29.8.11

William Shakespeare. The Tempest. London: BBC, 1980 (1610-1611)

William Shakespeare. The Tempest Wat is tijdloosheid van een kunstwerk? The Tempest is vierhonderd jaar geleden. Je kunt toch niet in gemoede volhouden dat het "ook gisteren" geschreven had kunnen zijn, en ik geloof ook niet dat een schrijver die zoiets nu zou produceren, succes zou hebben. (In ieder geval zouden dan van allerlei stijlmiddelen die hij gebruikt, uitgebreide analyses gemaakt worden. En bij het grote publiek zou hij zeker geen succes hebben.) Aan die definities van tijdloosheid voldoet Shakespeare dus in ieder geval niet. Maar aan de andere kant kan het stuk je nog steeds een prettige middag geven. Datzelfde geldt trouwens voor de uitvoering die ik heb gezien: hij stamt uit 1980 en dat kun je ook wel zien (de 'magische effecten' van de geest Ariel die uit het niets verdwijnt en verschijnt zijn een beetje potsierlijk, de haardracht van sommige figuren is niet helemaal geloofwaardig), maar dat stoort uiteindelijk niet. Ik geloof trouwens dat iedere voorstelling van The Tempest waarbij de acteurs de verzen enigszins acceptabel over het voetlicht weten te brengen al snel onvergetelijk is.

Ik bekeek hem gisteren weer een keer (ik heb hem een keer in het theater en een keer in de bioscoop gezien, ik heb hem minstens een keer gelezen en ik heb een audioversie die ik een aantal keer beluisterd heb), onder andere omdat er een grote 'tempest' woedde in het noord-oosten van Amerika (waarover wij in Nederland natuurlijk uitvoerig werden geïnformeerd, ook al gebeurden er nauwelijks rampen, zoals we nu eenmaal over alles in Amerika uitvoerig geïnformeerd worden. Maar dit terzijde.)

Ik geniet bij Shakespeare vooral van de verzen. Dat geldt vooral bij een stuk dat ik goed ken, zoals The Tempest, met ook nog eens allerlei zinnetjes die iedere geletterde uit zijn hoofd kent ("You taught me language; and my profit on't / Is, I know how to curse. ").

Elders op het internet lees ik dat The Tempest vooral wordt gezien als een stuk over het theater (en misschien zelfs als Shakespeares afscheid van zijn theaterkunsten) of, als goede tweede, als een stuk over het kolonialisme — wat te doen met de 'onbeschaafden' die men in Shakespeares tijd ineens tegenkwam in de nieuwe wereld. Dat is allemaal interessant genoeg, maar ik zie zo'n stuk toch vooral als een stuk over taal. Niet alleen omdat Prospero al zijn magische krachten uitoefent door taal en door wat hij zegt, maar ook doordat er anderszins zelden zoveel over taal gesproken wordt als door de personages in dit stuk. De 'wilde' Caliban krijgt, zoals uit het citaat hierboven al blijkt, als eerste geschenk van zijn nieuwe meester, de taal. De geliefden Miranda en Fernando houden betogen over hoe ontoereikend de taal is om hun gevoelens uit te drukken. Stephano raakt bijzonder in de war als het (eigenlijk uit Trinculo en Caliban bestaande) monster blijkt te kunnen praten. Taal is de hoogste uitingsvorm van beschaving, taal is magisch en kan van alles bewerkstelligen, en is uiteindelijk toch ontoereikend.

28.8.11

Giuseppina Tripodi. La lezione di Rita Levi-Montalcini. Rizzoli, 2011.

Giuseppina Tripodi. La lezione di Rita Levi-Montalcini Rita Levi-Montalcini is een legende: ze won in 1986 de Nobelprijs voor de geneeskunde, ze is nog steeds actief als (levenslang) senator in Italië, en laat haar 102-jarige stem daar ook nog geregeld luid en duidelijk horen in het publieke debat. Ze zet zich in voor de goede zaak, en een paar jaar geleden heeft ze een stichting opgezet om vrouwen in de Derde Wereld (met name in Afrika) te helpen zichzelf te ontwikkelen. Ze is, kortom, een voorbeeld van hoe een intellectueel zou moeten zijn: intelligent en betrokken op de wereld.

Sinds veertig jaar heeft Levi-Montalcini een persoonlijk assistente, Giuseppina Tripodi. Deze heeft nu een boek over haar baas geschreven, en het is met gemak het bizarste boek dat ik de afgelopen tijd gelezen heb.

Dat komt doordat Tripodi zo'n eigenaardige relatie met haar baas heeft, zo'n grenzeloze bewondering, en doordat er kennelijk bij de toch vooraanstaande uitgeverij Rizzoli zo'n behoefte was aan een boek dat men bereid was het 'essay' dat Tripodi over Levi-Montalcini schreef in heel grote letters met bladzijden over heel veel bladzijden uit te smeren.

Tripodi heeft de neiging om haar baas op bijna iedere bladzijde een keer voluit te noemen. Omdat de letters zo groot zijn, betekent dit dat een groot deel van iedere bladzijde weer door de naam 'Rita Levi-Montalcini' in beslag wordt genomen. Bovendien gaat het boek eigenlijk helemaal niet over het boeiende leven en het interessante werk van deze geleerde, het gaat over slechts een les, namelijk dat de ontwikkeling van het individu belangrijk is voor de ontwikkeling van de wereld.

Na een paar bladzijden wordt je er ronduit melig van: "Rita Levi-Montalcini vindt het belangrijk dat we aandacht besteden aan de ontwikkeling van het individu. (...) Economische ontwikkeling is altijd belangrijk geweest voor Rita Levi-Montalcini. (...) Rita Levi-Montalcini heeft er haar hele leven op gewezen dat de ontwikkeling van vrouwen heel belangrijk is." En zo verder, 148 pagina's lang, in grote letters.

Het is jammer, ik had graag wat meer willen lezen van of over die vrouw. Ik dacht dat dit boek bestond uit een soort interview met haar, door haar secretaresse. Maar die secretaresse gaat nu permanent in beeld staan; ook trouwens met het feit dat ze enkele jaren geleden gedichten gepubliceerd werd, die uiteraard enorm werden gewaardeerd "door Rita Levi-Mancini".

