29.8.10

Stefan Zweig. Schachnovelle. Argon Verlag, 2009 (1941).

Stefan Zweig. Schachnovelle Op een passagiersschip van New York naar Buenos Aires vindt een bizarre schaakwedstrijd plaats. Aan de ene kant staat de regerend wereldkampioen die buiten het schaken op geen enkele manier deelneemt aan de beschaving, en trouwens ook niet eens kan schaken zonder een bord te zien. Aan de andere kant zit dr. B., een slachtoffer van de Gestapo, die in eenzame opsluiting niets anders kon doen dan een boekje bestuderen met de 150 belangrijkste schaakwedstrijden ooit en daarnaast heeft geprobeerd tegen zichzelf te schaken. In eerste instantie wint dr. B., maar dan krijgt de wereldkampioen door wat hij moet doen: in een tweede wedstrijd rekt hij iedere zet zoveel minuten dat dr. B, die immers tegen zichzelf schaakt, ervan in de war raakt.

Dit was de laatste novelle van Stefan Zweig, die hij schreef vlak voor hij in 1942 met zijn vrouw zelfmoord pleegde. Het verhaal gaat op twee niveaus over de oorlog. Aan de ene kant is dr. B een oorlogsslachtoffer — hij heeft wel niet in een concentratiekamp gezeten, maar wel de foltering van eenzame opsluiting ondergaan.

Tegelijk is het schaakspel zelf een metafoor voor het fascisme. Op het eerste gezicht geeft het een vreemde invalshoek - alsof het ergste van het fascisme was dat de beschaafde mensen werden ondergeschoffeld. Maar in tweede instantie kun je als lezer toch niet om de gedachte heen dat een schaakspel zoals hier beschreven werd, wel weer gespelen zou kunnen worden. Dat de verstandige mensen die weleens proberen na te denken door een strategisch slimme tegenstander met een truc buitenspel kunnen worden gezet. Dat zij zichzelf misschien alleen maar vastzetten in hun eigen gepieker en hun eigen wens om alles van verschillende kanten te zien.

27.8.10

Jan Wolkers. Turks Fruit. Amsterdam: Meulenhoff, 2009 (1969)

Jan Wolkers. Turks Fruit Zou er al eens een student een scriptie hebben geschreven over het braken bij Jan Wolkers? Het komt, in ieder geval volgens mijn herinnering, heel vaker voor. Nu de gemoederen niet meer zo geschokt hoeven te zijn over de seks als veertig jaar geleden, is het misschien aardig zich eens te buigen over die andere vorm van lichaamssappen uitscheiden.

De belangrijkste braakscène in Turks Fruit is ook het scharnier van het boek: de rest speelt zich duidelijk ofwel voor dit moment af, toen de hoofdpersonen nog gelukkig waren, of erna, toen het verval zich inzette. Erik zit op een personeelsfeestje van het bedrijf van zijn schoonmoeder, en ziet dan hoe zijn grote liefde Olga zit te flirten met een miezerig zakenmannetje. Hij staat op, braakt over iedereen heen, strompelt naar de toiletten en braakt daar nog eens over zijn eigen spiegelbeeld heen.

Dat is een merkwaardige gang van zaken. Ik heb zoiets in ieder geval nog nooit meegemaakt, en ik heb er ook nog nooit over horen vertellen. Is die Erik ineens heel ziek? Daar wordt niets over gezegd. Het is natuurlijk allemaal symbolisch voor iets, dat begrijp ik ook wel, een manier van zeggen ('ik kots erop') die letterlijk wordt genomen. Maar het is ook een extreem lichamelijke manier van reageren, die alle personen kenmerkt. Al het nadenken en alle emoties van alle personen worden meteen in lichamelijk actie omgezet: als Olga zich bij haar volgende mannen ongelukkig voelt, krijgt ze dan ook meteen kanker.

Turks Fruit is een van de succesvolste verhalen van de Nederlandse naoorlogse periode. De roman was een bestseller, er is een film naar gemaakt die de best bezochte Nederlandse bioscoopfilm aller tijden werd, en een paar jaar geleden was er zelfs een musical. Ik heb me bij het lezen wel afgevraagd wat dit betekent. Allereerst is het verhaal van Turks Fruit natuurlijk krachtig, en je wordt als lezer almaar voortgestuwd door het vitalisme van de schrijver (bovendien bestaat ieder hoofdstuk uit telkens één lange alinea). Maar verder waren boek en film een onderdeel van een voortdurend proces van emancipatie waar we ongetwijfeld nu nog steeds de vruchten van plukken, maar die vruchten zijn lang niet allemaal even zoet. Of het de wereld nu zo vooruit helpt om te kotsen op de mensen die je niet bevallen, dat is vooralsnog niet wetenschappelijk aangetoond.

