijzonder, zijn drang tot vernieuwing houdt niet over, je wordt niet geconfronteerd met de nieuwste, pas ontdekte gevoelens.

Hij schrijft een soort gedichten dat vooral menselijk is, dat zich inleeft in andere mensen, dat niet schroomt om de eigen huiselijke maar toch bijzondere persoon voor het voetlicht te brengen.

De jury van de Poëzieclub vindt dat Songloed (de titel verwijst naar 'een goedkope supermarktwijn die lang niet smerig smaakt') lijkt op Gerard Reve's Nader tot U vanwege de tijdloosheid, de aandacht en de ontroerendheid. Daar kan ik me dan weer weinig bij voorstellen. Ja, die criteria zijn misschien wel op beide bundels van toepassing, maar dat zijn ze op alle goede dichtbundels, en verder zie ik weinig overeenkomsten. Starik heeft helemaal niet het licht hysterische dat Reve kenmerkt, maar daar staat dan weer tegenover dat hij zich prachtig kan inleven in anderen. Zoals de okapi:

The birthday party

Toen God de wereld schiep en alle rare
dieren, bedacht Hij een goedkopere giraf.
Of de okapi zich schaamde voor zijn longe tong
of gewoon verlegen was hij

hield zich eeuw na eeuw verborgen
deep in the woods (...)

's Nachts ligt hij op de koude vloer
en weent en weent, met heel zijn lijf.
Likt zijn eigen oord.

Bundels die ik eerder van de poëzieclub kreeg waren, onder andere De herfst van Zorro van Al Galidi, Bodemdaling van Rouke van der Hoek, en Langzame nederlaag van Wouter Godijn.

10.6.07

Martin Walser. Ein fliehendes Pferd. Frankfurt, Suhrkamp, 2004 (1978).

Twee mannen komen elkaar na vijfentwintig jaar weer tegen tijdens een vakantie aan het Bodenmeer: Helmut was ooit de intellectueel van de twee en heeft besloten zijn leven zo onopvallend mogelijk te leiden; zijn ideaal is dat niemand weet wie hij echt is. Klaus is daarentegen opgebloeid, nee, hij is altijd jong gebleven, sportief, actief — en met zijn achttien jaar jongere vriendin Helene dringt hij zich op bij Helmut en diens vrouw Sabine.

Er volgt een subtiel psychologisch gevecht rond de midlife crisis: Helmut denkt die te hebben opgelost door zich terug te trekken in een heel kleine, en misschien wat burgerlijke cocon, terwijl in hem allerlei driften blijven woeden. Klaus zoekt de oplossing juist in groot vitalisme, terwijl daaronder de onzekerheid blijft knagen. Er volgt een heuse confrontatie tijdens een storm op het meer, waarbij Klaus bijna het leven lijkt te laten. Zijn dood lijkt Helene eindelijk te bevrijden van die enorme druk van succes die Klaus op haar gelegd heeft — behalve dat de man toch weer terugkomt.

Het verhaal heeft een motto van Kierkegaard (uit Entweder/Oder): 'Man trifft zuweilen auf Novellen, in denen bestimmte Personen entgegengesetzte Lebensanschauungen vortragen. Das endet dann gerne damit, dass der eine den andern überzeugt. Anstatt dass also die Anschauung für sich sprechen muss, wird der Leser mit dem historischen Ergebnis bereichert, dass der andre überzeugt worden ist. Ich sehe es für ein Glück an, dass in solcher Hinsicht diese Papiere eine Aufklärung nicht gewähren.'

Helmut probeert tijdens zijn vakantie ook Kierkegaard te lezen (in het Duits, terwijl hij vroeger Nietszche in het Frans las), maar dit citaat beschrijft meteen de kracht van deze novelle. In slechts 150 bladzijden worden de twee extreme oplossingen van een groot probleem neergezet en in een heel precieze vloeiende stijl duidelijk gemaakt waarom geen enkele oplossing werkt. Er wordt de lezer helemaal niets aangereikt, er valt ook niets aan te reiken, helaas.

Dit boek was me wel aangereikt, door een jonge Duitse collega, een twintiger. Wat raar, dacht ik in het begin, dat zo'n jongen zo enthousiast is over een midlifecrisisnovelle. Maar Ein fliehendes Pferd is veel meer dan dat, dat zie ik nu wel in.