Het zal mij benieuwen wat Rita Levi-Montalcini van dít boek vindt.

Dik van der Meulen. Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker. Amsterdam: Boom, 2010 (2002).

Dik van der Meulen. Multatuli Het zal toch niet waar zijn dat Multatuli langzaam maar zeker vergeten wordt? Het feit dat Max Havelaar vorig jaar 150 jaar geleden verschenen is, is weliswaar een beetje gevierd, maar niet zo grootscheeps als je misschien zou verwachten: ik herinner me geen aankondigingen van tv-programma's (al was het maar Max Havelaar. De musical, geen speciale bijlage van NRC Handelsblad, geen grootschalig Multatuli-feest hier in Leiden. De laatste twee nieuwtjes op website van het Multatuli-museum in Amsterdam stammen uit april 2010 (en het nieuwtje daarvoor uit september 2009).

Aan Dik van der Meulen ligt het in ieder geval niet. Hij publiceerde in 2002 zijn biografie over Multatuli en is volgens Google nog steeds met de man bezig. En die biografie, die ik nu in een elektronische editie gelezen heb, zet in ieder geval aan tot meer lezen: vooral van de Minnebrieven. Die heb ik als scholier gelezen, maar Van der Meulen beveelt ze zo nadrukkelijk op een aantal plaatsen in zijn boek aan als misschien wel het beste dat Multatuli ooit schreef, dat ik daar beslist toch eens kennis van moet nemen.

(En waarom bestaat daar nu nog geen elektronische editie van? Gelukkig heb ik het hele verzameld werk ooit in de ramsj op de kop getikt. En als nuancering voor mijn verontwaardiging over de stilte rond Multatuli moet ik toegeven dat de laatste paar delen nog steeds in het plastic zitten. Om alles te lezen wat je wil lezen is zoveel discipline nodig! En geduld! En ook nog een beetje tijd! Hoe doen de mensen dat toch die alles gelezen hebben?)

Eduard Douwes Dekker was een fascinerende man, die soms vol energie en eerzucht en opschepperij zat, en dan weer dodelijk vermoeid was en pessimistisch. Hij wilde groots leven, hij wilde zichzelf groots maken, en heeft daarbij een aantal grote dingen tot stand gebracht, maar is ook af en toe mislukt. (Zo krijg ik de indruk dat ook Van der Meulen niet door de Milioenenstudiën heen kan komen.) Hij wilde als jonge man graag schrijver zijn, zoals Van der Meulen laat zien, terwijl hij toen hij eenmaal gepubliceerd had, zich minachtend over het vak heeft uitgelaten. En hij is nog steeds een baken van licht in een verder moeilijk doordringbare negentiende eeuw in Nederland.

Van der Meulens boek was een proefschrift en waarschijnlijk heeft hij daarom een soort centrale onderzoeksvraag moeten instellen. Die luidt: wat was de relatie tussen leven en werk bij Eduard Douwes Dekker? Ik vind dat een tamelijk onzinnige vraag, en hij levert volgens mij ook niet zoveel op (als er een conclusie is over die vraag luidt hij geloof ik dat de schrijver heel vaak waargebeurde zaken gebruikte voor zijn werk, al maakte hij daar dan wel vaak een retorisch bepaalde keuze uit.) Bovendien lijkt mij, als leek, het grote probleem bij die vraag dat de scheidslijn tussen het gepubliceerde werk en de brieven bij Multatuli heel vaag is. Van der Meulen wijst er zelf een aantal keer op dat veel van de brieven ook wel voor publiek geschreven lijken. Voor een modern publiek zijn ze misschien zelfs nog wel geschikter, omdat de schrijver zich er (nog) minder van conventies en dergelijke aantrok. Maar als dat zo is, is Van der Meulens (impliciete) keuze om het bij de relatie tussen werk en leven vooral te hebben over het openbare leven van Multatuli: zijn werk in Nederlands-Indië, zijn latere belangstelling voor politiek en godsdienst en dergelijke, eigenlijk ongegrond. Over Multatuli's privé-leven buigt hij zich niet. Zo miste ik bijvoorbeeld wat duidelijker portretten van de twee vrouwen in het leven van Douwes Dekker, Tine en Mimi, die geen van beiden erg uit de verf komen in de biografie, maar toch ook op allerlei manieren belangrijk zijn geweest in en voor het werk.

Een grappig trekje van Dekker dat ik nog niet kende: dat hij veel thee dronk en ter ontspanning over wiskundige problemen nadacht. Dat stemt de fan in mij tot vreugde, want van die twee dingen houd ik ook.

21.8.11

Neil Gaiman. American Gods. Headline, 2001

Neil Gaiman. American Gods Je moet alles in je leven een keer geprobeerd hebben? Neil Gaiman is een van de succesvolste auteurs in het fantasy genre; moet je ooit weleens een boek van Neil Gaiman gelezen hebben?

Laat ik het proberen, dacht ik. American Gods vertelt het verhaal van een Amerikaan, Shadow, die net uit de gevangenis is vrijgelaten en in aanraking komt met een groep goden, onder aanvoering van Wodan. Die goden zijn ooit meegekomen met de immigranten naar Amerika, maar inmiddels vrijwel vergeten. Inmiddels zijn er andere goden opgestaan, goden van de televisie, of het geld, of de auto. De oude en de nieuwe goden strijden een modern episch gevecht.

Waar ligt het aan dat ik zo geworsteld heb met American Gods? Niet met het gegeven, denk ik. Het is een beetje flauw, het ligt er een beetje dik bovenop (maar dit was dan ook een samenvatting in enkele regels van een pocketbook van ruim 600 bladzijden), het is geen thematiek die mij diep in mijn ziel raakt, ik hou niet zo van sprookjes, maar aan de andere kant: ik heb ook boeken met goden erin gelezen die me wél bevielen. Zoiets geldt ook voor de stijl: die is niet meeslepend, maar stuit me ook niet speciaal tegen de borst. Men komt in de dialogen niet altijd erg snel ter zake, maar daarom kun je het boek ook sneller lezen.