23.8.10

Dan Rockmore. Stalking the Riemann Hypothesis. The Quest to Find the Hidden Law of Prime Numbers. London: Jonathan Cape, 2005.

Dan Rockmore. Stalking the Riemann Hypothesis Er zijn tijden geweest dat ik als ik niet slapen kon, aan priemgetallen dacht. Ik maakte sommen met ze tot ik uiteindelijk in slaap viel. Wat zijn ze toch interessant! Waarom ben ik indertijd geen wiskunde gaan studeren zodat ik nu al mijn tijd aan ze kon besteden. (Maar dan had ik vast iets anders moeten bedenken om bij in slaap te komen.

In Stalking the Riemann Hypothesis legt de Amerikaanse hoogleraar Dan Rockmore de geschiedenis uit van het denken van de afgelopen 150 jaar over de zogenoemde Riemann-hypothese, een wiskundige stelling (nog steeds onbewezen, of in ieder geval was dat in 2005 zo) over de verspreiding van de priemgetallen over de gehele getallen. Er zijn oneindig veel getallen, en er zijn ook oneindig veel priemgetallen. Toch worden de priemgetallen naar mate we verder gaan tellen steeds spaarzamer: van de eerste twintig getallen zijn er acht priem (2, 3, 5, 7, 11, 13, 17, 19), bij de volgende twintig zijn dat er nog maar vier (23, 29, 31, 37) en gaandeweg zijn het er steeds minder, maar uiteindelijk kom je, vanaf welk getal je ook begint te tellen, altijd bij een priemgetal uit. Hoe die verdeling precies is, daarover zijn wiskundigen nog steeds aan het puzzelen, en uit Stalking the Riemann Hypothesis blijkt dat ze daar steeds buitenissigere middelen voor inzetten, zoals statistiek en zelfs elementen uit de moderne natuurkunde.

Ik kan niet zeggen dat ik Rockmore altijd helemaal precies kon volgen. Hij probeert de dingen soms uit te leggen door metaforen in plaats van door formules, maar die metaforen zijn soms zo vergezocht (biljarttafels in de vorm van fractals, Riemann's zetafunctie als een Palm) dat ze het begrip eerder vertroebelden dan verhelderden. En verder ben ik waarschijnlijk ook te eenvoudig van geest voor dit soort dingen. Toch vond ik het een meeslepend verhaal: priemgetallen zijn zo eenvoudig en ze blijken tot zulke duizelingwekkende inzichten te kunnen leiden. Wat is dat toch, hoe kan dat? Ik heb weer iets om over te denken voor het slapengaan.

22.8.10

Yann Martel. Beatrice and Virgil. London: Spiegel &: Grau, 2010.

Yann Martel. Beatrice and Virgil Hoe beschrijf je een peer voor iemand die nog nooit een peer gezien, geroken of geproefd heeft? Hoe moeten een aapje en een ezel praten over de verschrikkingen van dood en verderf? Als je jezelf zou kunnen redden door frisse lucht in te ademen door op het hoofdje van je dode dochter te gaan staan? Dat zijn enkele van de vragen die gesteld worden in Yann Martels nieuwe roman Beatrice and Virgil.

Beatrice and Virgil gaat over een schrijver die ooit een succesvolle roman heeft geschreven en nu mislukt is in een project dat zou moeten gaan over de Holocaust. Volgens die schrijver, Henry, moet die verschrikkelijke gebeurtenis meer verwerkt worden in fictie. Het pure feitelijke verhaal is inmiddels verteld. Schrijvers hebben de taak om het steeds opnieuw nieuw leven in te blazen, met fictie. Henry's boek hierover mislukt echter (het wordt door de redacteuren net zo afgemaakt als Beatrice and Virgil zelf door de recensenten), en Henry begint een nieuw leven in een andere stad. Daar komt hij in contact met een preparateur van opgezette dieren, die een absurdistisch toneelstuk heeft geschreven over het aapje Virgil en de ezel Beatrice, die eindeloos proberen woorden te vinden voor de verschrikkingen die hen zijn overkomen.

