27.4.12

Alban McCoy. An intelligent person's guide to catholicism. London: Continuum, 2011 (2001).

Waarom zou een mens in deze wereld katholiek willen zijn? Ik hoor zelf niet tot de heilige moederkerk, maar heb wel ooit op een katholieke school gezeten, ben op een katholieke universiteit gepromoveerd en twee weken geleden in een katholieke kerk getrouwd. Of ik gerekend moet worden tot de intelligent people op wie Alban McCoy, kapelaan van de universiteit van Cambridge zich richt, valt nog te bezien, maar in ieder geval vond ik dit een prettig gidsje. In drie hoofdstukken legt hij uit wat het katholieke geloof in grote lijnen inhoudt: veelgestelde vragen, de tien geboden en de zeven hoofdzonden.

De kern van het katholicisme wordt volgens McCoy gevormd door drie soorten relaties van de mens: tot God, tot het eigen lichaam en tot andere mensen. De nadruk ligt in deze gids op het laatste. Hij wijst er bijvoorbeeld op dat behalve de eerste drie alle tien geboden gaan over relaties tot de medemens, om te beginnen met de oudste en onerbrekelijkste relatie: die met je vader en je moeder. Maar algemener gaat het christendom voor een belangrijk deel over: je naaste liefhebben als jezelf.

Maar het gaat ook over het lichaam, legt McCoy uit in een bespreking van de kerkelijke opvatting over seksualiteit. Hij wijst er ook op dat het katholicisme een van de weinige geloven is die in de eucharistie expliciet het lichamelijke viert, die de ziel niet alleen maar probeert los te snijden van het lichaam.

Over God wordt alles bij elkaar misschien nog het minst gezegd. McCoy geeft toe dat het misschien niet mogelijk is om iemand te bekeren: geloof is een gave van God, die zich niet laat afdwingen. Zo denk ik er ook over. Het katholicisme lijkt me een volkomen redelijk en coherent wereldbeeld. Ik deel het alleen niet en wil desgewenst ook best toegeven dat dit ligt aan een gebrek aan gave. (Ik verlang alleen ook niet naar die gave. Ik heb er wel respect voor, en minachting voor mensen die het christendom zomaar wegzetten als een misdadige en/of belachelijke vertoning. Maar ik heb heen behoefte me te bekeren.)

Op de grote vragen heeft McCoy — natuurlijk — geen antwoord. Wat is nu precies geloven? En wat is er nu wel of niet waar in andere wereldgodsdiensten? En vooral: hoe zit het met telt kwaad in de wereld? Aan dat laatste onderwerp wijdt hij een heel betoog, maar dat stelt nogal teleur. Zo zegt hij dat veel kwaad in een ander licht bezien juist goed is - wat slecht is voor het verscheurde reetje is goed voor de hongerige leeuw - maar er is natuurlijk ook wel veel slechtheid zonder enig nut (de storm die een jongetje in de zee smijt).

Gelovig wordt een mens er niet van, maar misschien vallen sommige ongelovigen wel van hun geloof. Het atheïsme lijkt soms steeds monotheïstischer te worden, te veronderstellen dat we wel zo ongeveer weten hoe de wereld in elkaar zit. Volgens mij weten we er bijna niets meer. We kunnen alleen maar profiteren van een veelheid van zinnige standpunten.

Paola Mastrocola. Facebook in the rain. Parma: Guanda, 2012.

Evandra heeft altijd veel van haar man gehouden en als hij onverwacht overlijdt, weet ze in eerste instantie niet veel meer te doen dan iedere dag naar zijn graf te trekken. Ze kletst daar tegen haar man, maar vindt er ook wat vriendinnen: andere weduwen. Het enige probleem is dat ze niet weet wat ze moet doen als het regent. Haar beste vriendin raadt haar aan op Facebook te gaan. Dat is niet makkelijk: Evandra moet daarvoor eerst leren hoe een computer werkt. Uiteindelijk lukt het haar dan toch, en ze raakt uiteindelijk zelfs verslaafd. Zo verslaafd dat ze er uiteindelijk zelfs onder begint te lijden dat het soms niet regent. Zodat ze van haar geweten naar de begraafplaats moet en dus niet op Facebook kan. Daarom besluit een (irl) bewonderaar om een rekenmachine te bouwen die ervoor zorgt dat het rondom haar huis altijd regent.