Waar ligt het dan toch aan? Ik denk in de eerste plaats aan een totaal gebrek aan humor: aan ironie bijvoorbeeld. De vrouw van Shadow is bij een auto-ongeluk om het leven gekomen. Dat is op zich geen aanleiding voor onstuitbare lachpartijen, maar na haar dood komt zij hem nog een aantal keer opzoeken. Shadow heeft een gouden munt in haar graf gegooid die haar weer tot leven brengt, en zij houdt nog steeds van haar man, ook al kreeg ze het auto-ongeluk doordat ze bezig was een andere man oraal te bevredigen. Nu beschermt ze Shadow en slaat bijvoorbeeld zijn bewakers ongenadig dood. Aan haar hakken kleeft nog de modder van het graf.

Dat zijn situaties die ik moeilijk met droge ogen lezen kan. Als het grappig was, zou ik er makkelijk mee kunnen leven. Of grappig is misschien niet eens het woord: ik eis niet het recht op om kunnen schateren. Ik zou vooral graag zien dat de schrijver enthousiasme toont voor het feit dat hij nu alles kan bedenken wat hij maar wil. Eigenlijk wil ik als lezer niet alleen gelaten worden met zo'n zombie, ik wil geloof ik de schrijver er in dit geval een beetje doorheen zien schemeren. Maar dat gebeurt niet. In plaats daarvan neemt hij zijn verhaal uiterst serieus: in American Gods. De schrijver klinkt alleen door voor zover hij een boodschap heeft. Maar die boodschap (Amerika verliest zijn traditionele waarden) interesseert me geen klap, en ik vraag me ook af in hoeverre hij de schrijver echt ter harte gaat.

Een andere manier om een boek als dit te redden, voor mij, is als de psychologie van de personages dan interessanter is uitgewerkt. Maar geen van de personen in American gods lijkt een onafhankelijk geestesleven te leiden, iedereen schuift maar een beetje heen en weer als avatars in een wezenloos computerspel. Geen enkel moment heb je het idee dat je begrijpt waarom iemand iets doet.

Het komt er dus op neer dat ik de mensen mis in American gods: ofwel de mens van de auteur ofwel de mens van de personages. Komt dit nu doordat ik zo'n verschrikkelijk elitaire lezer ben die alleen maar boeken wil lezen die op de index staan? Ik geloof het niet. Er zijn ook genoeg door iedereen hogelijk gewaardeerde boeken waarmee ik dezelfde problemen heb: Faust van Goethe, bijvoorbeeld, gaf me hetzelfde soort overwegingen in: dat vond ik ook niet grappig en ook daar leek de auteur niet veel meer te willen meedelen dan zijn boodschap (al staan er in Faust wel wat meer mooie zinnen dan in American gods). Omgekeerd houd ik vast wel van humoristische low-brow over mensen, al weet ik daar nu even geen voorbeelden van. Het is dus een smaakkwestie, en uiteindelijk een gebrek van mij: dat ik niet kan genieten van wat iemands fantasiewereld alleen aan fraais kan opleveren. Ik zoek iets anders in een boek en als ik het niet vind ben ik teleurgesteld — dat is mijn beperking.

20.8.11

Plato. Feest / Feest / Euthyfron / Sokrates' verdediging / Kriton / Faidon. Amsterdam: Athenaeum, 2009 (4e eeuw vChr.)

Plato. Feest

Vertaling: Gerard Koolschijn

Socrates moet aantrekkelijk zijn geweest voor de jonge, opstandige aristocratische jeugd van Athene. Hun toekomst, een toekomst waarin zij vanwege hun afkomst vanzelfsprekend de macht zouden hebben, was hun ontnomen door de nieuw ingestelde democratie. Hier was iemand die hun nieuwe argumenten aanreikte waarom zij de baas zouden moeten zijn - niet de adel van geboorte, maar de adel van de geest, die toevallig vooral veel voorkwam bij degenen die de eerste adel al hadden. Hier was iemand die hun redenen aanreikten om de gewone burger belachelijk te vinden, en de zittende macht ook — zij hadden geen idee hoe de zaken 'eigenlijk' in elkaar zaten —, en ook een methode om die belachelijkheid aan te tonen — de 'Socratische' methode. Hier was iemand die door de burgerij werd gehaat en die zij dus omarmden.

Socrates moet bovendien slim zijn geweest. Vijfentwintighonderd jaar na dato spat de intelligentie nog van de pagina's af. Hij had een filosofie die opstandigen van aard altijd zal aanspreken. Een belangrijke rol speelt daarbij de gedachte dat niets is zoals het in eerste instantie lijkt. De beroemde metafoor van de grot (wij leven in een grot en zien niet de werkelijkheid zelf maar slechts schaduwen ervan op de wand van de grot) komt in deze bundeling van vertalingen weliswaar niet voor, maar wel een aantal andere metaforen die erop wijzen. Bovendien is de socratische methode er natuurlijk op gebaseerd: te laten zien dat je misschien denkt dat het A is, maar dat het allemaal feitelijk -A is.

Mooi is bijvoorbeeld de gedachte dat bovenop de stratosfeer nog een laag is waarop weer andere, nog betere mensen leven, die nog vrijer zijn. Voor die mensen zijn wij wat de oceaanbewoners voor ons zijn: we bewegen ons traag voort in een wereld die constant wordt aangevreten door de lucht, zoals de zee daar beneden nog erger knabbelt.

Wie Socrates volgt, kan zichzelf dus slimmer voelen dan zijn medeburger, en dat dan vooral door toe te geven dat hij het zelf eigenlijk ook niet allemaal weet. Het valt wel te begrijpen hoe irritant dat was.