Deze roman heeft onder de recensenten en boekbloggers een storm van aggressie en woede en minachting doen opgaan (zie bijvoorbeeld hier en hier). Beatrice and Virgil zou volkomen mislukt zijn, een klein ideetje uitgesmeerd over toch nog te veel pagina's, een krachteloos boek vol overbodigs dat bovendien de Holocaust trivialiseert door het te laten vertellen door een aapje en een ezel.

En misschien is Beatrice and Virgil inderdaad een mislukt boek, er gebeuren een aantal dingen in die moeilijk te plaatsen zijn (uitvoerig wordt bijvoorbeeld beschreven hoe Henry een bijbaantje zoekt in een chocoladewinkel) en ook allerlei literaire verwijzingen lijken nogal gratuit - alleen al die van Beatrice en Virgil, want voor zover ik kan zien speelt Dante verder nauwelijks een rol.

Toch vind ik die storm onterecht. En dat niet alleen omdat die Martel me zo'n sympathieke persoon lijkt, bijvoorbeeld vanwege zijn website What is Stephen Harper Reading: iedere twee weken stuurt hij de Canadese premier (iemand met een charme die ongeveer het midden houdt tussen die van Balkenende en die van Wilders) een mooi boek met een aanbeveling. Ook Beatrice and Virgil zelf lijkt me in ieder geval geschreven uit edele en soortgelijke motieven: Martel gelooft hartstochtelijk in het belang van verhalen – ook Life of Pi ging daar natuurlijk over. Dit verhaal probeert het uiterste wat van een verhaal verlangd kan worden – de Holocaust op een nieuwe manier te vangen – en als het mislukt, mislukt het in glorie. Of het mislukt is, moeten we bovendien nog maar even afwachten: dit boek is misschien te vreemd, te nieuw, om onmiddellijk te kunnen plaatsen.

Bovendien zijn sommige passages ronduit prachtig: de poging tot een beschrijving van een peer, bijvoorbeeld, hoe raar dat ook klinkt. Of het essay over het prepareren van dieren dat ergens in het midden is opgenomen. Maar vooral de lijst met gruwelijke raadsels - waarover dat van het hoofdje van je dochter - aan het eind, dat is nauwelijks nog fictie, maar het brengt de gruwelen wel degelijk weer even dichterbij.

21.8.10

Malcolm Gladwell. Blink. The Power of Thinking without Thinking. London: Penguin books, 2005.

Malcolm Gladwell. Blink. The Power of Thinking without Thinking Dit boek heeft alles om een bestseller te zijn, en dat is het dan ook. Vlot geschreven, vol interessante wetenswaardigheden, en over een groots nieuw thema in het psychologisch begrip van onszelf: dat er onder ons bewuste nog een laag zit, het 'adaptieve onbewuste' dat net zo goed aan het denken en aan het rekenen is — niet het amorfe onbewuste van Freud, maar een evolutionair adaptief systeem waar wij mensen van alles meedoen. (Over datzelfde onderwerp ging het boek Het slimme onbewuste van Ap Dijksterhuis, dat ik een aantal jaar geleden las.)

Ik heb Blink dan ook heus met plezier en interesse en hoe heten die dingen allemaal gelezen, nadat ik het van de plank van mijn vakantieadres had gevist. Maar er knaagde ook iets: deze stroming in de psychologie weerspiegelt iets te goed de tijdsgeest, en wel iets wat me eigenlijk niet bevalt in onze tijd. En dat is de afkeer van het beschouwelijke, vooral ook onder wetenschappers. Wetenschap wordt steeds meer en steeds vaker een soort econometrie: het verzamelen van gigantische hoeveelheden data om daar dan datamining op te plegen, om zo patronen te herkennen (daarover heb ik geschreven in mijn stukjes over de boeken Freakonomics en Superfreakonomics). Gladwell beschrijft bijvoorbeeld degene die grote bergen diagnostische gegevens over mensen met hartklachten heeft doorgewerkt en uiteindelijk tot een algoritme is gekomen om te bepalen of iemand wel of niet gevaar loopt op een hartaanval.