Ik heb Facebook in the rain gelezen in het lader van een nieuw leesproject dat ik op me genomen heb: in de komende vijf jaar wil ik in totaal 100 Italiaanse boeken gelezen hebben, en liefst zo divers mogelijk - van literatuur tot amusement, van historisch tot contemporain, van goed tot slecht. Dit boek hoort inhoudelijk voor mj wel tot de laatste categorie. Wat een zeldzaam moralistisch sprookje (Facebook is echt slecht, dames en heren, je kunt er verslaafd aan raken en echte contacten zijn verreweg te prefereren.) Hoe populair het in Italië wordt, deze pervertering van Italo Calvino, weet ik niet. Ik hoop niet zo erg, al heb ik dit wel in een kiosk op het vliegveld gekocht.

22.4.12

A. F. Th. van der Heijden. Vallende ouders. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011 (1983).

Hoe lang is het geleden dat ik Vallende ouders las? Ik was denk ik nog nét iets te jong toen het boek verscheen, maar het moet een aantal jaar later zijn geweest, nog steeds wel in de jaren tachtig, waarschijnlijk toen ik zelf net (Nederlands) studeerde (in Leiden). Nu ik het teruglees, valt me op hoe recent veel van de gebeurtenissen waren die Van der Heijden beschreef: als ik het goed zie, spelen sommige van de gebeurtenissen zich af in 1979. Voor mij als jonge lezer was dat een eeuwigheid geleden en waren Van der Heijden en zijn protagonist Albert Egberts oude mannen.

Boeken teruglezen uit die tijd is onder andere: zien hoe je als lezer zelf veranderd bent. Aan de ene kant lees ik denk ik echt beter. Ik verbeeld me dat ik beter het overzicht bewaar bij al het heen en weer springen tussen verschillende perioden. Ik ben ook kritischer, bijvoorbeeld op de uiteengezette 'filosofie' van het 'leven in de breedte'. Je kunt je leven misschien niet langer maken, denkt Egberts, maar wel breder, namelijk door op ieder moment zoveel mogelijk om je heen op te merken en tegelijkertijd alles ook zoveel mogelijk te verbinden met herinneringen. Hoe meer je dat alles indikt, hoe breder je leven wordt; als je je bewust kunt zijn, van het hele universum, dan ben je eigenlijk onsterfelijk. Vijfentwintig jaar geleden accepteerde ik dat als een belangrijke gedachte. Nu denk ik, zo ongeveer: tja.

Toch zie ik ook wel dezelfde dingen. Verloren ouders is een boek over zingeving door taal, over een wanhopige zoektocht om met taal de chaos te lijf te gaan. Heel veel personages hebben een bijzondere band met taal: van Alberts moeder die het standaard-Nederlands gebruikt als een gratis manier om zich uit haar nederige positie te verheffen tot en met vriend Flix die afstudeert met een in beton gegoten scriptie. En zoals in al Van der Heijdens boeken spreekt iedereen ook op een poëtische manier.

Omdat het zo over zingeving gaat is het opvallend dat godsdienst eigenlijk geen rol speelt in Vallende ouders. De politie komt wel langs in Geldrop, maar de pastoor niet. Er is één scene in het boek waarin Thjum en Albert de schoenen van de heilige Canisius vervangen door pantoffels van de Hema. Maar het wordt heel duidelijk dat Thjum degene is die dit in scène heeft gezet; en Thjum is joods, dus die zal er geen religieuze gevoelens bij hebben gehad. Albert doet het in ieder geval niet veel.