De vertaler Gerard Koolschijn heeft het ook niet zo heel erg op met Plato en Socrates. Ze waren uiteindelijk antidemocratisch, merkt hij op. Toch heeft hij deze vijf teksten, die samen een soort evangelie geven, een beschrijving van de laatste paar maanden van Socrates' leven alsmede van zijn dood, heel knap vertaald. De tekst leest alsof hij gisteren geschreven is, maar zonder hinderlijke anachronismen. Het gaat Koolschijn geloof ik vooral om het schrijverschap van Plato en dat is ook krachtig. Je krijgt het gevoel dat je nog steeds in de kring rond Socrates kunt verkeren en dat je waanwijze beschouwingen als de bovenstaande kunt ophangen alsof je er zelf bij geweest bent.

Interessant is bijvoorbeeld hoe de vorm zich spiegelt in de inhoud. De metafoor over een aarde die uit allerlei lagen bestaat waarbij de bewoners op de bodem van de oceaan, op de bodem van de aarde en op de bodem van de stratosfeer allemaal het gevoel hebben op de buitenste korst te zitten, wordt weerspiegeld in de structuur van het verhaal: Plato vertelt over wat een vriend vertelde dat Socrates zei. (En als het over de liefde gaat, brengt Socrates zelf dan weer verslag uit van wat Diotima hem geleerd heeft: dat de Liefde niet mooi is, zoals iedereen natuurlijk denkt, maar juist lelijk; en dat met een onweerstaanbare redenering.)

Ik heb Plato twintig jaar geleden gelezen en hoewel ik toen ongetwijfeld ontvankelijker zou zijn geweest voor een levende en redenerende Socrates - ik heb gelukkig een paar zwakkere afschaduwingen als leermeester gekend - was ik nog niet rijp om Plato te lezen. Ik ergerde me aan Socrates' gesprekspartners, die zo weinig tegen de goeroe wisten in te brengen. Maar inmiddels moet ik toegeven dat ik zelf vaak ook niet weet wat je precies tegen Socrates zou kunnen zeggen (gegeven bepaalde als vaststaand aangenomen principes natuurlijk). Ik zou nu zelf ook met mijn mond vol tanden staan, en Socrates zou ook een horzel zijn geworden in mijn pels.

15.8.11

Nikolaj Gogol. Dode zielen. Amsterdam: Van Oorschot, 2009 (1842))

Gogol. Dode zielen

Vertaling: Charles B. Timmer

De meeste lezers zijn het er geloof ik wel over eens dat van de Divina Commedia vooral of zelfs alleen het eerste deel, de Hel, echt leesbaar is. Het is daarom heel verbazingwekkend dat iemand ooit het plan zou opvatten om een werk te schrijven met dezelfde structuur. Nikolaj Gogol had dat idee kennelijk wel ooit, maar hij is na het eerste deel, zijn eigen Hel, heel toepasselijk genaamd Dode zielen, gestrand.

Dat die andere delen er niet gekomen zijn, is dus waarschijnlijk niet erg. Dankzij Dode zielen zullen we ons Gogol blijven herinneren. De slechtheid van de mens is nu eenmaal een veel prettiger onderwerp dan zijn goedheid. Ik weet eigenlijk niet precies waarom. Ja, omdat goedheid saai is en slechtheid niet - maar dat verlegt alleen maar de vraag, want waarom is dat eigenlijk het geval? Je kunt toch op net zoveel verschillende manieren goed zijn als dat je slecht kunt zijn. Het vernuft dat Tsjitsjikow steekt in zijn wat geheimzinnige project om overal dode zielen op te kopen, de kleinburgerlijkheid en rancune die zijn burgers stoppen in de pogingen om hem te verketteren, dat alles zou toch ook juist positieve equivalenten kunnen hebben?

Ik kan alleen een biologische, evolutionaire verklaring verzinnen. Wij mensen zijn geconditioneerd om meer geboeid te zijn door het kwaad omdat we er meer belang bij hebben dat te onderkennen dan al het goede dat er tegelijkertijd ook gebeurt.

In Dode zielen is overigens niemand echt vreselijk slecht. Het is niet echt verboden om dode zielen van boeren te kopen, en het is ook niet helemaal duidelijk wie er wat mee opschiet. Er wordt vooral veel gekrabbeld en een beetje gesjoemeld en een beetje gejokt en iedereen denkt dat het nodig is om niet helemaal eerlijk te zijn omdat de anderen dat immers ook niet zijn. Ondertussen beweert de schrijver dat hij een groots epos in verzen aan het schrijven is, terwijl wat je leest toch duidelijk proza is (ik las de vertaling van Charles B. Timmer, die ik ooit eerder ook al gelezen had) en je ook weet dat er van in ieder geval de andere delen van dat epos bitter weinig terecht gekomen is.

Wij mensen (wij Russen, maar wie dit leest wordt zelf ook even een Rus) zijn altijd op zoek naar een buitenkansje. Er hoeft maar iemand langs te komen die wat aardige woorden spreekt, beschaafd lijkt en de grote wereld lijkt te kennen, of we trappen er, ondanks al onze gedisponeerdheid om vooral op het kwaad te letten, toch telkens weer in.

13.8.11

Mark Twain. The Adventures of Huckleberry Finn.

Mark Twain. The Adventures of Huckleberry Finn Heel veel literatuur gaat over verhalen, heel veel literatuur gaat vooral over de manier waarop mensen zich bizar gaan gedragen omdat ze in boeken gelezen hebben dat het zo hoort: Don Quichotte en Madame Bovary zijn de bekendste voorbeelden, maar Tom Sawyer is er ook een. Hij wil alles volgens het boekje doen, dat wil in zijn geval zeggen: avonturenromans. En dat betekent weer dat alles zo ingewikkeld mogelijk moet gebeuren, precies volgens het boekje. Als de oude Jim uit zijn gevangenschap bevrijd moet worden, mag hij niet zomaar door de deur naar buiten lopen, maar hij moet per se eerst enkele wanhopige kreten in stenen bijtelen en daarna zich een weg naar buiten graven.

