Posts

Posts uit 2020 weergeven

Martinus Don Hogervorst Benders. Ginneninne. Udenhout, de Kaneelfabriek, 2020.

Afbeelding
Ginneninne is met gemak de meest ambitieuze dichtbundel die er dit jaar verschenen is. De dichter, Martijn Benders, weet het zelf ook. In een brief aan het einde van deze 'kerstbundel' ('Lieve lezer') noemt hij het 'tegenraads' en zegt hij dat het 'van belang' is 'dat iemand een ander geluid laat horen, een lang vergeten geluid, een sluimerende taal'. Het is opvallend dat de bundel voor zover ik kan zien, nergens is besproken. Misschien weet geen recensent zich raad met de dichter, misschien weet geen recensent zich raad met de bundel. Je zou zeggen dat dit een goed teken is, in ieder geval in aanleg: dit is geen bundel die zoveel lijkt op andere bundels dat je hem na lezing keurig in je boekenkast kunt zetten. Niet het zoveelste boekje met keurige stijloefeningen, handelend over problemen waarover iedereen zich wel een beetje zorgen maakt, brave, fraai geformuleerde teksten over hanteerbare onderwerpen, maar een woeste sprong in het onbekende.

Geerten Meijsing. Zeven kerstvertellingen. Amsterdam, De Arbeiderspers, 2020.

Afbeelding
De zevende kerstvertelling van Geerten Meijsing eindigt met een lijst van allerlei lijstjes, die de schrijver aanmaakt als hij niet slapen kan. Het is een rijke en wat je zou kunnen noemen een recursieve lijst. Een onderdeel van de lijst zijn bijvoorbeeld de eigenschappen waarop hij in het verleden vriendinnen heeft beoordeeld – een lijst binnen de lijst. Maar een van die eigenschappen zijn dan weer de 'sportieve vaardigheden, anders dan seks, zoals tennissen, zwemmen (borstcrawl), roeien & zeilen, (...)' De zeven kerstvertellingen zijn op een bepaalde manier ook een lijst – het zijn duidelijk zeven autobiografische verhalen, in verschillende perioden geschreven, maar steeds handelend rond de kerstperiode. Het zijn opsommingen van melancholie, maar je kunt ze ook lezen als brieven zonder geadresseerde. Wat ik mooi vind – de schrijver weet je het gevoel te geven dat hij, of laten we voor de vorm zeggen: de verteller, door en door eerlijk is. Heel aangenaam vind ik dat hij bi

Raoul de Jong. Jaguarman. Mijn vader, zijn vader en andere Surinaamse helden. Amsterdam: De Bezige Bij, 2020.

Afbeelding
  Jaguarman  is misschien wel het meest ambitieuze boek dat er dit jaar verschenen is. Raoul de Jong probeert er geloof ik niets minder in dan de zin van het leven te doorgronden.  Hij doet dat door een zoektocht naar de wortels van zijn vader – een Surinaamse man, die Raoul nauwelijks gekend heeft en nauwelijks kent –, en dat op twee niveau's: door een reis te maken naar Suriname, op zoek naar Jaguarman,  een mythische voorouder van zijn vader, die zichzelf in een jaguar kon veranderen; en later door zeven dagen in zijn Rotterdamse appartement in retraite te gaan volgens de regels van de winti.  Maar hij wil in Suriname niet alleen zijn vader of de jaguarman leren kennen, maar het leven zelf. Hij lijkt veel meer aangetrokken tot het regenwoud dan tot de stad, zoals hij ook meer aangetrokken lijkt tot de caraïben en de marrons dan tot de creolen. Hoe leef je samen met die wilde, op het eerste gezicht zo wrede natuur? Maar het boek wil nog meer zijn, een beschrijving van de geschied

Rob van Essen. Een man met goede schoenen. Atlas Contact, 2020.