In het postkatholieke Brabant van Albert Egberts moet de zin komen van de eigen verhalen en van de geografie. Want dat lijkt me de tweede hoofdrolspeler: het zijn niet alleen de ouders die in een aantal scènes letterlijk vallen, ook de studenten Thjum en Albert bewegen zich in Nijmegen omhoog en omlaag (hun studentenhuis torent uit boven het centrum van de stad en daarboven is weer het huis van Thjums vader). Aan de andere kant wordt over de Dommel juist weer omstandig uitgelegd dat hij zo weinig verval kent dat hij nauwelijks stroomt; Albert doet dat uitleggen, terwijl hij met een verhuizer in een driehoek tussen Den Bosch, Nijmegen en Geldrop rijdt.

Uit die driehoek kwam ik ook net, in de tijd dat ik Vallende ouders las. Het voelde voor mij nabij en Van der Heijdens zingeving gaf ook coor mij toen meer zin. Ik geloof dat ik het boek nu afstandelijker lees, maar tegelijk viel het niet tegen. Hoe goed het boek geschreven is, wat een krachtige mep taal, dat zie en bewonder ik nu dan weer meer.

20.4.12

Andrew Wilson. Hitler. Een korte biografie. Utrecht: Het Spectrum, 2012.

Wie was Hitler? Volgens Andrew Wilson moet we onderscheid maken tussen de jonge Hitler en de oudere Hitler. De eerste twintig, dertig jaar van zijn leven was Adolf Hitler vooral een niksnut, die nooit echt werkte, nergens echt talent voor had en nooit iets zou bereiken. In de tweede helft van zijn leven veranderde hij in een maniak, een man die bij het minste of geringste als een waanzinnige begon te brullen.

In dit boek zet de Engelse schrijver Wilson nu eens op een rijtje wat we weten over de vreselijke ramp die de mensheid overkomen is. Zijn visie is gezond en genadeloos: je moet zelf wel helemaal gestoord zijn om deze idioot ooit als je held te kiezen.

Toch blijven er, bij zo'n betrekkelijk kort boekje, toch altijd vragen. Waar kwam nu precies dat rabiate antisemitisme vandaan? Er lijken in de biografie van Hitler weinig aanleidingen zijn geweest voor jodenhaat en in zijn jeugd zijn er ook weinig zaken die er op wijzen. Maar in Mein Kampf kondigt hij ineens aan wat voor verschrikkelijke dingen hij van plan was. Wilson wijst er bovendien verschillende keren op hoe onlogisch dat antisemitisme was — de joden werd verweten dat ze kapitalisten waren én dat ze als communisten het kapitalisme ten val probeerden te brengen. Maar hoe paste dat dan allemaal in een hoofd dat vervolgens zo gedetailleerd ging werken aan een Endlösung?

Je kunt het Wilson ook niet verwijten dat hij het antwoord niet weet. Niemand weet het, we staan voor een groot en duister raadsel.

Leonard Ornstein. De jonge Fortuyn. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012.

Wie Nederland aan het begin van de 21ste eeuw wil begrijpen, moet natuurlijk Pim Fortuyn begrijpen. Er zijn dan ook de afgelopen tien jaar verschillende boeken over de man geschreven, maar nu is de journalist Leonard Ornstein kennelijk begonnen is aan een biografie. Onlangs verscheen het eerste deel, over de jonge jaren van Fortuyn, tot zijn 24ste.

Volgens mij slaat Ornstein de plank mis. Uit dit eerste deel blijkt vooral hoe oninteressant Fortuyn als individu eigenlijk was. Een slimme jongen, maar weinig bijzonder: opgegroeid in een katholiek gezin, en dan in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig ineens heel links en betrokken bij de studentenvereniging. Niet iemand met heel aparte eigen ideeën en iemand die bovendien zelf later ook al heeft teruggekeken op die jeugd, in het (belabberd geschreven)Babyboomers. Ornstein corrigeert weliswaar wat foutjes die Fortuyn, meestal in eigen voordeel, maakte, maar wat heb je daar precies aan? Ok, hij wilde dus wel lid van de CPN worden, maar werd geweigerd omdat men hem niet vertrouwde. So what?

Fortuyn was als man niet speciaal interessant, hij werd interessant omdat hij de laatste maanden van zijn leven ineens de juiste man op de juiste plaats werd, en van alles losmaakte; inclusief moordlust, helaas.