Tom Sawyer is niet de held van The Adventures of Huckleberry Finn — de titel zegt het al. Sterker nog, als Tom opduikt, wordt het boek een beetje vervelend, vooral omdat het daarvoor zo geslaagd was, met die ontroerende, subtiele schets van de relatie tussen Huck Finn en de 'neger' Jim. Huck die eigenlijk wel weet dat zijn 'geweten' hem voorhoudt dat hij de weggelopen slaaf Jim eigenlijk moet aangeven — want wat heeft diens baas hem eigenlijk ooit aangedaan? Maar die het toch niet doet, omdat hij besluit maar een slecht mens te blijven als Jim hem zijn enige vriend noemt. Huck die eigenlijk veel slimmer is dan de meeste bedriegers om hem heen, maar niet zo slim dat hij dat zelf in de gaten heeft.

In Amerika is er allerlei trammelant ontstaan vanwege het woord nigger dat zo vaak in het boek voorkomt en op taboes stuit. Die trammelant past in zekere zin wel bij Huckleberry Finn. Mensen die vinden dat zo'n boek zonder zo'n aanstootgevend woord uitgegeven moet worden, omdat het racistisch is, leven in zekere zin ook in een wereld waarin de idealen belangrijker zijn dan de realiteit, waarin alles moet gebeuren volgens het boekje, ook al zou het voor iedereen rustiger en praktischer zijn om je van die idealen op dit punt niet veel aan te trekken, bijvoorbeeld omdat er hogere idealen gediend moeten worden. Die mensen zijn eigenlijk de Tom Sawyers van deze wereld. Ik begrijp er niet veel van, maar dat komt waarschijnlijk omdat ik even onnozel ben als Huckleberry Finn.

9.8.11

Gregson Davis. The Blackwell Companion to Horace. Oxford: Wiley-Blackwell, 2010.

Gregson Davis. The Blackwell Companion to Horace Meer dan vijfentwintig jaar geleden besloot meneer Ubachs dat Horatius mijn favoriete Latijnse dichter was. Hoewel ik achteraf betwijfel of een volledig profiel van mijn persoonlijkheid was meegenomen in dat oordeel, is het een self-fulfilling prophecy gebleken, ik ben altijd meer geīnteresseerd geweest in Horatius dan in andere dichters, ik weet daarom meer van zijn leven en werk dan van anderen, en ik kan het werk daarom beter appreciëren.

Aan de andere kant ben ik onlangs begonnen aan de tamelijk recente Nederlandse vertaling van het werk door Piet Schrijvers en ik merkte dat ik vooral voor de delen van het oeuvre dat ik niet zo goed kende - zoals de zogenoemde Epoden - wel wat meer achtergrond informatie nodig had dan dit boek gaf. Ik besloot het dan ook serieus aan te pakken en las nu, bij wijze van inleiding, de ruim 400 pagina's aan geleerde beschouwingen in The Blackwell Companion to Horace (ik ben zelf hoofdredacteur van een Blackwell Companion to Phonology).

Ik heb veel geleerd dat ik nog niet wist. Dat Horatius ook als hij geen succesvol, door Maecenas beschermd dichter was geweest, als slavenzoon waarschijnlijk tot de hoogste kringen in de Romeinse samenleving was doorgedrongen vanwege zijn grote ambtelijke kwaliteiten, en die van zijn vader. Dat zijn relatie met Maecenas en die met keizer Augustus een gecompliceerde was, en dat je die complicaties in een zorgvuldige analyse van het werk kunt terugvinden. Dat wij moderne lezers vooral getraind zijn in het lezen van romans en daarom geneigd zijn alle literaire teksten als een soort romans tegemoet te treden (vooral over dat laatste ga ik nog veel nadenken.

Af en toe moest ik natuurlijk wat wennen aan het specifieke jargon van de literatuurwetenschappers, ik lees hun werk nu eenmaal moet vaak, en ik vond ook niet alles even interessant, maar bij elkaar genomen is het toch ook interessant om te zien hoe zo'n vak toch almaar groeit en een steeds preciezer, maar nooit voltooid portret van, in dit geval, Horatius geeft.

Op school had mijn waardering voor Horatius vooral te maken met zijn vormexperimenten. Ik probeerde verschillende van die gedichten, in steeds een ander ingewikkeld metrisch patroon geschreven, vormvast in het Nederlands te vertalen. Inmiddels begin ik ook de inhoud te zien. Mijn leven zal een leven zijn met Horarius altijd ergens op de achtergrond. Met dank aan meneer Ubachs.

Henrik Ibsen. A Doll's House. Gutenberg.org, 2001

Henrik Ibsen. A Doll's House Nora woont, een negentiende-eeuwse vrouw,haar hele leven in een poppenhuis. Ze is de pop van haar vader, die precies de gewenste dingen doet en de gewenste opinies heeft, tot haar huwelijk. Daarna wordt ze de pop van haar man, het wat domme gansje dat voor hem de Tarantella danst en wiens enige onafhankelijkheid eruit bestaat dat ze zogenaamd niet met geld om kan gaan. Tot haar ineens de schellen van de ogen vallen, als haar man hun onderlinge relatie altijd verkeerd beoordeeld blijkt te hebben, en ze besluit om een eigen leven te gaan leiden,weguit het poppenhuis.

Wat mij vooral opviel toen ikdit stuk weer eens herlas: hoe spannend het is. Ook al weet je precies hoe het allemaal afloopt, en al weet je zelfs dat het einde waar Nora bang voor is - dat haar man erachter komt dat ze een zakelijke transactie gesloten heeft - uiteindelijk voor haar een zegen zal zijn, toch leef je met haar mee: oh, als hij die brief maar niet opent! Dat verlangen wordt bijna onverdraaglijk, ook voor de lezer.

Eigenaardig is dat er ook nog een andere draad is, die ik min of meer vergeten was en waarover ik ookop internet wei ig lees: die van dr. Rank, die heimelijk verliefd is op Nora, iedere dag als huisvriend op bezoek komt, dan ineens onverhoeds zijn liefde bekent, afgewezen wordt, en zich terugtrekt (om zelfmoord te plegen?) Dat Nora geen zin heeft om nu de pop te worden van weer een derde man, is duidelijk. Maar wat is dat voor een zonderling hartstochtelijke figuur, die Rank? Daar zou ik nou weleens wat meer over willen lezen.

Aris Fioretos. De laatste Griek. Amsterdam: Querido, 2011.