Afbeelding
  Stel dat er iemand is die beweert niet van fictie te houden, en liever 'echt gebeurde' verhalen te lezen, of niets te lezen. Raad die persoon dan aan om Een man met goede schoenen te lezen. Mocht die persoon zich bij dat boek vervelen, dan kan hij of zij inderdaad zich de rest van het leven de moeite besparen om nog fictie te lezen.  Ik heb in geen jaren zoveel plezier  beleefd aan een boek als dit. Het bestaat uit een verzameling korte verhalen die Van Essen, blijkens het nawoord, de afgelopen jaren schreef, voor literaire tijdschriften, voor zijn eigen weblog, voor De Groene Amsterdammer – heel verschillende media, die bijvoorbeeld heel verschillende eisen stellen aan de lengte. Maar echt ieder van die verhalen deed me echt op iedere bladzijde glimmen van vreugde, en een paar keer heb ik zelfs hardop gelachen, ook iets wat me niet vaak overkomt. De verhalen stralen zelf ook van blijdschap – over de fantasie, de inventiviteit, de mogelijkheid dat alles ineens heel anders zou

Christiaan Weijts. Furore. De Arbeiderspers, 2020.

Afbeelding
  Het lijkt net alsof Christiaan Weijts in zijn oeuvre uiteindelijk alle kunsten behandeld wil hebben. In Art. 285b was het bijvoorbeeld de muziek, in Via Cappello  het toneel, in Euforie  de architectuur, en in Furore  nu vooral de beeldende kunst, al komen de andere kunsten er ook in voor (de hoofdpersoon van Weijts debuut mag aan het eind van dit boek bijvoorbeeld nog een Scarlatti ten gehore brengen). Maar uiteindelijk wint altijd de literatuur. Kris, de verteller in Furore, begint weliswaar zijn carriere in de virtual reality- industrie, maar begint gaandeweg te begrijpen dat hij zijn bevindingen het best in een boek kan vatten. Ik lees Furore  als een ode aan de taal en de literatuur. Weijts toont een adembenemende techniek, een verhaal dat heel knap in elkaar zit, verteld uit een bijzonder soort perspectief, en dat alles in een onberispelijke stijl.  Er zijn om te beginnen twee hoofdpersonen in het boek: ik  en jij.   Ik  is (dus) Kris, iemand die geboren is in 2020 en spreekt

Esther Gerritsen. De terugkeer. De Geus, 2020.

Afbeelding
  Kunstenaars zeggen wel dat ze met hun werk een bepaald verschijnsel 'onderzoeken'. In die zin is Esther Gerritsens roman  De terugkeer  een psychologisch onderzoek naar het verschijnsel herinnering. Het is het verhaal van een inmiddels volwassen broer en zus van wie de zwaar depressieve vader tijdens hun jeugd om het leven is gekomen, en wier moeder aan het dementeren slaat. Ik houd erg van het werk van Gerritsen juist vanwege de pyschologische dimensie, en haar lef om personen voor het voetlicht te brengen die je in de literatuur minder vaak tegenkomen – mensen die niet per se de universiteit hebben gedaan en zich spits uitdrukken. Maar in dit geval studeert de zus archeologie. Ja, ook nog archeologie; in een boek over herinneringen, en voor een passage dat ook in haar eigen leven aan het graven is. Haar broer, die meer bezig is alles aan de oppervlakte netjes te houden, is hovenier. Het boek is daarmee wat schetsmatig, en als het een onderzoek is, vrees ik dat Gerritsen nie

Anton Slotboom. De zin van het leven ben je zelf. Het compromisloze bestaan van Jules Deelder. Just Publishers, 2020.

Afbeelding
  Aan het eind van zijn boek vertelt Anton Slotboom dat Jules Deelder niet geloofde dat het zin had om naar iets diepers in zijn persoon te vinden: hij was wie hij was. Zelf had Deelder heus wel gezocht, maar er viel nu eenmaal niets te vinden. Slotboom lijkt dit als excuus te hebben gebruikt om zijn boek echt stuitend oppervlakkig te houden. Het onderzoek dat hij heeft gedaan is echt minimaal. Het meeste komt uit interviews met Deelder uit de media – zelf heeft hij de dichter kennelijk niet gesproken, al was het boek kennelijk al min of meer klaar toen deze overleed – en een paar interviews met anderen, óók al in de media. Alleen een paar bekende Rotterdammers – Frederique Spigt, John Buijsman – of vrienden – Bart Chabot – heeft hij gesproken. Die gesprekken zijn grotendeels in het boek opgenomen, en ze bevatten vooral wat grappige anekdotes. Met Deelders vriendin of zijn dochter heeft hij kennelijk geen contact gehad. Het resultaat is dat je in dit boek gewoon het publieke beeld vind

Cyrille Offermans. Midden in het onbewoonbare. Amsterdam, Arbeiderspers, 2020.

