Posts

Posts uit september, 2020 weergeven

Nescio. Titaantjes. Nijgh & Van Ditmar, 2018 (1918)

Afbeelding
  Kan een literaire reputatie gegrondvest worden op weemoedig terugblikken op de verloren ambities van de eigen jeugd? Ooit bestormden we de hemel en moet je ons nu eens zien? Het was een belangrijk onderwerp in de Nederlandse literatuur in de eerste helft van de twintigste eeuw, vooral dankzij Nescio (en ook een beetje dankzij Wouter Paap en Van Deyssel), en er zijn ook nog liederen over geschreven, bijvoorbeeld door Jacques Brel. Zoals ook de podiumcarrière van Youp van 't Hek erop gebaseerd was. Van dezen is Nescio de sterkste, en dat is zelfs te zacht gezegd. Titaantjes  is tegelijkertijd vreselijk treurig en onweerstaanbaar grappig – er is weinig zo grappig, vind ik, als de beschrijving van hoe de titaantjes op een dag naar Walden bezoeken, de idealistische kolonie van Frederik van Eeden en zijn volgelingen. Na vier uur lopen zien ze daar een man 'in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de

Sanneke van Hassel. Nederzettingen. De Bezige Bij, 2019.

Afbeelding
  Nederzettingen is een verhalenbundel over een milieu, en wel een milieu dat je weinig beschreven ziet: dat van de elite die het niet breed heeft. De meeste personages zijn vermoedelijk hoger opgeleid, ze hebben het beste met de wereld voor, ze zullen nooit op een populistische partij stemmen, ze leven een burgerlijk bestaan, maar ze hebben het niet breed – ze werken als pro deo -advocaat, ze proberen voor zichzelf te beginnen, ze zijn schrijfsters van korte verhalen.  Ze wonen bijna allemaal ook nog eens in Rotterdam – de eeuwige tweede onder de Nederlandse steden. Die nederzetting is belangrijk – je bent in Rotterdam, in de stad waar het altijd waait en de grote brede rivier nooit ver weg is, en wel in een rijke wijk maar een arme straat in die wijk (zoals Van Hassel het zelf ergens beschrijft). Er heersen daar geen heftige emoties, al broeit er onderhuids voortdurend wat. Je hebt als lezer de neiging de personages toe te schreeuwen: kus ze op hun bek! Of sla daar juist op! Maar de

Erik Jan Harmens. Kom. Lebowski, 2019.

Afbeelding
  Het is goed beschouwd heel raar dat uitgeverij Lebowski het bestaat om de gedichten van Erik Jan Harmens zo als een bundeltje in de winkel te leggen: hier zijn gedichten, kijk maar wat je ermee doet. Ik had de bundel gekocht en ik wist niet wat ik ermee aanmoest, die ijle, langwerpige verzen met steeds maar een paar woorden op een regel, en allerlei woorden die met k  ( kracht, kut, kan ) beginnen afgekort tot k,  zoals er ook t  wordt gebruikt voor het.  Je moet die gedichten ook niet lezen, je moet ze horen voorlezen, en wel door Harmens zelf. kom  is in de eerste plaats een luisterboek: dan hoor je het ritme dat verwant is aan dat van aftelrijmpjes (het eerste gedicht verwijst daar volgens mij ook naar), en laat je je meeslepen door het spel met alle mogelijke betekenissen van kom ,   dwingend een wereld in van verdrietige seks, gele hesjes en blauwgesausde witte kamers. Erik Jan Harmens lezen is je laten besproeien met taal, met fascinatie voor de taal – de taal van de straat en

Marga Minco. Het bittere kruid Bert Bakker, 2017 (1957)

Afbeelding
  Wat ik me niet meer zo goed herinnerde: dat Het bittere kruid ook gaat over de herinnering. Aan het eind van de novelle zegt de vertelster dat ze zich eigenlijk al het gewone leven niet meer kan herinneren, hoe het was om door de straten van Amsterdam te lopen en vrij te zijn. En voortdurend zijn mensen bezig zich dingen te herinneren, of vast te leggen voor de herinnering: een foto maken zodat je later elkaar nog eens kan zien, bijvoorbeeld. Ze gebruiken die herinneringen ook om zichzelf moed in te spreken: vroeger leek het óók heel erg, maar dat viel toen ook mee. Als een zus wordt weggehaald, herinneren de gezinsleden dat ze vroeger eens in het water is gevallen. Daar kon ze toen ook uit worden gered – dus waarom zou ze nu ook niet terugkeren is de onuitgesproken gedachte.  Er zijn ook herinneringen binnen herinneringen, met diezelfde functie. Voor de oorlog werden de kinderen  in Breda al getreiterd om hun Joodse afkomst. Broer Dave raakt er zelfs om betrokken in een vechtpartij.