Zoiets is natuurlijk prachtig, iedere hartaanval minder is mooi meegenomen. Maar tegelijkertijd gaat dat gepaard met een verminderde interesse in het begrip, in de vorming van een mooie theorie die een en ander kan verklaren. Als we een correlatie hebben gevonden tussen miljoenen gegevens, wie maalt er dan nog om begrip? Gladwell haalt dan ook een aantal keer uit naar mensen die proberen om te begrijpen, zoals de laboratoriumlui van Coca Cola die in de jaren tachtig dachten dat ze een nieuwe smaak Coke moesten maken om de strijd met Pepsi te kunnen aangaan. Gladwell lacht die mensen nu uit, maar tegelijkertijd is er eigenlijk niemand die nu weet waarom Pepsi in de jaren tachtig zo'n opmars maakte, en waarom dat op zeker moment ook weer gestuit werd. Dat volgt namelijk niet onmiddellijk uit de data, daarover zou je moeten nadenken.

Uit die manier van denken komt volgens mij de belangstelling voor dat slimme onbewuste voort. Dat werkt namelijk op dezelfde manier als deze onderzoekers: het denkt niet echt na, in de zin dat het analyses maakt die toetsbaar zijn, maar zeeft meer uit de enorme datastroom die ons constant omringt de gegevens die van belang zijn om daar correlaties in te vinden.

Ik wil daarmee niet zeggen dat dit onbewuste niet bestaat: natuurlijk zijn deze onderzoekers iets op het spoor. Maar tegelijkertijd lijkt het écht interessante deel van het brein mij toch het bewuste. Net zoals de écht interessante wetenschap op zoek gaat naar de verklarende theorie.

18.8.10

Italo Calvino. Il visconte dimezzato. Milano: Mondadori, 2010 (1952)

Italo Calvino. Il visconte dismezzato De arme burggraaf Menardo di Terralba trekt voor het eerst ten strijde tegen de Turken. Door een onhandige manoeuvre wordt hij precies in tweeën gespleten: een kwade rechterhelft en een in-en-in-goeie linkerhelft. Beide keren terug naar Terralba, de eerste om dood en verderf te zaaien, de tweede om uiteindelijk iedereen te irriteren over zijn goedigheid en neiging tot preken. Uiteindelijk worden beiden verliefd op hetzelfde meisje, Pamela. Ze treden in duel en snijden elkaar allebei aan de juiste kant open, zodat een dokter kan komen om hen aan elkaar te naaien. De geheelde burggraaf treedt met Pamela in het huwelijk en leeft nog lang en gelukkig.

Dit was het eerste gehele boek dat ik ooit in het Italiaans las, en wat een gelukkige keuze! Calvino vertelt zo levendig en schilderachtig en zo vol plezier dat het niet erg is als je elk vijfde woord moet opzoeken. Terwijl je door het woordenboek bladert, gloei je nog na van de pret: over de Hugenoten die gevlucht zijn naar Terralba en onderweg hun bijbel en andere heilige boeken verloren zijn, zodat ze niet meer precies weten wat ze ook weer precies geloven; over de arme timmerman die doorlopend instructies krijgt voor nieuwe martelwerktuigen en daar al zijn ziel en zaligheid in weet te leggen, tot zijn eigen schrik; over de verteller, die een neefje van de graaf blijkt te zijn, zonder dat dit verder een duidelijke functie heeft.

Wat een schrijver was die Calvino toch, iemand die zo duidelijk plezier had in verzinnen en fantaseren en dat dan vertellen. Ik wil niet zeggen dat het nodig is om Italiaans te leren om hem te kunnen lezen - dit sprookje is ook vast in andere talen vertaald - maar wie toch Italiaans moet leren kan dat best met Calvino doen!

Franz Kafka. Geschichte (Die Franz Kafka Box). Argon Verlag, 2008 (1904-1924)

Franz Kafka. Die Franz Kafka Box Dostojewski heeft een roman geschreven die in het Nederlands, kennelijk ten onrechte, lang bekend was als Schuld en boete en tegenwoordig verkocht wordt onder de correctere vertaling Misdaad en straf. Nu dat zo is, stel ik voor om die oude titel te reserveren voor het verzameld werk van Franz Kafka. Al zijn verhalen, en al zijn romans, gaan volgens mij over schuld, over je schuldig voelen, over proberen die schuld af te wentelen op anderen, of op instituten, zonder dat het helpt. (Volgens mij heeft de volksmond het dus verkeerd als die het heeft over kafkaiaanse toestanden en daarmee doelt op onbarmhartige bureaucratie die de onschuldige burger plaagt, Kafka heeft het over het omgekeerde, over de burger die zijn gevoel van schuldigheid projecteert op, bijvoorbeeld, de bureaucratie en hoopt dat deze hem gaat straffen.)