Afbeelding
  Midden in het onbewoonbare  is een deel in de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers die geen deel van de reeks Privé-domein mag heten. Het boek is verschenen bij De Arbeiderspers, de vormgeving is hetzelfde, in het boek zelf zegt Cyrille Offermans dat hij het aan de uitgever heeft aangeboden voor de reeks, maar de reeks wordt nergens genoemd. Toch wordt ook nergens uitgelegd waarom niet. Hoe dan ook is Midden in het onbewoonbare  een dagboek over het jaar 2019. Een dagboek waarin geen data worden gebruikt, alleen maandaanduidingen (een maandboek) en waarin het vooral gaat over dingen die Offermans observeert in de kunst, in de literatuur, in het nieuws en veel minder in wat hem in het persoonlijk leven overkomt. Maar toch ook duidelijk een dagboek. Offermans is een klassieke continentaal-Europese intellectueel – als het om literatuur gaat schrijft hij vooral over de Franse en al iets minder over de Duitse, nog minder over de Nederlandse en niet over de Engelse. Hij lijkt ook alles

Philippa Perry. Het boek waarvan je wilde dat je ouders het gelezen hadden (en je kinderen blij zijn dat jij het doet). Balans, 2019.

Afbeelding
  Wat een eigenaardig genre is toch het zelfhulpboek. In Het boek waarvan je wilde dat je ouders het gelezen hadden (en je kinderen blij zijn dat jij het doet ) worden allerlei adviezen op elkaar gestapeld over hoe je kinderen moet opvoeden – van baby's tot postpubers – maar enig echt argument waarom je het op die manier zou moeten doen wordt niet gegeven. Het wordt je gewoon verteld.  Wat er dan als argumenten moeten gelden zijn enerzijds voorbeelden – kleine verhaaltjes, een heel enkele keer uit het eigen leven van de auteur, maar meestal over onduidelijke mensen met alleen voornamen – en aan de andere kant het feit dat de auteur er herhaaldelijk op wijst dat ze psychotherapeut is. Het idee van Het boek  is ook dat je als ouder een psychotherapeut moet zijn voor je kinderen: luisteren, zolang mogelijk met ze meegaan, ze helpen te formuleren wat ze nu eigenlijk echt willen als ze in een driftbui ontsteken.  Bij dat gebrek aan argumentatie geldt neem ik aan dat het idee is dat de l

Simone Atangana Bekono. Confrontaties. Lebowski, 2020

Afbeelding
  Salome is een intelligent meisje, met een bijzonder gevoel voor de literatuur en dan weer vooral voor de Griekse mythen. Maar ondertussen staat haar leven op allerlei manieren onder spanning: haar vader, uit Kameroen, heeft kanker, ze wordt geconfronteerd met racisme, haar verhouding met bijvoorbeeld haar zus is er een van concurrentie.  Verklaart dat ondertussen dat ze op een bepaald moment twee jongens die haar racistisch bejegenen de ogen uitsteekt.  Omdat ze zelf zoveel aan Griekse mythen denkt, vermoedt de lezer bij die uitgestoken ogen een verband met Oedipus, maar het is niet duidelijk hoezo die jongens in enige familierelatie tot Salome zouden staan, maar ze zijn eigenlijk nauwelijks belangrijk voor haar. Haar belangrijkste relatie is overigens die met haar vader, het gezinslid dat het meest geschokt is door haar daad – de moeder komt in Confrontaties  nauwelijks voor en ze komt in ieder geval niet echt uit de verf. Bovendien zijn ook haar andere relaties allemaal ofwel met m

Leïla Slimani. Le pays des autres. Gallimard, 2020.