6.6.07

Nikos Kazantzakis. The last temptation. London: Faber and Faber, 2003 (1961, vertaling Peter Bien; O telefteos pirasmos, 1951)

Nikos Kazantzakis - The last temptationJezus is een mens, die in ieder geval zelf meent door God te zijn aangeraakt, en die er gaandeweg zelfs van overtuigd raakt dat hij door God is gezonden, ja, dat hij de Messias is, op wie iedereen heeft zitten wachten. Is hij gek geworden? Je zou daarover van mening kunnen verschillen, maar in ieder geval heb ik zelden over een menselijker hoofdpersoon gelezen dan over Kazantzakis' Jezus, die een gedreven mens is bovendien.
In The last temptation is het evangelie tot een roman geworden.En wat voor een roman. Merkwaardig is dat, hoe uit een boek dat helemaal over historische (ahum) gebeurtenissen gaat, waarin het woord 'ik' bij wijze van spreken niet voorkomt, toch zo een duidelijk beeld van de schrijver naar voren kan komen, als van een mens, en een gedreven mens bovendien. Die Kazantzakis moet zelf een leven hebben geleefd vol strijd, zowel in de wereld (hij was onder andere politicus en zakenman in een periode dat Griekenland allerlei bloedige oorlogen en burgeroorlogen meemaakte) als in zijn gevoelsleven (hij is communist geweest, Christen, Nietszcheaan, Boeddhist en wat niet al). De Engelse vertaler van The last temptation heeft ook een biografie van Kazantzakis geschreven. Misschien moet ik die ook eens lezen, net als de andere beroemde boeken van deze bijna-Nobelprijswinnaar (die prijs ging uiteindelijk naar Camus, volgens deze laatste eigenlijk ten onrechte).
Ondertussen is het misschien jammer dat mijn Grieks waarschijnlijk nog niet goed genoeg is om zo'n boek in die taal te lezen. Want ik stel me voor dat dit boek eigenlijk ook sterk over de taal gaat: dat het verhaal van Jezus nu eens niet wordt verteld in het houterige nieuwtestamentische Grieks, maar in levendig, Kretenzisch gekleurd demotisch Grieks. Niet dat ik denk dat ik dat ooit echt zal kunnen navoelen. Maar het moet toch iets betekend hebben: ook in de taal wordt Jezus in dit boek ineens een levend mens, een gedreven gek. Een Griek die zichzelf moet zien te vinden in tijden van grote maatschappelijke onrust.

5.6.07

Marten Toonder. Grofstoffelijke trillingen. Amsterdam: BBLiterair, 1979 (1976).

'Ademloos zal de lezer, met mij, het vibreren van een fijntrillend vleeslichaam op de voet volgen en het in één ruk verslinden — om daarna met brandende ogen in een betere wereld te ontwaken.' Hoe las ik die zin op het omslag toen ik 12 jaar oud was? En hoe las ik de drie Bommelverhalen ('De zwarte zwadderneel' uit 1957, 'De vuursalamander' uit 1965, 'De viridiaandinges' uit 1968) die in Grofstoffelijke trillingen verzameld zijn?

Ik vond ze vast leuk, want dat zijn ze. Ze hebben een soort humor dat kinderen aanspreekt: het grappigst zijn de herhaling en de herkenbaarheid. Bijna alle personen komen in bijna alle verhalen terug, ook al lijken ze elkaar bij een volgende ontmoeting nauwelijks te herkennen. En elke keer zeggen ze weer hetzelfde: 'Als je begrijpt wat ik bedoel', 'Als ik zo vrij mag zijn', 'Fi donc', 'Wat enigjes', 'Hm!'

Tegelijk valt op dat met al die personen iets niet klopt. De dingen die ze de hele tijd zeggen, geven een beeld van een karakter; maar daaronder zit steeds iemand anders. Onder de deftige taal van Markies de Cantecler zit iemand die af en toe onzeker blijkt over zijn eigen positie, onder de gedienstigheid van Joost broeit de opstand. Alleen onder Tom Poes broeit niets, maar Tom Poes zwijgt dan ook.

Wat wilde Toonder eigenlijk met die verhalen? Soms lijkt er een soort moraal aan de oppervlakte te komen: de Zwarte Zwadderneel kun je lezen als een waarschuwing tegen grauw protestantisme. Maar uiteindijk gaat het toch vooral over die verhalen, om het plezier van het vertellen, hoe noem je dat. Die grauwe stijlheid is toch meer een soort motief, zoals ook de kunst en de wetenschap dat zijn. Wetenschappers zijn bij Toonder eigenlijk allemaal gek en wereldvreemd als ze al niet op het slechtste uitzijn — maar het zou overdreven zijn om te beweren dat hij tegen de wetenschap wilde 'waarschuwen', of zoiets. Hij deed iets veel belangrijkers: hij vertelde verhalen.