Ik ben nu met vakantie, en heb op mijn favoriete plekje in de schaduw een groot aantal van zijn verhalen beluisterd, die in 2008 in een cd-box verschenen zijn ter gelegenheid van Kafka's 125e verjaardag. De verzameling bevat een aantal van de grotere verhalen (Das Urteil, Die Verwandlung, Josefine die Sängerin alsmede een groot aantal kortere). Ze worden voorgelezen door enkele grote Duitse mannelijke acteurs en bevatten genoeg stof om urenlang ademloos te luisteren.

Gregor in Die Verwandlung voelt zich schuldig, hij heeft jarenlang gezwoegd voor zijn familie, en nu is hij ineens nutteloos geworden doordat hij een stuk ongedierte geworden is. Ook de hoofdpersoon in Das Urteil laat zich door zijn vader allerlei schuldgevoelens net iets te makkelijk aanpraten: eerst zou hij zijn beste vriend uit Sint Petersburg, aan wie hij jarenlang geschreven heeft, verzonnen hebben, en dan weer zou zijn vader juist alles over die vriend weten terwijl de zoon die arme vriend zo slecht behandeld heeft. Hij wordt door zijn vader veroordeeld tot de verdrinkingsdood, en brengt deze zelf tot uitvoering. Een huisarts in Der Landarzt moet tegelijk bij een patient zijn en zijn huismeisje redden en wordt daardoor door schuldgevoelens verscheurd. Alleen de zingende muis Josefine is niet succesvol wanneer ze probeert haar medemuizen schuldgevoelens aan te praten omdat ze haar ook nog laten werken. Die muizen zijn daarvan totaal niet onder de indruk; Josefine was dan ook Kafka's laatste verhaal.

Kafka's werk is altijd ten prooi geweest aan een eindeloze interpreteerwoede. Het werk leent zich daar ook toe omdat het zo mysterieus is, en tegelijkertijd komt het uit eenzelfde plaats en tijd als het werk van Freud. Al die interpretaties zijn waarschijnlijk onzin, ook de mijne. Op de cd staat ook de beroemde parabel over de poortwachter, die oorspronkelijk in De Process voorkwam, en waarover in dat boek wordt gekibbeld als het gaat om de juiste interpretatie. Natuurlijk bestaat die niet, en het verhaal gaat zelf over iemand die zijn levenlang vergeefs probeert een poortwachter zover te krijgen dat hij hem door de poort laat, om er bij zijn sterven achter te komen dat die poort alleen voor hem bedoeld was. De poort tot het werk van Kafka bestaat voor mij uit schuldgevoel, en dat zegt natuurlijk net zoveel over mij als over die schrijver. Maar nu ik deze week ook toevallig Goethe gelezen heb, durf ik wel te zeggen dat Kafka voor mij waarschijnlijk de interessantste van alle Duitstalige schrijvers was.

(Medeboekblogger Anna van Gelderen las toevallig deze week ook Die Verwandlung)

15.8.10

R.K. Narayan. The Mahabharata. A Shortened Modern Prose Version of the Indian Epic. London: Penguin Classics, 2001 (1978).

R.K. Narayan. The Mahabharata De Mahabharata is het verhaal van vijf broers die allemaal met dezelfde vrouw getrouwd zijn en ten strijde trekken tegen hun honderd neven. De broers en de neven hebben allemaal een goddelijke oorsprong, en hun strijd neemt dan ook epische proporties aan. Anders dan in de Ilias en de Odyssee is er alleen niet veel sprake van goddelijke interventie. De broers worden weliswaar gesteund door Krishna, maar verder moet iedereen het vooral zelf zien te rooien. Zoals Narayan uitlegt in zijn inleiding, komt de opmerkelijkste tussenkomst waarschijnlijk van de ziener Vyasa, die af en toe ineens opduikt (altijd op precies het juiste moment) om dan de toekomst te voorspellen. Die rol van Vyasa is vooral zo wonderlijk omdat dezelfde man geacht wordt de auteur van de Mahabharata te zijn.