Afbeelding
  Mathilde leeft in andermans land: ze is geboren in de Elzas, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft ze een Marokkaanse man ontmoet, een soldaat die haar eigen land bevrijd heeft, en die ze is gevolgd naar zijn land. Die man, Amine, zou dus eigenlijk wél in zijn eigen land moeten zijn, maar dat gevoel krijg je nooit, in Le pays des autres.  Op een bepaalde manier leeft Amine namelijk eigenlijk in Amerika. Hij heeft het enigszins wonderlijke idee gekregen dat wat hem op Marokkaanse bodem moet lukken wat de landbouwpioniers aan de andere kant van de Atlantische Oceaan is gelukt: een groot, bloeiend landbouwbedrijf opzetten.  En ook de dochter van Mathilde en Amine, Aïcha, is dan misschien geboren in Marokko, maar zij is er ook niet echt thuis. Ze dompelt zich bijvoorbeeld onder in een katholicisme dat ook niet echt bij haar omgeving past. Ieder koloniaal verhaal is het verhaal van de vreemdeling, van de ander, maar in Le pays des autres  krijgt dat verhaal allerlei lagen van complexi

A.H.J. Dautzenberg. Aslast. Pluim, 2020.

Afbeelding
  Een reis met de trein waarbij over de intercom teksten van de dertiende-eeuwse mystica Hadewijch worden omgeroepen en een Mondriaan-achtig kunstwerk verandert in een pleurant:   een pleurant die nu eens ijskoud is en dan weer zo warm dat het lijkt of hij leeft.  Aslast  is het meesterwerk van A.H.J. Dautzenberg: een roman die bestaat uit 33 episodes (de leeftijd van Jezus!) die allemaal heel sterk op elkaar lijken, al verschuiven ze gaandeweg van een tamelijk alledaagse beschrijving van een man die alleen in coupé zit naar een religieuze ervaring – om uiteindelijk te eindigen met de Donald Duck. Er zijn tot nu toe een paar recensies van Aslast  gelezen die de indruk wekken dat de recensenten het niet vertrouwen: dit moet een grap zijn, wij laten ons daardoor niet in de luren leggen! Maar dat schrap zetten lijkt me nu precies niet  de manier om dit boek te lezen. Anderen lijken zich te ergeren, en dat is misschien al een beter begin, al moet je daarna wel doorzetten, en dat lijkt tot

Nachoem M. Wijnberg. Joodse gedichten Atlas Contact, 2020.

Afbeelding
Wijnbergs poëzie kenmerkt zich niet door wilde gevoelsuitbarstingen, en is in die zin niet lyrisch, maar het speelt wel met pronomina. Veel van zijn recente bundels hebben een thematische samenhang: de gedichten in   Van groot belang   gaan bijvoorbeeld over economische onderwerpen en vorig jaar verscheen   Voetbalgedichten .   Het Jodendom is (anders dan het voetbal) een terugkerend thema: eerder schreef Wijnberg een roman   De joden. Zeker in deze thematische bundels is Wijnbergs kunst  ideeënpoëzie  – allerlei ideeën en gedachten krijgen een talige vorm, zonder dat er per se uit gekozen wordt.  Joodse gedichten  gaan op die manier over het Jodendom. Van alles komt er bij aan de orde, van allerlei beroemde Joodse dichters en denkers (van Maimonides tot en met Levinas, van Mozes tot en met Jacob Israël de Haan). De Jood (of is hij wel een Jood?) die het meest genoemd wordt is de Messias. Sommige  classics  van de Joodse identiteit worden vermeden. Er zijn veel gedichten over de Joodse

Harm Ede Botje & Mischa Cohen. Mijn meningen zijn feiten. Atlas Contact, 2020.