Wat ook dit eerste deel interessant had kunnen maken, was daarom geweest: veel meer Fortuyn als exeplarisch voor het Nederland van zijn tijd behandelen. Niet zozeer ieder detail van de man uitpluizen, maar meer vertellen over wat er verder in zijn tijd allemaal gebeurde. Het was de relatie tussen Fortuyn en Nederland die uiteindelijk zo explosief was.

11.4.12

Gerard Reve. De vierde man. Amsterdam: De Bezige Bij, 2009 (1981)

Nederlanders! Als we niet uitkijken, verdwijnt een van onze grootste twintigste-eeuwse schrijvers heel snel uit ons blikveld. Ik heb het allemaal niet uitgezocht, maar ik geloof dat hij nu al van de voormalige grote drie degene is die zijn populariteit het snelst verliest; wiens werk het moeilijkst te verkrijgen is (misschien juist omdat het jarenlang zo geëxploiteerd is, ik weet niet hoeveel versies van zijn verzameld werk er wel niet zijn); en die gaandeweg minder gelezen wordt dan Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch.

Ik denk dat het tijd wordt om een nieuwe Reve te ontdekken, andere dimensies van deze toch wel heel grote schrijver.

De vierde man is om de een of andere reden een van de weinige boeken die er van Reve te krijgen is in de elektronische boekwinkel van Apple. Ik heb het dus op de iPad gelezen en het lijkt me meteen ook heel geschikt voor zo'n nieuw Reve-beeld.

Reve schreef het boek in 1981 als boekenweekgeschenk, al is het als zodanig nooit verschenen vanwege de 'te controversiële inhoud' — teveel seks, zal dat wel betekend hebben. Toch kun je wel zien dat Reve zijn best heeft gedaan een wat breder publiek te bereiken. Zijn stijl is wat minder barok dan anders, en de seks is toch ook wat minder ruw en verwarrend dan in sommige andere boeken.

Maar wat me deze keer vooral opviel: dat er een hele thematiek wordt aangesneden, ja zelfs centraal staat, waar je in de Reve-studie (als deze al bestaat) zelden iemand over hoort. Het hele boek draait om verhalen vertellen. Alle personen vertellen elkaar voortdurend verhalen, of bedenken verhalen over elkaar, of komen erachter dat de ander een verhaal heeft. In het betrekkelijk korte bestek van deze novelle of roman worden er enorm veel verhalen verteld, en aan het eind blijkt het allemaal ook nog eens een raamvertelling te zijn — iets wat op de Wikipedia-pagina over het boek zelfs volkomen genegeerd wordt, terwijl het volgens mij cruciaal is. Gerard vertelt het verhaal aan een jongen (over wie hij meteen ook weer allerlei verhalen vertelt) en blijkt daarbij vooral geobsedeerd door de vraag of dit wel een echt verhaal kan heten. Ja hoor, zegt die jongen, er zitten immers allerlei vooruitwijzingen in.

Zo bekeken heeft Reves hele leven en werk in het teken gestaan van een zoektocht naar het juiste verhaal, een verhaal dat alles rond zou maken, waar alles in zou passen. Misschien wisten allerlei echte Revianen dat allang, maar ik geloof dat ik dat nu ineens voor mijzelf ontdekt heb.

10.4.12

Ludwig Wittgenstein. Tractatus Logico-Philosophicus. Amherst: Klement, z.j. (1922)

1. Ik heb Wittgensteins Tractatus al twintig jaar in de kast staan, in een uitgave van Athenaeum-Polak&Van Gennep; een parallelle uitgave van het Duitse origineel en de vertaling van Willem Frederik Hermans. Ik kende zoals iedere beschaafde burger natuurlijk een aantal citaten ('Die Welt ist alles was der Fall ist', 'De grenzen van de taal zijn de grenzen van mijn wereld') en ik wist dat de manier waarop politici die laatste gebruiken volkomen misplaatst is (zij denken dat je het kunt gebruiken om het leren van vreemde talen aan te prijzen omdat dit je blik verruimt, terwijl Wittgenstein het bedoelde om uit te drukken dat er voor mij niets kan bestaan wat ik niet - in taal - kan denken, maar dat dit eerder gaat om een soort logische gedachtetaal dan om Oostenrijks Duits of Frans).