Matilda Gustavsson. Het bolwerk. Macht en misbruik achter de gesloten deuren van de Zweedse Academie. Nijgh en Van Ditmar, 2020.

Afbeelding
  Dat #MeToo vooral om zich heen heeft gegrepen in culturele kringen, kun je op verschillende manieren begrijpen. Een daarvan ligt in het beeld dat mensen hebben van de kunstenaar – iemand voor wie de normale moraal nu eenmaal niet geldt, op wie andere wetten van toepassing zijn, áls er al een oordeel gegeven mag worden.  In vrijgevochten kringen kun je nog gemakkelijker grenzen over gaan. Een van de verdiensten van Matilda Gustavsson is dat ze precies beschrijft hoe dat gaat. Haar zaak is die van Jean-Claude Arnault, een Franse eigenaar van een cultureel centrum in Zweden die getrouwd is met een van de bekendste Zweedse dichters, Katerina Frostenson. Jarenlang vergreep Arnault zich aan waarschijnlijk tientallen jonge vrouwen. Een belangrijke reden waarom  ze geen aangifte deden was dat ze zelf in verwarring waren over hun aandeel in een en ander. Ze hadden bijvoorbeeld in eerste instantie zelf contact met hem gezocht vanwege zijn dubieuze reputatie en omdat ze uit waren op een avontuu

Johan Fretz. Onder de paramariboom. Lebowski, 2020

Afbeelding
  Soms is een boek lastig te peilen. Aan het begin van Onder de paramariboom lijkt de verteller, die net als de schrijver Johan Fretz heet, af en toe nogal waanwijs. Hij verkondigt theorietjes over hoe oud en verstandig je bent als je 29 bent (later in het boek zegt hij dat 66 wel wat jong is om te sterven maar nu ook weer niet heel erg jong) en schetst hij karikaturen van zijn Surinaamse moeder en zijn Haags-Duitse vader: individueel voldoen ze aan allerlei standaardbeelden van Surinaamse vrouwen (lawaaiig aanwezig) en Haagse mannen (altijd kankeren maar met een hart van goud), en samen kibbelen ze zoals personnages in een poppenserie kibbelen.  Als lezer weet je niet of dat nu is omdat de schrijver Johan Fretz zo naïef is, of alleen de verteller.  Gaandeweg krijgen verteller, vader én moeder veel meer diepgang – blijken ze allemaal veel minder aan de karikaturen te voldoen. Maar dan weet je het eigenlijk nog steeds niet. Het lijkt er hoe dan ook op of de verteller of de schrijver de

Wim Daniëls. Quarantaine. Thomas Rap, 2020

Afbeelding
  Ik sprak van de week een uitgever die beweerde dat er '144' boeken over corona aankomen. Van die stroom is Quarantaine  van Wim Daniëls een van de eerste: deze roman werd al in mei gepubliceerd, en moet dus razendsnel geschreven zijn. Het boek lijkt me voor zover nu te overzien bovendien bijzonder op een andere manier: het lijkt een van de weinige boeken te worden die over corona gaan en waarin de hoofdpersonen ziek zijn. Tot nu toe lijkt het erop dat schrijvers van alles en nog wat interessant vinden aan de afgelopen periode – de lockdown, het fakenews, de ingrijpende veranderingen – maar niet  het feit dat de mensen ziek worden. Nu is covid-19 voor Julia en Karel, de hoofdpersonen van Quarantaine,  uiteindelijk niet veel ernstiger dan een fikse griep. Ze liggen een paar dagen met hoge koorts en veel hoesten op bed. (Wel wordt verteld dat een vriendin van een bijpersonage komt te overlijden.) Maar die koorts lijkt me eigenlijk minstens even belangrijk als de quarantaine van

Roberto Calasso. Come ordinare una biblioteca. Adelphi, 2020.

Afbeelding
Als een mens dan toch met alle geweld iemand moet zijn, dan zou ik wel graag Roberto Calasso willen zijn – zo'n ouderwetse mediterrane intellectueel, iemand met een voortreffelijke literaire smaak, iemand die alles gelezen heeft wat van waarde is, iemand die iedereen kent die interessante dingen te vertellen heeft,  iemand die sinds een paar jaar de eigenaar is van de smaakvolle uitgever Adelphi , en iemand die zich ook nog eens in elegant proza weet uit te drukken. Helaas, ik ben Roberto Calasso niet. Maar een van de genoegens van het lezende bestaan is dat ik wel in staat ben soms, heel even, door zijn ogen naar de wereld te kijken. In Come ordinare una biblioteca  verzamelde Calasso vier essays over zijn favoeriete onderwerpen: bibliotheken, boekwinkels, boeken, lezen. In het titelessay, dat bijna de helft van het boekje beslaat, vertrekt hij van de vraag hoe je je eigen boekenverzameling moet ordenen. Het is bijna onmogelijk om dat te doen, zegt hij, want iedere ordening is ver

Chiara Valerio. La matematica è politica. Einaudi, 2020.