In zijn oorspronkelijke vorm is de Mahabharata afschrikwekkend lang: ruim acht keer de omvang van Ilias en Odyssee samen. Daarvoor moet je waarschijnlijk ook veel moois krijgen: de hele Bhagavad Gita - een van de heilige geschriften van de hindoes - maakt bijvoorbeeld onderdeel van het werk uit. Maar ik zal niet de enige niet-Indische lezer zijn die tot nu toe door het vooruitzicht werd afgeschrikt. Wel heb ik ooit een verfilming gezien op tv die in mijn herinnering de hele dag duurde; en heb ik nu de verkorte prozaversie van de Indiase schrijver R.K. Narayan gelezen. Die versie is heel prettig, al is het maar omdat hij er op de jusite momenten geen geheim van maakt een samenvatting te zijn. De Bhagavad Gita wordt als volgt samengevat:

Krishna then began to preach in gentle tones, a profound philosophy of detached conduct. He analysed the categories and subtle qualities of the mind that give rise to different kinds of actions and responses. He defined the true nature of personality, its scope and stature in relation to society, the world, and God, and of existence and death. He expounded yoga of different types, and how one should realize the deathlessness of the soul encased in the perishable physical body. Again and again Krishna emphasized the importance of performing one's duty with detachmenbt in a spirit of dedication. Arjuna listened reverently, now and then interrupting to clear a doubt or to seek an elucidation. Krishna answered all his questions with the utmost grace, and finally granted him a vision of his real stature.

Deze 'gentle tones' klinken door de hele prozaversie. De Mahabharata is een fascinerend verhaal dat hier op een heel prettige manier verteld wordt. Het boek telt 180 pagina's; dat hadden er nog wel 100 meer mogen zijn!

Johan Wolfgang von Goethe. Faust. Der Tragödie erster Teil. Gutenberg.org: 2000 (1808).

Goethe. Faust Ik heb me vandaag grondig geërgerd aan Goethe en zijn Faust. Ik zat in Italië in de tuin, in de weldadige schaduw van een olijfboom, met de tekst op mijn e-reader én tegelijk voorgelezen op mijn iPod. En tegen het einde ergerde ik me dood. Het was dat Faust naar de hel gesleept werd door Mephistopheles, want anders had een van mijn apparaten het niet overleefd.

Ik vind dat Goethe pretentieus bazelt. Dat hij een boodschap brengt dat het ware leven zich buiten de studeerkamer bevindt, terwijl hij zelf niet de indruk wekt daar ooit uit vandaan gekomen lijkt te zijn. Dat hij gevoelens boven alles stelt, maar die gevoelens vervolgens larmoyant maakt. Het eindeloze gejammer van Gretchen aan het eind van het stuk - oh, wat is ze toch onschuldig, en oh, wat wordt ze toch gek van verdriet - vind ik een smakeloze imitatie van Orphelia in Hamlet. Het hele stuk is vooral namaak, een namaak-middeleeuwse sfeer, opgeroepen aan het begin van de negentiende eeuw.

Het ligt vast aan mij. Goethe is niet voor niets de grootste klassieke Duitse schrijver - hij heeft gedichten geschreven die ik heel mooi vind, maar zijn reputatie is toch ook gebaseerd op Faust. Ook zie ik heus wel dat het Duits adembenemend is, en dat de tekst heel veel beroemde zinswendingen heeft opgeleverd en dat dit niet voor niets is. Ik wil dus ook heus aannemen dat de bewonderaars van Goethe helemaal gelijk hebben. Maar ik kan in dat geval niet over mijn ongelijk heenstappen.

14.8.10

Njal's Saga. London: Penguin Classics, 2001 (13e eeuw).

Njal's Saga

Vertaling: Robert Cook

De dertiende eeuw was een moeilijke tijd voor IJsland. Het land raakte door onderlinge twisten bijna aan de afgrond, en werd uiteindelijk door Noorwegen overgenomen. Pas in 1944 zou het weer een onafhankelijk land worden. In die tijd kwamen de sagen tot stond, min of meer historische verhalen over de grote mannen uit het verleden, dat wil zeggen van rond het jaar 1000. De beroemdste daarvan is Njal's Saga, het verhaal over de 'baardloze' maar wijze en slimme Njal en diens krachtige en dappere vriend Gunnar.