Aris Fioretos. De laatste Griek

Vertaling: Hans Peter Westin

Een Britse criticus observeerde vorig jaar in een bespreking van het werk van de Turkse Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk dat deze schrijft in een 'literair Esperanto': een schrijfkunst die niet duidelijk geworteld is inde eigen (voor Pamuk Turkse) tradities, maar die herkenbaar is voor een internationale lezersschaar: een beetje magisch realisme, een verhevigde, exotisch gemaakte sfeertekening van 'lokale' excentriciteiten die door hun fantastische eigenschappen toch ook net zo goed ergens anders geplaatst zouden kunnen worden, enzovoorts.

De laatste Griek is keurig in dat literaire register geschreven. De personen hebben allerlei eigenaardige ideeën over bijvoorbeeld de tijd (dat er best meerdere vrijdagen in een week kunnen zitten) die me minder met de Griekse cultuur te maken lijken te hebben dan met de nalatenschap van García Marquez. Het boek is heel fragmentarisch opgebouwd en bovendien in een ingewikkelde constructie - het is zogenaamd een manuscript voor een krankjorume encyclopedie over alle Grieken overal en altijd. Er is geen zin die niet luidkeels uitroept dat hij literair is.

Het is jammer dat de Grieks-Zweedse schrijver Aris Fioretos deze vorm gekozen heeft, want zijn stof is interessant. Hij handelt vooral over een Griek die eind jaren zestig uit (Grieks) Macedonië naar Zweden emigreert en over zijn voorouders, en heeft daarom een geweldige brok geschiedenis als achtergrond: de tragedie van de Grieks-Turkse oorlog, de burgeroorlog in de jaren veertig, het kolonelsregime in de jaren zestig en zeventig. Omdat er zo'n enorme dikke saus ostentatief literair gedoe overheen wordt gegoten, stemde het boek mij althans gaandeweg vooral tot wanhoop. Al die excentriciteiten (en vooral het humorloze daarvan) begonnen mij vooral te irriteren. Jammer!

7.8.11

Kakuzo Okakura. The Book of Tea. Project Gutenberg, 2001 (1906)

Kakuro Okakuzo. The book of tea Er gaat niets boven een kop thee. De zogenoemde 'theemeesters' in Japan ontwikkelden een ritueel voor het serveren van thee dat volgens Kakuzo Okakura nauwe banden vertoont met het Taoïsme en met Zen. De thee wordt geserveeerd in een aparte Theems er, die liefst los staat van het huis. De theemeester heeft de kamer en het pad naar de kamer zorgvuldig schoongemaakt en de ruimte smaakvol gedecoreerd met bijvoorbeeld een eenvoudig maar passend bloemstuk. Zo zijn er pook allerlei regels over hoe men de ruimte binnentreedt, de thee maakt, enzovoort. Onderwijl zwijgt men.

Okakura schreef zijn essay in 1906 om het 'theisme' uit te leggen aan westerlingen. Japan werd overspoeld et Westerse cultuur terwijl in Okakura 's ogen de eigen cultuur van het ogen geminacht werd. Hij stelde daar dit boekje tegenover, een kleinood, geschreven in heel elegant Engels: "Those of us who know not the secret of properly regulating pur own existence on this tumultuous sea of foolish troubles which we call life are constantly in a state of misery while vainly trying to be happy and contented."

De grootste openbaring was voor mij de manier waarop Okakura beschrijft hoe een Japanner kijkt (honderd jaar geleden keek) naar het huis van een westerling, waar zo enorm veel te zien is, overal schilderijen hangen én bloemen, en allerlei andere objecten te zien zijn in wat voor de theemeester een wezenloos vertoon van rijkdom is. "One cannot listen to different pieces of music at the same time". Dit pleidooi voor concentratie en tegen multitasking is alleen maar urgenter geworden; als ik het goed zie ook in Japan zelf, waar de manga vandaan komt en ooit de Sony walkman. Wie drinkt er nog weleens alleen maar een kop thee?

David Sedaris. Dress your family in corduroy and denim. Audible, 2004.

David Sedaris. Dress your family in corduroy and denim David Sedaris ziet er verkeerd uit. Dit is nu het tweede audioboek dat ik van hem gehoord heb en er heeft zich in mij nu een duidelijk beeld van hem gevormd op basis van zijn stem en zijn verhalen. Dat beeld ligt het dichtst in de buurt van de Amerikaanse straatmuzikant die al tientallen jaren in Den Haag op zijn gitaar speelt, een bejaarde hippie die geloof ik Craig heet.

Ik heb nu meerdere foto's van Sedaris gezien en weet dat hij er helemaal niet zo uitziet, hij heeft bijvoorbeeld geen sluik lang haar, maar een heel keurig voorkomen. En toch kom ik niet van dat beeld af.

Ik luister naar Sedaris omdat hij de perfecte vakantieverhalen schrijft: ze zijn niet te lang, ze meanderen een beetje, ze zijn grappig op een charmante manier (er zit veel zelfspot bij, waarin hij zichzelf neerzet als een onuitstaanbaar verwend nest). Ik luister ernaar als het te warm is om te slapen en ik geen zin heb om een boek open te doen.

Ik moet nu binnenkort misschien ook maar eens een boek van Sedaris lezen, met mijn ogen bedoel ik. Kijken hoe hij zijn zinnen precies op papier plaatst, hoe hij de imitaties van bijvoorbeeld zijn broer precies grafisch weergeeft. Ik heb zijn stem inmiddels goed genoeg in mijn hoofd om die mee te laten klinken, en ik weet ook hoe hij eruitziet. Als Craig.

D.H. Lawrence. Women in love. Feedbooks, 2010 (1920)

D.H. Lawrence. Women in love Ophouden met lezen in een boek voelt voor mij altijd minstens een beetle als een nederlaag. Er moet iets aan het boek zijn dat ik niet goed begrijp, ik moet tekortschieten tegenover de auteur, anders zou ik toch wel verdergaan?