2. Maar ik heb me pas nu niet laten afschrikken om het eens helemaal te lezen nu ik de tekst op mijn telefoon kon downloaden. De Tractatus is ideaal om te lezen op de telefoon omdat hij uit korte stukjes bestaat, stellingen met een hiërarchische structuur. Er zijn zeven hoofdstellingen, genummerd 1 tot en met 7, en daaronder zitten dan substellingen zoals 1.2 en 1.24.

3. Eerlijk gezegd lijkt me die structuur voor een deel bluf. De laatste substellingen bij 6 leiden eerder naar stelling 7 toe dan dat ze 6 nader toelichten of uitwerken. Er is wel meer bluf, lijkt mij. Zo wordt ijzeren logica gesuggereerd en worden er allerlei formele definities gegeven waar vervolgens eigenlijk niets mee wordt gedaan wat je zou verwachten van een logische tekst. Er wordt bijvoorbeeld voor zover ik kan zien nooit iets bewezen.

4. Nu kan er ook eigenlijk niets bewezen worden, want de tekst hoort tot meer tot de metalogica: hij gaat over omder meer de ongrijpbare relatie tussen denken en werkelijkheid. Wat zeggen we precies als een gedachte (een 'zin') waar is? Hij correspondeert dan op de een of andere manier met een stand van zaken in de werkelijkheid (de 'wereld').

5. Ik heb het weleens ergens gelezen over de Tractatus, al weet ik niet waar: het probeert iets te doen waarvan het zelf zegt dat het onmogelijk is, iets te zeggen over het onzegbare. Gehuld in het vest van de logicus schetst hij de chaos van de wereld. Door net te doen of hij alles onder controle heeft, laat hij zijn hoe weinig hij ervan begrijpt. Net zo weinig als Socrates en daardoor nog altijd meer dan ik.

Rien van den Berg. Aslander. Barneveld: Plateau, 2012.

Dat de christelijke boekwinkel zijn eigen boekenweekgeschenk heeft, dat wist ik eerlijk gezegd niet. Ik kom, waarschijnlijk tot mijn nadeel, zelden in christelijke boekwinkels en in een boekenweek is dat kennelijk nog nooit gebeurd.

Maar gelukkig heb ik het geschenk dit jaar niet hoeven missen, omdat ik de auteur ken, Rien van den Berg, journalist en dichter en iemand met wie ik een boek over dialecten schrijf. En nu dus ook schrijver van een detectiveverhaal dat 23.000 keer over de toonbank gegaan is.

Het is altijd moeilijk om iets te schrijven over een boek van iemand die ik ken. Soms sla ik dat dan ook weleens over, zo'n beetje de enige boeken die ik hier niet bespreek zijn van kennissen. Behalve dat ik weinig christelijke boeken lees, lees ik eigenlijk ook nooit detectives. Maar gelukkig heeft Rien een onderhoudend verhaal geschreven dat hij ook nog op een overtuigende manier met zijn boodschap - zie de mens, de héle mens, zoals Jezus dat deed - heeft verknoopt.

Er is een grap, ik geloof in De ontdekking van de hemel, dat het evangelie eigenlijk een geniaal detectiveverhaal is - een waarin de lezer het gedaan heeft. Op een bepaalde manier zit dat ook in deze detective, in Aslander. Misschien moet een christelijke detective wel altijd zo zijn: je kunt een ander onmogelijk veroordelen zonder jezelf te veroordelen. 'Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen', dat is ook Jezus' boodschap in een notendop (maar wat weet ik ervan).

De jonge progressieve Leidse dominee Lammert Aslander moet er vanwege een lichte overspannenheid even tussenuit. Hij gaat naar Ameland, raakt er verzeild in een moordzaak die hij samen met wat andere toeristen oplost.