Afbeelding
Een van de effecten van het lezen van  Mijn meningen zijn feiten. De worden van Thierry Baudet, is dat je vanzelf een zekere weerzin krijgt tegen Nederland en zijn zogeheten 'elites'. Hoe is het mogelijk dat zo'n blaaskaak, iemand die met zó weinig talent op welk gebied dan ook, heeft kunnen promoveren, een column in NRC heeft kunnen schrijven, twee romans heeft kunnen publiceren, gast is geweest in allerlei praatprogramma's, en serieus is (erger nog: wordt) genomen als politicus?  Het antwoord dat steeds weer gegeven lijkt is: we dachten wat een leuke, originele jongen, die allemaal dingen zegt die leuke, originele jongens niet vaak zeggen. Het antwoord is steeds: hij is een knappe jongen met een vlotte babbel. En uitgever Mai Spijkers is de enige die het in dit boek hardop zegt: 'het is ook handel', men dacht aan hem te kunnen verdienen. Hij was een rijzende ster omdat hij een rijzende ster was en iedereen bang was deze trein te missen. Het typische verhaal va

Rob van Essen. De goede zoon. Atlas Contact, 2018.

Afbeelding
  Wie wil zien hoe slecht recensenten lezen, zou eerst De goede zoon  van Rob van Essen kunnen lezen, en dan een paar recensies van dat boek. Vraag niet waarom ik dat laatste gedaan heb, maar ik heb het nu gedaan. Toegegeven, De goede zoon  is vanaf de eerste zin een literaire achtbaan waarvan je het avontuur achteraf vrij lastig kunt navertellen. Tegelijkertijd is het nu ook weer niet een heel moeilijk boek, zo een waar je voortdurend Van Dale en een handboek close reading bij moet hebben. Het is vooral een boek waarvan je zou willen dat je het zelf geschreven had, niet omdat het een prijs heeft gekregen, maar omdat de schrijver overduidelijk zoveel plezier heeft gehad bij het schrijven van het boek. En plezier, niet alleen omdat het nu per se af en toe allemaal zo grappig is – al is het bij vlagen heel grappig, van de allereerste scene waarin de verteller annex hoofdpersoon in de Albert Heijn ruzie krijgt met iemand achter hem in de rij die haar boodschappen te dicht bij de zijne leg

Anne Weber. Annette, ein Heldinnenepos. Matthes & Seitz, 2020

Afbeelding
 Een epos, geschreven in 2020! En wel een heldinnen- epos, waarin het verhaal van een heel oude heldin (ze inmiddels ver in de negentig) wordt beschreven: Anne Beaumanoir, een vrouw die haar leven in het teken heeft gesteld van de strijd voor gerechtigheid. In de oorlog had ze in het communistisch verzet in Frankrijk gekregen, en toen ze uit de oorlog kwam, ontdekte ze binnen een paar jaar dat de communistische partij nu ook niet het toonbeeld van rechtvaardigheid was én dat het land waarvoor ze verzet had gepleegd ondertussen zelf begonnen was een volk te onderdrukken – de Algerijnen. De strijd die 'Annette' daar voerde, maakte haar in Franse ogen een terrorist, waardoor ze lang buiten de grenzen van haar vaderland heeft moeten verkeren. Jaren die ze onder andere besteedde in de gezondheidszorg voor zeer behoeftigen. Het is al ongebruikelijk dat in de literatuur de wederwaardigheden worden beschreven van iemand die zozeer geneigd is geweest altijd aan de verkeerde kant te staa

Erwin Mortier. Precieuze mechanieken. De Bezige Bij, 2020

Afbeelding
  Er is geen betere vorm om iemand aan te spreken dan in poëzie. Vandaar dat mensen gedichten schrijven als ze verliefd zijn of als het Sinterklaas is. Gedichten hebben altijd een aangesproken persoon, heel vaak expliciet, en soms impliciet. Belangrijk daarbij: de aangesproken persoon is daarbij niet noodzakelijkerwijs de lezer ('o oude eik'), je zou zelfs kunnen zeggen dat het zo toevallig is als die twee wel samenvallen, dat je net zo goed kunt zeggen dat het helemaal de bedoeling niet is. Gedichten willen misschien gelezen worden, maar niet door degene tot wie ze zich richten. Het is een van de paradoxen waarmee Erwin Mortier speelt in zijn fenomenale nieuwe bundel Precieuze mechanieken.  Het allereerste woord, nee, de allereerste regel van de bundel is: Ma, De lezer van Mortier – of van de achterflap van Precieuze mechanieken – weet dan allang dat de moeder van de dichter dood is, en anders wordt dat al snel duidelijk. Een groot deel van de bundel is rechtstreeks aan de moe