Zolang ze leven behouden ze hun vriendschap. Hun beider vrouwen beramen allerlei slechts en zorgen er voor dat er mannen uit het andere kamp worden vermoord. Gunnar en Njal lossen dat steeds op in onderling vergelijk: jouw mannen hebben mijn oom vermoord, maar als je mij tweeduizend goudstukken geeft, praten we nergens meer over. Uiteindelijk vallen beider mannen ten prooi aan laffe vijanden die Gunnar onverwacht thuis overvallen, en Njal's huis in brand steken.

Net als veel Nederlanders, wist ik eigenlijk niets over de sagen voordat ik aan Njal begon. Ik dacht dat het verhalen waren over Wodan en Odin, maar die komen in Njal eigenlijk helemaal niet voor. Het verhaal gaat veel eerder over de kracht van alles onderling samen regelen. Als er problemen zijn, ga je naar de jaarlijkse volksvergadering (de Althing) en probeert daar voldoende medestanders te vinden om succesvol een proces te beginnen. Daarbij zijn intelligentie en inzicht belangrijker dan fysieke kracht. Hoewel ze uiteindelijk niet veel lijken te kunnen uitrichten - alle helden zijn dood aan het eind - worden ze wel duidelijk als beter beoordeeld dan krachtpatserij.

De sagen werden kennelijk geschreven in een periode van weemoed: ze gaan over de goede oude tijd, toen IJslanders nog zelf alles wisten te klaren. Toch was die goede oude tijd er niet speciaal een waarna je nu zou terugverlangen: zoveel doden en zoveel geweld, en zoveel treurnis om die doden en dat geweld. De godsdienst speelt bovendien nauwelijks een rol. De goden komen er niet in voor, en ergens halverwege wordt heel IJsland ineens tot het Christendom bekeerd, zonder dat er iets veranderd. Njal's Saga: ik wist er niets vanaf voor ik het begon te lezen - en het is nog steeds een raadsel.

Philip Roth. When She Was Good. Audible, 2009 (1967).

Philip Roth. When She Was Good When She Was Good is, geloof ik, een van Philip Roth's minst geliefde romans. Het is ook een van zijn minst kenmerkende, de enige met een vrouwelijke hoofdpersoon en de enige waarin geen enkele jood voorkomt. Bovendien maakt Roth het bijna onmogelijk om sympathie op te vatten voor Lucy, die haatdragend is, en scheldt en zich moreel ieders superieur waant en niet lijkt te zien dat de mensen om haar heen ook maar proberen met haar om te gaan.

Ik vond het prachtig. Toegegeven, ik vond het moeilijk om in het verhaal te komen, misschien omdat ik teveel verwachtte teleurgesteld te worden door Philip Roth die eens iets heel anders had willen doen en zich daaraan had vertild. Maar op een bepaald moment werd ik gegrepen door het verhaal van iemand die geconfronteerd wordt met echt onrecht dat haar is aangedaan - haar vader drinkt, haar vriendje maakt haar zwanger, haar vriending laat haar zomaar vallen - maar die daar zo extreem onverzoenlijk op reageert dat ze zichzelf een normaal leven onmogelijk maakt. Zij raakt daardoor in een eenzaamheid terecht die vooral aan het werk van Dostojewski doet denken: ze deelt haar gedachten met niemand want niemand is te vertrouwen en alleen al daardoor wordt ze op den duur een misdadiger.

Philip Roth heeft de naam een hekel te hebben aan vrouwen, en When She Was Good heeft daar misschien wel aan bijgedragen, maar dat is dan ten onrechte. Zeker, Lucy is een onredelijk monster, maar de mannen doen haar ook van alles aan, en bovendien voel je als lezer toch met haar mee. Wees alsjeblieft niet zo onredelijk, Lucy, je richt alleen jezelf ermee ten gronde. Ik las ergens op internet (het enige positieve dat ik kon vinden) dat je dit boek moet lezen als een soort feministisch pamflet. Dat lijkt me onzin. Lucy moest een vrouw zijn, omdat het boek gaat over verontwaardiging over domme en hypocriete mannen, maar verder zijn het buitenstaanderschap en de woede kenmerkend voor het beste van Philip Roth. Waarbij ook nog moet worden aangetekend dat ze soms ineens overvallen wordt door even redeloze liefde voor haar man (' when she was good') en dan bijvoorbeeld bij hem blijft alleen omdat ze wil dat hij zijn school afmaakt; vervolgens zwanger van hem raakt en dan voor altijd aan hem vastzit.