De 'boodschap' van Aslander is dat je ieder mens als mens moet kijken. Aslander bedenkt dat hij dominee wil zijn omdat hij dan degene die tegenover hem zit niet hoeft te reduceren tot alleen een verdachte of klant, enz.; en de uiteindelijke dader wordt tot zijn daden gedreven omdat hij nu juist wél gereduceerd werd tot een klantnummer in hun computer. (Het aardige is dat dit verbamd niet expliciet worden gemaakt.) Het 'team Aslander 'komt er vervolgens uit door dit soort klantgegevens te combineren met een aantal andere manieren om naar de mens te kijken. Waar ik nog over moet nadenken: dat je degene die uiteindelijk de dader is alleen van horen zeggen leert kennen. Hij wordt alleen indirect beschreven en geen enkel ander personage kent hem. Ook Aslander niet, ook de lezer niet. Het is alsof iemand die je leert kennen eigenlijk daardoor al geen dader meer kan zijn. Dat lijkt me dan het probleem van de christelijke detective.

9.4.12

Jan Timman. Schakers. Portretten. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012

  Vroeger waren schakers mythische personen, in ieder geval voor mij, de laatste prototypische genieën: mannen die enorm diep en ver konden denken en elkaar op die denkkracht alleen bestreden, waarna ze zich overgaven aan drank en tabak en vrouwen. Op een bepaald moment kwam daar ook nog de mythe van de gezusters Polgar bij, vooral de jongste, Judit, die door haar vader zo was opgevoed dat ze ook heel sterk was in het schaken.

Misschien was Judit Polgar wel het begin van het einde van de mythe. Haar vader had immers willen laten zien dat iedereen met de juiste opvoeding grote hoogte kon bereiken: maar zo hoor je geen genieën te kweken. Bovendien was zij de voorbode, in ieder geval voor mij, als outsider, van een nieuwere, sportievere kant op het schaken, dat studeren betekende.

En nu komt Jan Timman, schaakbord van mijn jeugd, de man die wereldkampioen zou worden en toen hij dat niet werd in ieder geval 'the best of the west' was, een man met lang haar, in Amsterdam, die nu een boek schrijft met portretten, waarin hij de mythe helemaal in stukken slaat.

Want de tien grootmeesters die Timman in dit boek portretteert zijn toch vooral gewone mensen. Zelfs Bobby Fischer, de grootste mythologische figuur uit de geschiedenis van het schaken, blijkt vooral een briljante schaker die later aan allerlei wanen lijdt, en antisemitisch wordt. Timman heeft ze allemaal gekend en beschrijft ze vooral in de alledaagse omgang van schakers onder elkaar.

Wonderlijk is dat Timman in zijn portretten regelmatig melding maakt van dromen die hij ooit over de desbetreffende persoon heeft gehad. Hij meent kennelijk dat zo'n droom ook echt iets over de persoon zegt. Dat is in ieder geval tekenend: deze portretten zijn vooral memoires van Timman zelf. Aan de hand van zijn oudere en jongere collega's vertelt hij uiteindelijk vooral iets over zijn eigen leven: niet dat van een genie, wel van een interessante tijdgenoot.

8.4.12

Amy Waldman. The submission. London: Heinemann, 2011.

Het moet bijna wel ironie zijn die Bas Heijne ertoe heeft gedreven om uitgerekend De inzending tot inzet te maken van een eerste boekenclubdiscussie op Twitter. Dat boek gaat onder andere over de complexiteit van het publieke debat, over hoe ieder individu al moeite heeft om zelf een consistente mening over ingewikkelde vraagstukken te vormen, en hoe het mis kan gaan als al die halve meningen dan botsen in het publieke domein. Een lezer zal zelf weer complex reageren op zo'n complex debat - hoe moet hij daar dan over twitteren?

De inzending (of eigenlijk las ik het Engelse origineel, The submission, een veel dubbelzinniger titel) gaat uit van de veronderstelling dat er in New York onmiddellijk na 11 september een wedstrijd zou zijn gehouden voor een gedenkplaats. Dat kunstenaars anoniem mochten deelnemen. En dat de wedstrijd gewonnen zou zijn door een moslim, met een ontwerp voor een tuin. Is het een belediging voor de nabestaanden dat uitgerekend een moslim wint of hoort iemands achtergrond er niet toe te doen? Is zo'n tuin niet zelf een symbool voor het paradijs voor de martelaars waar Mohammes Atta van droomde? Hebben de illegale moslimslachtoffers van de aanval ook recht op erkenning?