Afbeelding
  Boeken over wiskunde zijn in Italië veel populairder dan pakweg in Nederland: waar je in dat laatste land hooguit een stuk of twee boeken over wiskunde voor een algemeen publiek verschijnen, lijkt mij dat er in Italië misschien wel iedere maand iets nieuws op de markt komt. Daar zit ook af en toe iets bij dat je wiskundekitsch zou kunnen noemen: boeken die vooral zwijmelen over hoe geweldig de wiskunde is, hoe mooi. Daar hoort La matematica è politica  van Chiara Valerio – die al eerder bijdroeg aan de Italiaanse wiskundeberg – helaas bij. Het boek wil laten zien hoe de wiskunde eigenlijk politiek is, en dan niet zomaar willekeurig welke politiek, nee de wiskunde is democratie.  Beide zijn systemen van regels die de deelnemers de hele tijd kunnen veranderen terwijl ze tegelijkertijd een kader scheppen om in te denken. Wie zich traint in wiskundig denken leert goed na te denken over de betrekkelijkheid én de absoluutheid van de waarheid, hoe alles uiteindelijk het resultaat is van ond

Ype Driessen. Het nadeel van de twijfel. Luitingh-Sijthoff, 2020.

Afbeelding
  Ieder genre verdient het opnieuw uitgevonden te worden; het ware kunstenaarsschap zit hem misschien in het af en toe opnieuw uitvinden van een nieuw genre – een genre zo naar je eigen hand zetten dat je er een nieuw verhaal mee kan vertellen. De fotoroman is een Italiaanse uitvinding en voor zover ik kan nagaan is het ook in Italië om de een of andere reden nooit voor iets anders gebruikt dan voor wat zoetige verhaaltjes – stilstaande soaps op glanzend papier met personages die ook in de heftigste liefdesstormen altijd goed gekapt blijven. In ieder geval is dat het lot van het genre geweest in het Nederlandse taalgebied, waar goedkope tijdschriftjes de enige waren die het genre bleven voeren. Tot Ype Driessen kwam. Eerst maakte hij het genre het zijne om korte strips te maken van een paar plaatjes met een frappe – korte strips waarin meestal wel nog steeds personages een rol speelde, al maakte hij van zichzelf gaandeweg ook steeds meer een personage. Nu zet hij de volgende stap, door

Frida Vogels. De vader van Artenio. Van Oorschot, 2020.

Afbeelding
  Misschien heb ik me Frida Vogels vergist. Het genre van het dagboek ligt me niet zo, ik begrijp niet goed wat mensen ermee willen, dat eindeloos noteren van opmerkingen voor zichzelf. Haar cyclus De harde kern leek me te bieden wat me minder aan Voskuil bevalt en dan in het kwadraat: een nog kleiner wereldje, nog benauwender rondjes draaien in dat kleine wereldje, op zoek naar het ‘zelf’. Maar nu me ik aan een klein, net verschenen boekje gewaagd heb, De vader van Artenio, blijkt het het béste van Voskuil te zijn, en dat in het kwadraat: nauwkeurige observatie van een ander, en dat met des te meer liefde als die ander een verschoppeling is.  Artenio is de man van Frida.  Zijn vader is heel trots op de naam die hij zijn zoon heeft gegeven, een naam die niet zomaar een heiligennaam is maar die echt wat betekent: een combinatie van arte en  genio .  Artenio’s vader kwam er aan het begin van de twintigste eeuw alleen voor te staan: toen hij dertien was, overleed zijn vader en moest hij

Hanna Bervoets. Ivanov. Atlas Contact, 2017.

Afbeelding
  Er zijn allerlei redenen dat de verteller van Hanna Bervoets' roman Ivanov  een man is. Het is nodig dat hij een kind krijgt samen met een apin, zonder dat dit fysiek heel erg ingrijpt in zijn bestaan. Het is nodig dat hij een homoseksueel is omdat hij in de jaren negentig New York bezoekt en HIV een belangrijke rol speelt in het boek.  Maar het lijkt me vooral nodig omdat een belangrijk thema in het boek stippellijntjes zijn: de stippellijntjes van de wetenschappelijke en de journalistieke moraal, die ruimschoots worden overschreden (experimenten doen waarbij je mens en aap kruist, me dunkt; voor je journalistiek artikel inbreken, nu ja), maar (dus) ook van de grens tussen mens en aap, of tussen heden en verleden, of die tussen genialiteit en gekte,  (En ook op een wat lager niveau: die tussen wijn en azijn, tussen een woonkamer en een verborgen werkkamer, tussen een wild meisje en een keurige hockey mom ).  Zo is er dus ook de grens tussen vrouw en man – Bervoets trekt die stip