Ik had onlangs Sons and lovers met veel plezier en bewondering gelezen, het was een revelatie voor me geweest en ik wilde nog meer van die Lawrences lezen, een van zijn andere meesterwerken. Wat kon daar misgaan?

Het ging mis. Ik ben tot ongeveer tweederde gekomen, maar ik merkte dat ik zozeer de pagina's tot het eind aan het aftellen was, dat zelfs de schaamte over het opgeven bij een erkend meesterwerk niet opwoog tegen het plezier dat ik mezelf gaf door te stoppen met lezen. Dat heb ik toen maar gedaan.

Waar ligt zoiets nou aan. Misschien komt het doordat ik met Buddenbrooks gelezen heb, en daar kan weinig tegenop. Ook Sons and lovers zou ik nu waarschijnlijk minder mooi gevonden hebben. Maar er is ook echt iets in dit boek dat me niet bevalt: de hoofdpersonen. Ze leuteren me teveel ober hun persoonlijke verhoudingen, hoe ze zich precies tot elkaar verhouden, hoe gevoelens van minuut tot minuut fluctueren, hoe ze niet conventioneel willen zijn, maar elkaar wel vast willen houden, enzovoort. Sons and lovers heeft dat ook wel een beetje, maar toch ook wat meer mysterieuze rauwe personen die niet zo hypergevoelig zijn de hele tijd.

Women in love sluit de lezer op in een benauwde vierhoeksrelatie. De scènes die buiten dat viertal treden - de vrijgevochten moderne jeugd in Londen, de zoektocht naar een zus die in het water gevallen is - zijn nog wel interessant, ,aar dan gaat het steeds weer onvermijdelijk door naar eindeloze bespiegelingen van in mijn ogen weinig volwassen personen. Niet ik, maar Gudrun, Ursula, Rupert en Gerald zijn de schuld dat ik dit boek terzijde heb moeten leggen, verdorie!

Harry Mulisch. De aanslag. Amsterdam: De Bezige Bij, 2009 (1982)

Dertig jaar na verschijnen is De aanslag een klassieker in de Nederlandse literatuur en mij lijkt dat na dertig jaar ook terecht.
Wanneer heb ik dit boek voor het eerst gelezen? In 1982 was ik nog net iets te jong, vermoed ik, maar het gebeurde wel op de middelbare school, dat wil zeggen, vóór 1986. Daarna heb ik het denk ik nog wel een keer of twee gelezen; ik weet niet meer of ik de film gezien heb. Ik heb er wel beelden van, maar die kunnen ook gekomen zijn uit een documentaire over Mulisch - een van de belden betreft het beeld van de schei er die geniet van het feit dat naar aanleiding van zijn fantasie nu een huis in de brand wordt gestoken. Dat zat in ieder geval niet in de film.
Van het boek kon ik me meer herinneren. Ik zal wel niet de enige Nederlander zijn die op ieder willekeurig moment een adequate samenvatting kan gevenvan het plot, maar er waren ook een aantal details die ik nog wel in detail wist: de regelmatige verwijzingen naar tanden (het rijtje huizen waaruit een huis ontbreekt ziet eruit als een haveloos gebit, Anton Steenwijk wordt gedwongen mee te doen aan de vredesdemonstratie door zijn tandarts, en zo voorts). Maar er waren ook details die me nooit eerder waren opgevallen of die ik vergeten was: Peter, de broer van Anton, zit op de avond voor de aanslag een zin van Homerus te vertalen waarin de strijd tussen twee legers wordt vergeleken met het op elkaar stoten van twee riviere , en dat beeld van rivieren komt ook een aantal keer terug, het prominentst in, alweer, die vredesdemonstratie, die heel Amsterdam overspoelde met vele stromen mensen.
De aanslag is een klassieker omdat het voor een deel het Nederlandse beeld van de Tweede Wereldoorlog mede bepaalt: alle denkbare partijen komen aan de orde, en allen voelen zich slachtoffer en negeren hun eigen daderschap. Maar los daarvan is het een krachtig boek, waarin nog van alles te ontdekken valt en dat ik hopelijk nog vaker zal lezen.

2.8.11

Thomas Mann. Buddenbrooks. Verfall einer Familie. Berlin: S. Fischer Verlag, 2010 (1901)

Thomas Mann. Buddenbrooks. Verfall einer Familie Thomas Mann was tweeëntwintig toen hij Buddenbrooks schreef en hij had alles gezien en nog veel meer gehoord. Hij had gekeken in de diepten van het verval, in de onmogelijkheid van voortdurende discipline, hij was in staat om een generatieconflict van alle mogelijke kanten te bekijken en hij kende alle registers van zijn moedertaal.

De laatste telg van het geslacht Buddenbrooks, Hanno, heeft een aantal keer het gevoel dat hij de tjd zou willen kunnen stilzetten, terwijl hij tegelijkertijd nauwkeurig bijhoudt hoe lang er nog rest van de vakantie of het vredige tekenuur. Die ervaring had ik ook bij Buddenbrooks. Vrijwel iedere scène grijpt aan of boeit in ieder geval, vanaf de eerste tot en met de laatste bladzijde is het permanent raak, maar doorlopend hield ik bezorgd in de gaten hoeveel bladzijden ik nog mocht. Uiteindelijk heb ik vier vakantiedagen met Buddenbrooks doorgebracht, vier prachtige dagen die mijn leven verrijkten. Als alle leesdagen zo waren, zou een mens nooit iets anders willen dan lezen: ooit za. er voldoende wereldliteratuur op het hoogste niveau zijn waarin dat doel bereikbaar is.

Tegelijkertijd is dat natuurlijk het decadente gevoel waartegen de een na laatstegeneratie Buddenbrook, Thomas, strijdt, de man die levenslang alle neigingen - de liefde voor het bloemenmeisje, de fascinatie voor Schopenhauer - terzijde schuift in doel van het Werk en de Firma en die ten onder gaat omdat hij inziet dat het niet meer is op te brengen.