Een deel van de meeslependheid lag wat mij betreft trouwens in de vertelster van dit luisterboek, Tanya Eby. Ze is een prachtig acteur en zet alle mannen neer als vooral sukkels. Lucy's goedzakkige echtgenoot Roy - te pas en te onpas brengt hij te berde dat een goede daad 'doesn't cost us anything' - in de eerste plaats, die op een uiterst irritante, maar tegelijkertijd door en door goedige manier Lucy probeert te krijgen waar hij haar hebben wil.

Philip Roth blijkt zoveel verschillende dingen te kunnen. Het is dat hij verder ook zoveel prachtigs geschreven heeft, anders zou je bijna hopen dat hij zich vaker op het spoor had begeven van het beschrijven van mensen met wie hij werkelijk niets gemeen heeft: witte, angelsaksische, protestantse vrouwen uit de lagere middenklasse, die ineens kunnen ontsporen. In sommige boeken lijkt Roth volkomen door zichzelf geobsedeerd. Dit boek laat zien hoe groots zijn greep als schrijver is. Het is zeker dat Lucy iemand als Philip Roth zou haten. Maar het omgekeerde is helemaal zo duidelijk niet.

8.8.10

Michela Wrong. It's Our Turn To Eat. The Story of a Kenyan Whistleblower. London: Fourth Estate, 2010 (2009).

Michela Wrong. It's Our Turn To Eat Dit boek heeft alles. Het is prachtig, adembenemend prachtig geschreven. Het is spannend. Het vertelt een verhaal dat te weinig vertelt wordt - het verhaal van de ziekte van de corruptie in Afrika. Het licht de lezer in over de politieke geschiedenis van Kenia van vooral de afgelopen tien jaar. En het steekt een hart onder de riem, omdat er helden zijn, die weliswaar geen heiligen zijn, en allerlei menselijke problemen hebben, maar die op het juiste moment opstaan en er wat tegen doen.

John Githongo was een journalist en een activist tegen corruptie toen hij door de nieuwbakken president Kabaki in 2002 werd aangesteld als een soort hoge ambtenaar die de corruptie moest observeren en hierover rechtstreeks verslag uitbrengen aan de president. Gaandeweg kwam hij erachter dat zijn functie niet meer was dan een schaamlapje: met de schandalen die hij oprakelde werd nooit iets gedaan. Hij was een Kikuyu, net als Kibaki, en leden van dezelfde volksstam werden niet geacht elkaar aan te pakken. De vorige president had een andere stammenachtergrond gehad, en die stam had ook goed voor zichzelf gezorgd. "Now it's our turn to eat", zegt men dan kennelijk in Kenia. Uiteindelijk nam Githongo ontslag en dook min of meer onder in Londen, in eerste instantie bij de schrijfster van dit boek, die een vriendin was, maar een voldoende vage vriendin om niet meteen alle sporen naar haar appartement te laten leiden.

Ik heb de afgelopen vijf jaar een Keniaanse studente begeleid. It's Our Turn To Eat heeft me beter laten beseffen wat zij precies moet hebben meegemaakt, terwijl ze hier nieuwswebsites zat te lezen. De desintegratie van haar land volgens stammenlijnen die tien jaar geleden nog langzaam maar zeker leken te vervagen, maar die bloedig duidelijk werden na de laatste verkiezingen in december 2007. Sommige van haar verhalen kon ik dit boek ineens beter plaatsen.

Maar ik zou It's Our Turn To Eat ook zeker aanraden aan mensen die niet toevallig een Keniaan kennen. Het heeft aan iedereen iets te vertellen, of in ieder geval aan iedereen wiens wereld wat groter is dan eigen huis en haard. Wrong schrijft niet alleen mooi en duidelijk, maar ze is ook prettig nuchter. De boodschap voor de westerse lezer, zegt ze, is niet dat er geen hulp meer naar Afrika moet, omdat het toch een corrupte bende is; en ook niet dat wij moeten denken dat we de zaak daar wel even anders kunnen organiseren. We moeten alleen onze gelden verstandig besteden en vooral steun geven aan weinig sexy onderdelen van het apparaat zoals politie en justitie, zodat die een tegenwicht kunnen bieden tegen de door en door corrupte politici. Kenianen zijn mensen, dat is het belangrijkste dat Wrong laat zien - mensen met allerlei feilen, maar die uiteindelijk ook in een beschaafde samenleving willen leven, net als iedereen.