Barry Smit. De zaak-Mulder. Lebowski, 2020

Afbeelding
  De schrijver waarschuwt de lezer aan het begin van De zaak-Mulder:  dit verhaal is fictie. Tegelijkertijd is het op allerlei manieren duidelijk gedocumenteerd, dat blijkt al uit het omslag van het boek. De feiten – althans de feiten over de moord – kloppen. Wat me vooral verzonnen lijkt is wat de mensen zoal zeggen, en dan vooral wat ze zeggen in de rechtszaak. De zaak-Mulder  is dan ook geloof ik niet zozeer fictie op basis van feiten, maar een roman over fictie op basis van feiten. Ook weer op het omslag staan die feiten eigenlijk al: "Op een winteravond in 1937 rijdt een auto het kanaal in. Drie gezinsleden overleven het niet." Die drie gezinsleden zijn drie van de kinderen. Een kindje overleeft het wel, net als de vader en de moeder. Het lijkt een ongeluk, maar op een bepaald moment ontstaat er twijfel aan die verhaal. Wilde de vader niet op deze manier zijn gezin om het leven brengen om een relatie te beginnen met een andere vrouw? Wie ooit naar een aantal knappe sprek

Petra de Koning. Mark Rutte. Brooklyn, 2020

Afbeelding
  Misschien hebben biografieën altijd iets geheimzinnigs. Uiteindelijk kun je nooit echt begrijpen wat iemand drijft, waarom iemand doet wat-ie doet. Dat geldt misschien in nog sterkere mate voor politici, en het allermeest voor nog levende politici, want bij niemand is het belang om zich op een bepaalde manier te presenteren zo groot als bij hen. Mark Rutte is al geruime tijd premier van Nederland, en als de voortekenen niet bedriegen is de kans groot dat hij de langst zittende premier wordt, ooit. Maar waarom? Hij wil het graag, hij kan het volgens bepaalde maatstaven goed – neem de maatstaf dat je van alles en nog wat politiek overleeft –, maar waarom wil hij het graag? En zelfs: hoe lukt hem dat zo goed? Het zijn vragen die je wel kunt stellen en waarop je wel een antwoord kunt formuleren, maar echt tot de kern doordingen lukt je niet. Mark Rutte is bijvoorbeeld tegelijkertijd een combinatie van een jongen die met iedereen kan praten, altijd een arm om iemand heen wil slaan, én van

Michael J. Sandel. The Tyranny of Merit. What Has Become of the Common Good. Penguin Books, 2020.

Afbeelding
  Eén manier om de verkiezing van Trump, Brexit en een aantal aanverwante politieke gebeurtenissen van een paar jaar geleden te verklaren is: de politieke elite heeft zich de afgelopen decennia zo weinig aangetrokken van een belangrijke groep ('lager opgeleide') kiezers, dat deze uiteindelijk in opstand gekomen is. De Amerikaanse politicoloog Michael J. Sandel heeft nu een heel boek geschreven om dit te demonstreren. In de afgelopen decennia is de samenleving steeds meer belang gaan hechten aan universitaire diploma's, je komt alleen nog aan een goede baan met een goed diploma, en hoe beter het diploma hoe beter de baan.  Afkomst en geslacht doen er daarbij steeds minder toe, en dat betekent een zekere democratisering van het privilege (al laat Sandel ook zien dat er ook wat dat betreft nog veel te wensen is), maar in sommige opzichten is opgroeien in een meritocratische samenleving ook juist minder  prettig dan in een aristocratische. Je hebt het altijd aan jezelf te wijte