Er zijn weinig boeken die de zinloosheid, de tragedie van het alledaagse getob beter uitdrukken dan Budenbrooks. Thomas maakt zich zorgen over de positie van zijn familie in de stad, en of hij er wel representatief genoeg uitziet, tot hij op straat voorover valt, bezweken aan kiespijn. Zijn zoon maakt zich druk over een mondeling examen Latijn en krijgt de tyfus. Het helpt dat het zich allemaal enerzijds in het verleden afspeelt - ook voor Manns eerste lezers, de laatste gebeurtenissen in het boek zijn nog dertig jaar voor het verscheen - terwijl tegelijkertijd alles op een bepaalde manier nog zo is als nu: het verlangen naar eindeloze vakantie, het lijden bij de tandarts, de vrouw die nooit echt lijdt omdat ze al het lijden dat zich aan haar voltrekt zo mateloos interessant vindt. En de man die zich, al is het maar voor even, volkomen verliest in een boek, waarvan hij een nachtlang gelooft dat het zijn leven verandert.

1.8.11

Vincent van der Noort. Getallen zijn je beste vrienden. Ontboezemingen van een nerd. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011.

Vincent van der Noort. Getallen zijn je beste vrienden. Ontboezemingen van een nerd Wat moet het prettig zijn om Vincent van der Noort als wiskundeleraar te hebben! Zoals die man kan vertellen over zijn vak, over de wiskunde, hoe enthousiast hij is, hoe hij de lezer in dit boek allerlei uithoeken van zijn vak laat zien om uiteindelijk uit te komen bij een op het oog geavanceerd en volkomen abstract resultaat over symmetriegroepen en meerdimensionale ruimtes.

De wiskunde is een vreemde discipline. Je bent doorlopend met zaken bezig die je andere mensen niet of nauwelijks kunt uitleggen. Dingen waarbij je zelf grote schoonheid ervaart, maar die een ander alleen kan zien als hij bereid is er heel veel moeite in te steken. En de meeste mensen zijn daar niet toe bereid.

Nu heb je dat in andere wetenschappen natuurlijk ook, dat hetgene waar jij in gespecialiseerd bent alleen echt begrepen kan worden door andere specialisten. Maar in die andere vakken bestaat het ding dat je bestudeert ook nog buiten je vak om: er is ook taal buiten de taalkunde en natuur buiten de natuurkunde, maar nauwelijks wis buiten de wiskunde.

Op het gebied van de wiskunde ben ik denk ik een prototypische geïnteresseerde leek. Ik vond het een leuk vak op de middelbare school, ik lees er graag over, maar weet er bijna niets van. Van der Noort heeft het talent om iemand als mij dan helemaal zijn vak in te slepen. Of ik alles helemaal tot inde details begrepen heb, weet ik niet; ik heb in ieder geval een indruk gekregen van het soort onderwerpen waar Van der Noort (hij promoveerde in Utrecht) mee bezig is. Hij probeert de lezer erbij te houden met raadseltjes en anekdotes en ideeën voor gedichten en grapjes, maar zelfs de wiskunde op zich dist hij al zo smakelijk op dat ik het boek bijna letterlijk in éėn adem uitlas. Ik zat in de trein tussen Utrecht en Eindhoven, maar heb niet gemerkt dat we in Den Bosch stopten en was bijna vergeten om in Eindhoven uit te stappen.

P.F. Thomėse. Grillroom Jeruzalem. Amsterdam: Contact, 2011.

P.F. Thomėse. Grillroom Jeruzalem Het aardige van recent verschenen boeken lezen, is dat je je oordeel een keer kunt leggen naast dat van beroepsrecensenten - mensen die voortdurend recent verschenen boeken lezen. Op een waarschijnlijk irrationele manier kijk ik altijd een beetje tegen dat soort mensen op. Die mensen moeten zo veel belezener zijn dan ik, moeten zoveel meer begrijpen van de letteren dan ik. Tegelijkertijd ben ik eigenwijs genoeg om mijn eigen oordeel niet bij het minste of geringste in het water te gooien. Dat levert soms interessante confrontaties op - interessant in ieder geval voor mijzelf.
Vlak nadat ik Grillroom Jeruzalem op mijn ereader had uitgelezen, las ik een recensie van dat boek door Marja Pruis in een oude Groene die ik op vakantie had meegenomen. Ik had me verschrikkelijk geërgerd, aan de erbarmelijke stijl, de gemakzucht, het gebrek om iets echt te zien. Pruis daarentegen vindt bijna precies het omgekeerde: "Een journalistiek genre krijgt bij Thomèse een literair gezicht."
Waar zit het verschil? Het is moeilijk te zeggen, omdat Pruis geen echte argumenten geeft. Ze prijst wel de 'gestileerde vorm', maar zegt niet waaruit die zou blijken. Ik vond de stijl juist een van de mi punten, vooral het wat rare woordgebruik (katholieken noemt hij ergens op niets af katholico's; ik neem aan dat je dat als ironie kunt zien, maar het is ironie van een bijzonder gemakzuchtige vorm.)
Er is wel een ding dat Pruis hetzelfde ziet als ik: "Waarom dan toch ingestemd met de uitnodiging [om deze reis te maken]?" Mij stoorde dat gebrek aan noodzaak enorm. De schrijver gaat op reis, maar niet alleen is er van tevoren geen noodzaak, ook gaandeweg ontwikkelt die zich niet. Hij komt wel mensen tegen, maar ontwikkelt geen menselijk contact, zonder dat dit vervolgens gethematiseerd wordt. Hij is ironisch over zijn reisgenoten, maar dan oom weer ironisch op zo'n flauwe manier. Hij ziet eigenlijk niets dan clichėbeelden. De Tweede Wereldoorlog wordt er de hele tijd bijgehaald (waarbij hij dan herhaaldelijk opmerkt dat die nog niet voorbij is) en hij ergert zich aan het geluid van muezzins?
Hoe kan mij oordeel zo anders zijn als dat van een goede lezer als Pruis? Het antwoord zit er misschien in dat zij in hetzelfde stuk een ander boek bespreekt dat ze veel slechter vindt. Misschien was het 't contrast dat dit boek mooi maakte. Ik hoef gelukkig maar zelden boeken te lezen die me niet liggen. Ik ben immers geen beroepslezer.