The submission laat al die meningen op elkaar botsen en geeft aan bijna alle opvattingen gelijke stemmen, al vond ik wel dat de anti-moslimstem gedragen moet worden door drie losers (een journaliste voor de Post die hoger op wil, een blogster die uit de ellende van iedere dag soaps kijken opkruipt door alles te weten over duimindex en taqiya, een man die zijn veel geliefdere broer verloor in de Twin Towers en zich nu overschreeuwt; alle drie white trash).

Ik las The submission vooral als een boek over de publieke ruimte, waarin het zelden zo stil is als in een omheinde tuin. De meeste scènes in het boek vinden plaats binnenskamers: in vergaderkamers, cafés, en in huizen. Daarbij wonen veel hoofdpersonen ook nog eens niet in hun eigen huis, maar logeren bij anderen, of, in één geval, in een huis dat eigenlijk meer behoorde aan de overleden echtgenoot. De enkele keer dat men zich naar buiten begeeft, is dat vooral om naar huizen te kijken.

Niemand is eigenlijk ooit echt alleen, in deze roman. Er zijn steeds anderen en er is nooit echt vrede. Het lijkt Twitter wel.

5.4.12

Atte Jongstra. Kristalman. Multatuli-oefeningen. Utrecht: De Arbeiderspers, 2012.

Ik heb weleens ergens gelezen dat een klassieke roman juist daardoor klassiek heet omdat hij steeds weer op een andere manier gelezen kan worden. Het fijne van een literaire traditie is dan dat je als lezer dat genoegen kan smaken: hetzelfde werk soms ineens op een heel andere manier zien.

Wat dat betreft hebben we in Nederland maar een beperkte literaire traditie. Voor wat de negentiende-bestaat die eigenlijk maar uit één man: Multatuli.De letterkundeprofessor Söteman zag een gecompliceerde, ingenieuze structuur als hij naar het oeuvre keek; de columnist Hugo Brandt Corstius zag in Multatuli de 'eerste columnist'. En nu komt de grillige schrijver Atte Jongstra laten zien dat Multatuli juist een grillige schrijver is, een 'kristalman' die de veelvormigheid van de werkelijkheid weerspiegelt in een af en toe volkomen ondoordringbaar oeuvre.

Het mooie is: ik geloof ze alle drie en niet alleen omdat Söteman het vooral over Max Havelaar heeft, Brandt Corstius over de Ideen en Jongstra over de Millioenen-Studiën. Wat ze zeggen is tegenstrijdig en toch alledrie waar over het hele werk.

Dat Jongstra je zomaar een heel nieuwe manier aanreikt om Multatuli te lezen, is niet de enige reden waarom Kristalman zo'n mooi boek is. Het is ook de onbekommerde grilligheid van Jongstra's eigen boek, het enthousiasme waarin hij zich in allerlei onderwerpen stort, die soms (biljarten) maar heel weinig met Multatuli te maken hebben, de manier waarop hij laat zien hoe zo'n onsystematische kijk op de werkelijkheid soms oneindig veel nauwkeuriger is dan een systematische. Hij onderneemt soms zelfs halfhartige pogingen tot systematiek — dan oppert hij ineens om alle kleurennamen in het oeuvre te gaan tellen, omdat hij het idee heeft dat Multatuli zo weinig zinnelijk is in zijn beschrijvingen &mdash:, maar zo'n idee geeft hij dan net zo gemakkelijk ineens weer op.

Het boek is daarmee ook een aanstekelijk boek: mens, durf je toevallige interesses na te jagen. Ga gewoon boren waar je interesses liggen en schroom niet om tijdens het boren ineens ook een zijstap te nemen.

Aan het eind van het boek zegt Jongstra dat het een van zijn bedoelingen is om mensen weer Multatuli te laten lezen. Daar slaagt hij vast in met Kristalman. Maar bij mij is er nog iets anders gelukt: ik wil ook meer Jongstra lezen.